Bijbel in Gewone Taal (BGT)
33

Job hoeft niet bang te zijn

331Job, luister nu eens naar mij,

luister goed naar alles wat ik ga zeggen.

2Ik doe mijn mond al open,

de woorden liggen op mijn tong.

3Ik zal heel eerlijk tegen je zijn,

ik zal je duidelijk zeggen wat ik vind.

4De machtige God heeft mij gemaakt,

zijn adem houdt me in leven.

5-6Hij heeft mij gemaakt van klei, en jou ook!

Voor God zijn wij gelijk.

Bereid je voor op het gesprek met mij

en verdedig je, als je kunt.

7Wees niet bang voor mijn woorden,

ik zal het je niet moeilijk maken.

Job mag God niet beschuldigen

8Ik heb goed gehoord wat je zei,

ik heb het goed onthouden.

9Je zei: ‘Ik heb niets gedaan, ik ben onschuldig,

er is bij mij geen enkele fout te vinden.

10Toch is God tegen mij,

hij doet alsof ik zijn vijand ben.

11Hij behandelt me als een gevangene,

hij let op alles wat ik doe.’

12Maar, Job, ik zeg je dat je ongelijk hebt.

God staat ver boven de mensen.

13Waarom beschuldig je hem,

waarom zeg je dat hij nooit iets terugzegt?

God spreekt tegen mensen in dromen

14God spreekt wel, op allerlei manieren,

maar mensen merken het niet.

15Hij spreekt tegen mensen in hun dromen,

als ze diep slapen, of bijna wakker zijn.

16God geeft mensen raad in hun dromen,

en hij waarschuwt ze.

17Hij wil niet dat mensen kwaad doen,

of dat ze zichzelf te belangrijk vinden.

18Want God wil niet dat mensen jong sterven,

hij wil hen beschermen tegen de dood.

God spreekt tegen mensen door ziekte

19Soms waarschuwt God iemand door pijn,

iemand die ziek is en op zijn bed ligt.

Dan trilt zijn hele lichaam van de koorts.

20Hij wil niet meer eten,

hij laat zelfs zijn lievelingseten staan.

21Hij wordt heel mager, hij kan zijn botten tellen.

22Hij ligt al bijna in het graf,

hij is dicht bij de dood.

God geeft mensen een nieuwe kans

23Misschien zal dan een engel de zieke helpen,

één van al die duizenden engelen

die aan de mensen vertellen wat God wil.

24De engel zal medelijden met de zieke krijgen.

Hij zal tegen God zeggen: ‘Laat hem niet doodgaan,

daar is helemaal geen reden voor, laat hem vrij.’

25Dan wordt de zieke weer zo sterk als vroeger,

hij wordt weer jong, hij krijgt weer kracht.

26Hij bidt tot God, en God luistert naar hem.

Dan dankt hij God, en hij juicht van vreugde

omdat God hem heeft gered.

27Hij is blij, en zegt tegen iedereen:

‘Ik heb veel fout gedaan,

maar God heeft me daar niet voor gestraft.

28Hij heeft me niet laten sterven.

Ik mag weer van het leven genieten.’

29Dat doet God voor mensen, steeds opnieuw.

30Hij haalt ze bij de donkere dood vandaan,

hij geeft ze weer leven en licht.

Elihu wil met Job in gesprek

31Luister goed, Job,

luister naar wat ik je te zeggen heb.

Zwijg, en laat mij nu spreken.

32En als je het niet met me eens bent,

dan moet je het zeggen. Want ik geef je graag gelijk.

33Maar als je niets te zeggen hebt, zwijg dan.

Luister, dan zal ik je leren wat wijsheid is.’

34

Tweede toespraak van Elihu

Elihu zegt dat Job spot met God

341Elihu zei verder:

2‘Luister, vrienden,

jullie zijn zo wijs, jullie weten alles zo goed.

Luister nu naar mij.

3Laten we de zaak goed onderzoeken,

en kijken wat er goed of slecht is.

4Laten we kijken of Job gelijk heeft,

en of het waar is wat hij heeft gezegd.

5Job heeft gezegd: ‘Ik ben onschuldig,

maar God weigert om mij gelijk te geven.

6Alles wat over mij gezegd is, is gelogen.

Ik heb niets verkeerds gedaan,

en toch word ik zwaar gestraft.’

7Kennen jullie iemand zoals Job?

Hij spot met God alsof het heel gewoon is.

8Hij is een vriend van misdadigers,

hij gaat om met slechte mensen.

9Jullie weten wat hij gezegd heeft:

‘Het helpt niet om te doen wat God graag wil.’

God doet geen slechte dingen

10Vrienden, jullie zijn verstandig.

Luister daarom naar wat ik jullie te zeggen heb.

De machtige God doet geen slechte dingen,

hij wil nooit iemand kwaad doen.

11De machtige God straft mensen die verkeerd leven,

hij geeft alle mensen hun verdiende loon.

12Dit is zeker: de machtige God doet geen kwaad,

hij verandert het recht niet in onrecht.

