Bijbel in Gewone Taal (BGT)
36

Vierde toespraak van Elihu

God is wijs en rechtvaardig

361Elihu zei verder:

2‘Heb nog even geduld.

Ik wil je nog veel meer zeggen over God.

3Ik wil je laten zien dat hij goed en eerlijk is.

Ik heb mijn kennis overal vandaan.

4Geloof me, ik vertel geen leugens,

ik weet waarover ik spreek.

5God is machtig, hij zorgt voor iedereen.

Hij is machtig en wijs.

6God laat slechte mensen sterven,

maar hij redt mensen die onderdrukt worden.

7Hij beschermt mensen die goed leven.

Hij maakt ze zo machtig als koningen,

iedereen heeft respect voor hen.

God straft mensen om ze iets te leren

8Maar soms gebeuren er rampen,

soms hebben mensen het moeilijk en lijden ze pijn.

9Zo laat God zien dat ze kwaad gedaan hebben,

dat ze ongehoorzaam aan hem geweest zijn.

10Hij zorgt ervoor dat ze weer naar hem gaan luisteren

en niet langer verkeerde dingen doen.

11Als ze gehoorzaam zijn en doen wat God vraagt,

dan zullen ze lang en gelukkig leven.

12Maar als ze niet luisteren,

als ze niet van God willen weten,

dan zullen ze sterven.

13God wordt steeds bozer op slechte mensen.

Maar zelfs als hij hen straft, luisteren ze niet.

14Dan gaan ze dood door hun slechte leven,

ze sterven als ze nog jong zijn.

15Als mensen pijn lijden, wil God hun iets leren.

Hij wil dat ze naar hem gaan luisteren.

God wilde Job redden

16Job, God wilde ook jou redden uit de ellende,

zodat je weer volop zou genieten van het leven.

17Maar nu word je gestraft, net als slechte mensen.

Je krijgt de straf die je verdient.

18-19Pas op dat je niet al te kwaad wordt,

want dan spot je misschien met God.

Je hebt niets meer aan al je rijkdom.

Want geld helpt niet als het slecht met je gaat.

God laat zich niet betalen om je pijn weg te nemen.

20Job, verlang niet naar de nacht

waarin je voor altijd verdwijnen kunt.

21Pas op, doe geen kwaad meer!

Want anders heeft God je voor niets laten lijden.

22Bedenk dat God machtiger is dan iedereen!

Niemand hoeft hem te leren wat goed en kwaad is.

23Niemand kan zeggen wat God moet doen.

Niemand kan zeggen dat God fouten maakt.

Mensen kunnen God niet begrijpen

24Job, vergeet niet om God in een lied te danken,

zoals mensen dat al zo lang gedaan hebben.

25Alle mensen zien wat God doet,

maar ze zien het alleen van heel ver weg.

26God is zo groot,

wij kunnen hem niet kennen.

Niemand kan weten hoe oud God is.

27Hij haalt de waterdruppels uit de zee omhoog

en maakt zo de regen.

28-31De regen komt uit de wolken omlaag,

de druppels vallen op alle mensen.

Zo zorgt God voor de volken,

zo geeft hij hun genoeg te eten.

Niemand begrijpt hoe de wolken bewegen,

en hoe de donder uit Gods woning komt.

Hij verlicht de hemel met zijn bliksem,

hij bedekt de zee met duisternis.

32God pakt de bliksem in zijn handen,

en stuurt die als een pijl naar de aarde.

33De donder laat horen dat God boos is,

hij is woedend op mensen die kwaad doen.