Bijbel in Gewone Taal (BGT)
31

Job heeft niemand bedrogen

311Ik heb nooit naar jonge vrouwen gekeken,

dat had ik mezelf plechtig beloofd.

2Anders zou de Allerhoogste me zwaar gestraft hebben,

en die straf zou ik hebben verdiend.

3Want het loopt slecht af met mensen die verkeerde dingen doen,

zij zullen door rampen getroffen worden.

4God weet hoe ik geleefd heb,

hij heeft alles gezien wat ik deed!

5Nooit heb ik iemand bedrogen,

nooit heb ik tegen iemand gelogen.

Dat is zo zeker als God leeft!

6Laat God mijn zaak maar eerlijk onderzoeken,

dan zal hij zien dat ik onschuldig ben.

Job heeft nooit de vrouw van een ander afgepakt

7Ik heb nooit gedaan wat God verkeerd vond.

Ik heb nooit toegegeven aan slechte verlangens.

Ik heb nooit iemand onrecht aangedaan.

8Als het niet waar is wat ik zeg,

dan mogen anderen eten wat ik heb gezaaid,

dan mogen zij oogsten wat ik heb geplant.

9Ik heb nooit verlangd naar de vrouw van een ander.

Ik ben nooit met mijn buurvrouw naar bed geweest.

10Als het niet waar is wat ik zeg,

dan mogen anderen mijn vrouw hebben,

dan mogen zij het bed met haar delen.

11Dat zou mijn straf zijn,

omdat ik iets verschrikkelijks gedaan had.

12Want verlangen naar de vrouw van een ander

is als een vuur dat alles vernietigt:

het maakt je hele leven kapot.

Job behandelde zijn slaven eerlijk

13Als mijn slaven of slavinnen een klacht over mij hadden,

heb ik hen altijd rechtvaardig behandeld.

14Anders zou ik niet tegenover God durven staan

als hij onderzoekt wat ik gedaan heb.

15God heeft ons allemaal gemaakt in de buik van onze moeder.

Daarom zijn slaven en meesters voor hem gelijk.

Job hielp arme mensen

16Ik gaf arme mensen altijd wat ze nodig hadden,

ik liet weduwen geen honger lijden.

17Ik deelde mijn eten met kinderen die niets hadden,

ik hield het niet alleen voor mezelf.

18Ik zorgde voor kinderen zonder vader,

en ik gaf hulp aan weduwen.

19Als ik een zwerver zag, gaf ik hem kleren.

Ik gaf dekens aan arme mensen.

20Ze waren me dankbaar,

want zo konden ze zich warm houden.

21Nooit heb ik kinderen zonder vader bedreigd,

ook al had ik daar de macht voor,

en ook al zouden de rechters me steunen.

22Als het niet waar is wat ik zeg,

dan mag iemand mijn schouders en armen breken.

23Ik ben doodsbang voor de straf van God.

God is zo machtig, hij is veel sterker dan ik.

Job was rijk, maar eerlijk tegen God

24Ik heb nooit gedacht dat geld gelukkig maakt,

ik heb nooit vertrouwd op mijn rijkdom.

25Ik was nooit trots op mijn bezit,

of op alles wat ik bereikt had.

26Ik vond de warmte van de zon heerlijk,

het licht van de maan vond ik prachtig.

27Maar ik heb de zon en de maan nooit vereerd,

ik heb nooit in het geheim voor ze geknield.

28Als ik dat wel gedaan had,

dan zou ik een zware straf verdienen.

Want dan zou het zijn alsof ik God in de hemel niet kende.

Job haatte zijn vijanden niet

29Ik was niet blij als mijn vijanden in nood waren,

ik juichte niet als een ramp hen trof.

30Nooit heb ik mijn vijanden vervloekt,

nooit heb ik gebeden dat ze zouden sterven.

Bij Job was iedereen welkom

31De mensen die in mijn huis kwamen,

zijn nooit met honger weggegaan.

