Bijbel in Gewone Taal (BGT)
34

Tweede toespraak van Elihu

Elihu zegt dat Job spot met God

341Elihu zei verder:

2‘Luister, vrienden,

jullie zijn zo wijs, jullie weten alles zo goed.

Luister nu naar mij.

3Laten we de zaak goed onderzoeken,

en kijken wat er goed of slecht is.

4Laten we kijken of Job gelijk heeft,

en of het waar is wat hij heeft gezegd.

5Job heeft gezegd: ‘Ik ben onschuldig,

maar God weigert om mij gelijk te geven.

6Alles wat over mij gezegd is, is gelogen.

Ik heb niets verkeerds gedaan,

en toch word ik zwaar gestraft.’

7Kennen jullie iemand zoals Job?

Hij spot met God alsof het heel gewoon is.

8Hij is een vriend van misdadigers,

hij gaat om met slechte mensen.

9Jullie weten wat hij gezegd heeft:

‘Het helpt niet om te doen wat God graag wil.’

God doet geen slechte dingen

10Vrienden, jullie zijn verstandig.

Luister daarom naar wat ik jullie te zeggen heb.

De machtige God doet geen slechte dingen,

hij wil nooit iemand kwaad doen.

11De machtige God straft mensen die verkeerd leven,

hij geeft alle mensen hun verdiende loon.

12Dit is zeker: de machtige God doet geen kwaad,

hij verandert het recht niet in onrecht.

13Hij regeert over de aarde, niemand anders.

De hele wereld is van hem, van hem alleen.

14-15Als God geen aandacht voor de mensen had,

dan zouden ze allemaal sterven.

Als God zijn adem niet aan de mensen gaf,

dan zou het leven uit hen verdwijnen.

Voor God zijn alle mensen gelijk

16Job, als je verstandig bent, luister dan naar mij,

luister goed naar wat ik zeg.

17-18God regeert over alle mensen.

Dan moet hij toch een eerlijke rechter zijn?

Dan kun jij hem toch niet veroordelen?

Hij is een rechtvaardige en machtige God,

die tegen koningen en leiders kan zeggen:

‘Verdwijn! Alles wat jullie doen, is slecht!’

19Hij behandelt leiders niet anders dan gewone mensen,

rijken zijn voor hem niet meer waard dan armen.

Want voor God zijn alle mensen gelijk,

hij heeft ze zelf gemaakt.

20Mensen sterven onverwachts, midden in de nacht.

Machtige leiders verdwijnen plotseling,

God haalt ze zomaar uit het leven weg.

21Hij ziet alles wat mensen doen,

hij ziet elke stap die ze zetten.

22Slechte mensen verbergen zich in het donker,

maar God weet hen toch te vinden.

God straft slechte machthebbers

23God bepaalt zelf wanneer hij zijn oordeel geeft,

mensen kunnen dat niet bepalen.

24God beslist wanneer een machthebber weg moet,

en er iemand anders moet gaan regeren.

25Want God weet hoe slecht machtige mensen zijn.

Midden in de nacht vernietigt hij hen.

26Hij straft hen alsof ze misdadigers zijn,

hij straft hen terwijl iedereen toekijkt.

27Want ze willen niet naar hem luisteren,

ze houden zich niet aan zijn regels.

28Door hun schuld schreeuwen arme mensen om hulp,

God hoort die arme mensen huilen en klagen.

29Maar soms doet God niets.

Dan mogen wij hem niet veroordelen.

Als God zich niet laat zien,

dan kunnen we alleen maar wachten.

30Toch zorgt hij voor volken en mensen.

Hij wil niet dat slechte mensen regeren,

hij wil niet dat slechte leiders hun volk onderdrukken.

Elihu zegt dat Job spijt moet hebben

31Job, luister naar mij,

en zeg tegen God dat je fouten gemaakt hebt.

Beloof hem om geen kwaad meer te doen.

32Vraag hem of je iets verkeerds gedaan hebt,

zonder dat je het wist.

En zeg dan dat je het niet nog eens zult doen.

33Moet God je straffen op jouw manier,

omdat je zijn manier veroordeelt?

Zeg jij het maar, ik doe dat niet.

Zeg maar hoe jij daarover denkt.

34Verstandige en wijze mensen zeggen tegen mij:

35‘Job gebruikt zijn verstand niet,

wat hij zegt, is onzin.

36Job moet heel streng gestraft worden,

want hij praat zoals slechte mensen praten.

37Ook nu nog komt hij in opstand tegen God.

Hij verzet zich tegen God waar wij bij zijn,

en hij blijft God maar beschuldigen.’’

35

Derde toespraak van Elihu

Door goed te leven help je God niet

351Elihu zei verder:

2‘Job, jij hebt tegen God gezegd: ‘Ik ben onschuldig.’

Maar kun je dat wel zeggen tegen God?

3Je hebt tegen God gezegd:

‘Wat hebt u eraan als ik geen kwaad doe?

Verandert er dan iets voor u?’

