Bijbel in Gewone Taal (BGT)
30

Job krijgt geen respect meer

301Maar nu lachen dwaze jonge mensen mij uit!

Voor hun vaders had ik al geen respect,

die liet ik zelfs niet op mijn schapen passen.

2Ze konden me niet helpen,

want ze hadden de kracht niet om te werken.

3Die jonge mensen hebben altijd honger,

ze kunnen niets meer.

Ze zoeken overal in de woestijn naar eten,

zelfs ’s nachts als het donker is.

Maar alles wat ze vinden, is verdroogd.

4Ze plukken onkruid en bladeren,

en eten de wortels van droge struiken.

5Ze worden als dieven weggejaagd,

iedereen scheldt hen uit.

6Ze wonen tussen de rotsen,

in donkere holen en grotten.

7Ze kruipen bij elkaar onder de struiken,

als dieren schreeuwen ze om eten.

8Ze zijn dom en dwaas,

niemand heeft respect voor hen.

Ze worden overal weggejaagd.

9En die mensen spotten met mij,

ze maken grappen over mij!

10Ze hebben een hekel aan mij.

Ze blijven liever op een afstand,

en ze spugen naar me.

Jobs vijanden vallen hem aan

11God heeft mijn kracht weggenomen.

Nu ben ik zwak en hulpeloos,

mijn vijanden kunnen met mij doen wat ze willen.

12Met z’n allen vallen ze mij aan.

Ze achtervolgen me, ze willen me vernietigen.

13Ik wil vluchten, maar ze laten me niet gaan.

Ze willen me doden,

en niemand houdt ze tegen.

14Ze rennen op me af, met heel veel tegelijk.

Ze lijken op soldaten die door een muur heen breken.

15Ik ga bijna dood van angst.

Niemand heeft nog respect voor mij,

al mijn hoop is verdwenen.

16Nu heb ik bijna geen kracht meer,

het gaat elke dag slechter met me.

17’s Nachts doet mijn hele lichaam pijn,

ik krijg geen rust meer.

Job is teleurgesteld in God

18Met grote kracht pakt God mij vast,

hij grijpt me bij de keel.

19Hij gooit me op de grond,

hij behandelt me als vuil.

20God, ik roep om hulp, maar u antwoordt niet.

Ik sta hier, maar u wilt me niet zien.

21U bent veranderd, u bent hard voor mij.

Met al uw kracht keert u zich tegen mij.

22U tilt me op en gooit me weer neer,

u schudt me heen en weer in een storm.

23Ik weet het zeker: u brengt me naar het land van de dood,

naar de plaats waar iedereen naartoe gaat.

24Waarom doet u me kwaad nu ik het moeilijk heb?

En nu ik alleen nog om hulp kan roepen?

25Ik heb gehuild als anderen het zwaar hadden.

Als mensen niets meer hadden, hielp ik ze altijd.

Job is bedroefd

26Ik hoopte op geluk,

maar er kwam alleen maar ongeluk.

Ik wachtte op licht,

maar er kwam alleen maar duisternis.

27Ik ben vol onrust van binnen,

en dat wordt alleen maar erger.

28Somber en bedroefd loop ik rond.

Ik ga zelfs naar de leiders van de stad,

en ik schreeuw om hulp.

29Ik huil als een hond die geslagen wordt,

ik voel me in de steek gelaten.

30Mijn huid is vuil en kapot,

mijn lichaam is ziek door de koorts.

31Vroeger zong ik en maakte ik muziek,

nu klaag ik en huil ik van verdriet.

31

Job heeft niemand bedrogen

311Ik heb nooit naar jonge vrouwen gekeken,

dat had ik mezelf plechtig beloofd.

2Anders zou de Allerhoogste me zwaar gestraft hebben,

en die straf zou ik hebben verdiend.

3Want het loopt slecht af met mensen die verkeerde dingen doen,

zij zullen door rampen getroffen worden.

4God weet hoe ik geleefd heb,

hij heeft alles gezien wat ik deed!

5Nooit heb ik iemand bedrogen,

nooit heb ik tegen iemand gelogen.

Dat is zo zeker als God leeft!