Dat weten al mijn vrienden.

32Voor elke reiziger opende ik mijn deuren,

niemand hoefde buiten te slapen.

Job was altijd eerlijk

33Als ik fouten maakte, dan hield ik ze niet verborgen.

Als iets mijn schuld was, dan gaf ik dat toe.

34Ik was niet bang voor het oordeel van mensen.

Het kon me niet schelen hoe ze over mij dachten.

Ik zei wat ik wilde zeggen,

en ik durfde overal te komen.

35-40Ik heb nooit de akker van een ander afgepakt.

Ik heb nooit geoogst op het land van een ander.

Aan de mensen die op mijn land werkten, gaf ik loon.

Ik liet ze niet van de honger sterven.

Als het niet waar is wat ik zeg,

dan zullen er doorns op mijn akkers staan in plaats van koren,

dan zal er onkruid groeien in plaats van graan.

Job wil nu een antwoord van God

Ik zou willen dat er iemand echt naar me luisterde.

Alles wat ik gezegd heb, is de waarheid.

Laat de machtige God nu maar reageren,

laat hij zijn aanklacht maar opschrijven.

Ik zal die woorden aan iedereen laten zien,

ik zal ze trots met me meedragen,

zoals een koning zijn kroon draagt.

Ik kan precies aan God vertellen wat ik gedaan heb.

Ik kan trots zijn op mezelf.’

Zo eindigde de toespraak van Job.

32

Eerste toespraak van Elihu

Elihu is boos op Job en zijn vrienden

321De drie vrienden gingen niet verder met Job in discussie. Want Job bleef vinden dat hij onschuldig was.

2Maar Elihu uit Buz was er ook bij. Hij was een zoon van Barachel, die uit de familie van Ram kwam. Elihu was boos op Job, omdat Job vond dat hij zelf onschuldig was. Hij gaf God de schuld van zijn ellende.

3Elihu was ook boos op de drie vrienden van Job. Want zij zeiden dat Job schuldig was. Maar ze konden niet zeggen wat hij fout gedaan had.

4Elihu had tijdens het gesprek tussen Job en zijn vrienden niets gezegd. Hij had gezwegen, omdat hij de jongste was. 5Maar toen de vrienden niets meer wisten te zeggen, werd hij heel boos.

Elihu durft nu pas te spreken

6Elihu zei:

‘Ik ben jong, jullie zijn veel ouder.

Daarom durfde ik niets te zeggen,

ik was bang om mijn mening te geven.

7Ik dacht: Laat de ouderen eerst spreken,

zij kunnen vast wel wijze dingen zeggen.

8-9Maar oude mensen weten het niet altijd beter,

hun leeftijd maakt hen niet wijzer.

Alleen de machtige God geeft mensen wijsheid,

zijn geest maakt mensen verstandig.

10Luister daarom nu naar mij,

dan zal ik mijn mening geven.

11Toen jullie spraken, heb ik gewacht.

Ik heb vol aandacht geluisterd,

terwijl jullie steeds met nieuwe argumenten kwamen.

12Ik heb goed gehoord wat jullie zeiden.

En dit is mijn conclusie:

jullie kunnen niet bewijzen dat Job schuldig is.

Elihu kan niet zwijgen

13En zeg nu niet: ‘Wij weten wel wat wijs is,

wij weten dat alleen God antwoord kan geven aan Job.’

14Want Job heeft nog niet met mij gepraat,

ik zal heel andere dingen zeggen dan jullie!

15Jullie weten het gewoon niet meer,

jullie weten niets meer te zeggen.

16Maar daarom hoef ik toch niet te zwijgen?

17Nu is het mijn beurt om te reageren,

nu zal ik mijn mening geven.

18Ik heb zo veel te zeggen,

ik kan gewoon niet langer zwijgen.

19Ik stik bijna,

mijn woorden moeten eruit!

20Ik moet spreken, dan zal ik me beter voelen.