4Ik zal je het antwoord geven,

jou en ook de vrienden die bij je zijn.

5-6Kijk eens hoe ver de hemel is,

kijk eens hoe hoog de wolken boven je zijn.

Zo ver weg is God!

Hij heeft er geen last van als jij kwaad doet,

ook al maak je nog zo veel fouten.

7God heeft er geen voordeel van

als jij goed en eerlijk bent.

Dat is voor hem geen geschenk.

8Nee, als je slechte dingen doet,

hebben alleen mensen daar last van.

En als je goede dingen doet,

help je alleen mensen daarmee.

God luistert niet naar dom gepraat

9Als mensen onderdrukt worden,

schreeuwen ze het uit en roepen ze om hulp.

10Maar toch vragen ze geen hulp aan God,

die hen gemaakt heeft

en die hun steeds weer kracht geeft.

11Ze vragen geen hulp aan God,

die de mensen wijzer gemaakt heeft dan de dieren op het land,

en verstandiger dan de vogels in de lucht.

12Als mensen zo schreeuwen, dan antwoordt God niet.

Want de mensen zijn trots en slecht.

13Het helpt niet dat ze schreeuwen,

want de machtige God luistert niet,

hij heeft er geen aandacht voor.

14Job, jij zegt dat je niets merkt van God,

maar God laat jou wachten, hij kent jouw zaak.

15God is woedend, maar hij houdt zich in,

hij reageert niet op jouw domme gepraat.

16Maar jij ziet dat niet,

daarom blijf je maar onzin praten.’

36

Vierde toespraak van Elihu

God is wijs en rechtvaardig

361Elihu zei verder:

2‘Heb nog even geduld.

Ik wil je nog veel meer zeggen over God.

3Ik wil je laten zien dat hij goed en eerlijk is.

Ik heb mijn kennis overal vandaan.

4Geloof me, ik vertel geen leugens,

ik weet waarover ik spreek.

5God is machtig, hij zorgt voor iedereen.

Hij is machtig en wijs.

6God laat slechte mensen sterven,

maar hij redt mensen die onderdrukt worden.

7Hij beschermt mensen die goed leven.

Hij maakt ze zo machtig als koningen,

iedereen heeft respect voor hen.

God straft mensen om ze iets te leren

8Maar soms gebeuren er rampen,

soms hebben mensen het moeilijk en lijden ze pijn.

9Zo laat God zien dat ze kwaad gedaan hebben,

dat ze ongehoorzaam aan hem geweest zijn.

10Hij zorgt ervoor dat ze weer naar hem gaan luisteren

en niet langer verkeerde dingen doen.

11Als ze gehoorzaam zijn en doen wat God vraagt,

dan zullen ze lang en gelukkig leven.

12Maar als ze niet luisteren,

als ze niet van God willen weten,

dan zullen ze sterven.

13God wordt steeds bozer op slechte mensen.

Maar zelfs als hij hen straft, luisteren ze niet.

14Dan gaan ze dood door hun slechte leven,

ze sterven als ze nog jong zijn.

15Als mensen pijn lijden, wil God hun iets leren.

Hij wil dat ze naar hem gaan luisteren.

God wilde Job redden

16Job, God wilde ook jou redden uit de ellende,

zodat je weer volop zou genieten van het leven.

17Maar nu word je gestraft, net als slechte mensen.

Je krijgt de straf die je verdient.

18-19Pas op dat je niet al te kwaad wordt,

want dan spot je misschien met God.

Je hebt niets meer aan al je rijkdom.

Want geld helpt niet als het slecht met je gaat.

God laat zich niet betalen om je pijn weg te nemen.

20Job, verlang niet naar de nacht

waarin je voor altijd verdwijnen kunt.

21Pas op, doe geen kwaad meer!

Want anders heeft God je voor niets laten lijden.

22Bedenk dat God machtiger is dan iedereen!

Niemand hoeft hem te leren wat goed en kwaad is.

23Niemand kan zeggen wat God moet doen.

Niemand kan zeggen dat God fouten maakt.

Mensen kunnen God niet begrijpen

24Job, vergeet niet om God in een lied te danken,

zoals mensen dat al zo lang gedaan hebben.

25Alle mensen zien wat God doet,

maar ze zien het alleen van heel ver weg.

26God is zo groot,

wij kunnen hem niet kennen.

Niemand kan weten hoe oud God is.

27Hij haalt de waterdruppels uit de zee omhoog

en maakt zo de regen.

28-31De regen komt uit de wolken omlaag,

de druppels vallen op alle mensen.

Zo zorgt God voor de volken,

zo geeft hij hun genoeg te eten.

Niemand begrijpt hoe de wolken bewegen,

en hoe de donder uit Gods woning komt.

Hij verlicht de hemel met zijn bliksem,

hij bedekt de zee met duisternis.

32God pakt de bliksem in zijn handen,

en stuurt die als een pijl naar de aarde.

33De donder laat horen dat God boos is,

hij is woedend op mensen die kwaad doen.