13Hij regeert over de aarde, niemand anders.

De hele wereld is van hem, van hem alleen.

14-15Als God geen aandacht voor de mensen had,

dan zouden ze allemaal sterven.

Als God zijn adem niet aan de mensen gaf,

dan zou het leven uit hen verdwijnen.

Voor God zijn alle mensen gelijk

16Job, als je verstandig bent, luister dan naar mij,

luister goed naar wat ik zeg.

17-18God regeert over alle mensen.

Dan moet hij toch een eerlijke rechter zijn?

Dan kun jij hem toch niet veroordelen?

Hij is een rechtvaardige en machtige God,

die tegen koningen en leiders kan zeggen:

‘Verdwijn! Alles wat jullie doen, is slecht!’

19Hij behandelt leiders niet anders dan gewone mensen,

rijken zijn voor hem niet meer waard dan armen.

Want voor God zijn alle mensen gelijk,

hij heeft ze zelf gemaakt.

20Mensen sterven onverwachts, midden in de nacht.

Machtige leiders verdwijnen plotseling,

God haalt ze zomaar uit het leven weg.

21Hij ziet alles wat mensen doen,

hij ziet elke stap die ze zetten.

22Slechte mensen verbergen zich in het donker,

maar God weet hen toch te vinden.

God straft slechte machthebbers

23God bepaalt zelf wanneer hij zijn oordeel geeft,

mensen kunnen dat niet bepalen.

24God beslist wanneer een machthebber weg moet,

en er iemand anders moet gaan regeren.

25Want God weet hoe slecht machtige mensen zijn.

Midden in de nacht vernietigt hij hen.

26Hij straft hen alsof ze misdadigers zijn,

hij straft hen terwijl iedereen toekijkt.

27Want ze willen niet naar hem luisteren,

ze houden zich niet aan zijn regels.

28Door hun schuld schreeuwen arme mensen om hulp,

God hoort die arme mensen huilen en klagen.

29Maar soms doet God niets.

Dan mogen wij hem niet veroordelen.

Als God zich niet laat zien,

dan kunnen we alleen maar wachten.

30Toch zorgt hij voor volken en mensen.

Hij wil niet dat slechte mensen regeren,

hij wil niet dat slechte leiders hun volk onderdrukken.

Elihu zegt dat Job spijt moet hebben

31Job, luister naar mij,

en zeg tegen God dat je fouten gemaakt hebt.

Beloof hem om geen kwaad meer te doen.

32Vraag hem of je iets verkeerds gedaan hebt,

zonder dat je het wist.

En zeg dan dat je het niet nog eens zult doen.

33Moet God je straffen op jouw manier,

omdat je zijn manier veroordeelt?

Zeg jij het maar, ik doe dat niet.

Zeg maar hoe jij daarover denkt.

34Verstandige en wijze mensen zeggen tegen mij:

35‘Job gebruikt zijn verstand niet,

wat hij zegt, is onzin.

36Job moet heel streng gestraft worden,

want hij praat zoals slechte mensen praten.

37Ook nu nog komt hij in opstand tegen God.

Hij verzet zich tegen God waar wij bij zijn,

en hij blijft God maar beschuldigen.’’

35

Derde toespraak van Elihu

Door goed te leven help je God niet

351Elihu zei verder:

2‘Job, jij hebt tegen God gezegd: ‘Ik ben onschuldig.’

Maar kun je dat wel zeggen tegen God?

3Je hebt tegen God gezegd:

‘Wat hebt u eraan als ik geen kwaad doe?

Verandert er dan iets voor u?’

4Ik zal je het antwoord geven,

jou en ook de vrienden die bij je zijn.

5-6Kijk eens hoe ver de hemel is,

kijk eens hoe hoog de wolken boven je zijn.

Zo ver weg is God!

Hij heeft er geen last van als jij kwaad doet,

ook al maak je nog zo veel fouten.

7God heeft er geen voordeel van

als jij goed en eerlijk bent.

Dat is voor hem geen geschenk.

8Nee, als je slechte dingen doet,

hebben alleen mensen daar last van.

En als je goede dingen doet,

help je alleen mensen daarmee.

God luistert niet naar dom gepraat

9Als mensen onderdrukt worden,

schreeuwen ze het uit en roepen ze om hulp.

10Maar toch vragen ze geen hulp aan God,

die hen gemaakt heeft

en die hun steeds weer kracht geeft.

11Ze vragen geen hulp aan God,

die de mensen wijzer gemaakt heeft dan de dieren op het land,

en verstandiger dan de vogels in de lucht.

12Als mensen zo schreeuwen, dan antwoordt God niet.

Want de mensen zijn trots en slecht.

13Het helpt niet dat ze schreeuwen,

want de machtige God luistert niet,

hij heeft er geen aandacht voor.

14Job, jij zegt dat je niets merkt van God,

maar God laat jou wachten, hij kent jouw zaak.

15God is woedend, maar hij houdt zich in,

hij reageert niet op jouw domme gepraat.

16Maar jij ziet dat niet,

daarom blijf je maar onzin praten.’