Ik moet zeggen wat ik ervan vind!

Elihu zal zeggen wat hij denkt

21Ik zal eerlijk tegen jullie zijn,

ik maak de dingen niet mooier dan ze zijn.

22Want dat kan ik niet, zo ben ik niet.

En als ik dat deed, zou God me direct straffen.

33

Job hoeft niet bang te zijn

331Job, luister nu eens naar mij,

luister goed naar alles wat ik ga zeggen.

2Ik doe mijn mond al open,

de woorden liggen op mijn tong.

3Ik zal heel eerlijk tegen je zijn,

ik zal je duidelijk zeggen wat ik vind.

4De machtige God heeft mij gemaakt,

zijn adem houdt me in leven.

5-6Hij heeft mij gemaakt van klei, en jou ook!

Voor God zijn wij gelijk.

Bereid je voor op het gesprek met mij

en verdedig je, als je kunt.

7Wees niet bang voor mijn woorden,

ik zal het je niet moeilijk maken.

Job mag God niet beschuldigen

8Ik heb goed gehoord wat je zei,

ik heb het goed onthouden.

9Je zei: ‘Ik heb niets gedaan, ik ben onschuldig,

er is bij mij geen enkele fout te vinden.

10Toch is God tegen mij,

hij doet alsof ik zijn vijand ben.

11Hij behandelt me als een gevangene,

hij let op alles wat ik doe.’

12Maar, Job, ik zeg je dat je ongelijk hebt.

God staat ver boven de mensen.

13Waarom beschuldig je hem,

waarom zeg je dat hij nooit iets terugzegt?

God spreekt tegen mensen in dromen

14God spreekt wel, op allerlei manieren,

maar mensen merken het niet.

15Hij spreekt tegen mensen in hun dromen,

als ze diep slapen, of bijna wakker zijn.

16God geeft mensen raad in hun dromen,

en hij waarschuwt ze.

17Hij wil niet dat mensen kwaad doen,

of dat ze zichzelf te belangrijk vinden.

18Want God wil niet dat mensen jong sterven,

hij wil hen beschermen tegen de dood.

God spreekt tegen mensen door ziekte

19Soms waarschuwt God iemand door pijn,

iemand die ziek is en op zijn bed ligt.

Dan trilt zijn hele lichaam van de koorts.

20Hij wil niet meer eten,

hij laat zelfs zijn lievelingseten staan.

21Hij wordt heel mager, hij kan zijn botten tellen.

22Hij ligt al bijna in het graf,

hij is dicht bij de dood.

God geeft mensen een nieuwe kans

23Misschien zal dan een engel de zieke helpen,

één van al die duizenden engelen

die aan de mensen vertellen wat God wil.

24De engel zal medelijden met de zieke krijgen.

Hij zal tegen God zeggen: ‘Laat hem niet doodgaan,

daar is helemaal geen reden voor, laat hem vrij.’

25Dan wordt de zieke weer zo sterk als vroeger,

hij wordt weer jong, hij krijgt weer kracht.

26Hij bidt tot God, en God luistert naar hem.

Dan dankt hij God, en hij juicht van vreugde

omdat God hem heeft gered.

27Hij is blij, en zegt tegen iedereen:

‘Ik heb veel fout gedaan,

maar God heeft me daar niet voor gestraft.

28Hij heeft me niet laten sterven.

Ik mag weer van het leven genieten.’

29Dat doet God voor mensen, steeds opnieuw.

30Hij haalt ze bij de donkere dood vandaan,

hij geeft ze weer leven en licht.

Elihu wil met Job in gesprek

31Luister goed, Job,

luister naar wat ik je te zeggen heb.

Zwijg, en laat mij nu spreken.

32En als je het niet met me eens bent,

dan moet je het zeggen. Want ik geef je graag gelijk.

33Maar als je niets te zeggen hebt, zwijg dan.

Luister, dan zal ik je leren wat wijsheid is.’