6Laat God mijn zaak maar eerlijk onderzoeken,

dan zal hij zien dat ik onschuldig ben.

Job heeft nooit de vrouw van een ander afgepakt

7Ik heb nooit gedaan wat God verkeerd vond.

Ik heb nooit toegegeven aan slechte verlangens.

Ik heb nooit iemand onrecht aangedaan.

8Als het niet waar is wat ik zeg,

dan mogen anderen eten wat ik heb gezaaid,

dan mogen zij oogsten wat ik heb geplant.

9Ik heb nooit verlangd naar de vrouw van een ander.

Ik ben nooit met mijn buurvrouw naar bed geweest.

10Als het niet waar is wat ik zeg,

dan mogen anderen mijn vrouw hebben,

dan mogen zij het bed met haar delen.

11Dat zou mijn straf zijn,

omdat ik iets verschrikkelijks gedaan had.

12Want verlangen naar de vrouw van een ander

is als een vuur dat alles vernietigt:

het maakt je hele leven kapot.

Job behandelde zijn slaven eerlijk

13Als mijn slaven of slavinnen een klacht over mij hadden,

heb ik hen altijd rechtvaardig behandeld.

14Anders zou ik niet tegenover God durven staan

als hij onderzoekt wat ik gedaan heb.

15God heeft ons allemaal gemaakt in de buik van onze moeder.

Daarom zijn slaven en meesters voor hem gelijk.

Job hielp arme mensen

16Ik gaf arme mensen altijd wat ze nodig hadden,

ik liet weduwen geen honger lijden.

17Ik deelde mijn eten met kinderen die niets hadden,

ik hield het niet alleen voor mezelf.

18Ik zorgde voor kinderen zonder vader,

en ik gaf hulp aan weduwen.

19Als ik een zwerver zag, gaf ik hem kleren.

Ik gaf dekens aan arme mensen.

20Ze waren me dankbaar,

want zo konden ze zich warm houden.

21Nooit heb ik kinderen zonder vader bedreigd,

ook al had ik daar de macht voor,

en ook al zouden de rechters me steunen.

22Als het niet waar is wat ik zeg,

dan mag iemand mijn schouders en armen breken.

23Ik ben doodsbang voor de straf van God.

God is zo machtig, hij is veel sterker dan ik.

Job was rijk, maar eerlijk tegen God

24Ik heb nooit gedacht dat geld gelukkig maakt,

ik heb nooit vertrouwd op mijn rijkdom.

25Ik was nooit trots op mijn bezit,

of op alles wat ik bereikt had.

26Ik vond de warmte van de zon heerlijk,

het licht van de maan vond ik prachtig.

27Maar ik heb de zon en de maan nooit vereerd,

ik heb nooit in het geheim voor ze geknield.

28Als ik dat wel gedaan had,

dan zou ik een zware straf verdienen.

Want dan zou het zijn alsof ik God in de hemel niet kende.

Job haatte zijn vijanden niet

29Ik was niet blij als mijn vijanden in nood waren,

ik juichte niet als een ramp hen trof.

30Nooit heb ik mijn vijanden vervloekt,

nooit heb ik gebeden dat ze zouden sterven.

Bij Job was iedereen welkom

31De mensen die in mijn huis kwamen,

zijn nooit met honger weggegaan.

Dat weten al mijn vrienden.

32Voor elke reiziger opende ik mijn deuren,

niemand hoefde buiten te slapen.

Job was altijd eerlijk

33Als ik fouten maakte, dan hield ik ze niet verborgen.

Als iets mijn schuld was, dan gaf ik dat toe.

34Ik was niet bang voor het oordeel van mensen.

Het kon me niet schelen hoe ze over mij dachten.

Ik zei wat ik wilde zeggen,

en ik durfde overal te komen.

35-40Ik heb nooit de akker van een ander afgepakt.

Ik heb nooit geoogst op het land van een ander.

Aan de mensen die op mijn land werkten, gaf ik loon.

Ik liet ze niet van de honger sterven.

Als het niet waar is wat ik zeg,

dan zullen er doorns op mijn akkers staan in plaats van koren,

dan zal er onkruid groeien in plaats van graan.

Job wil nu een antwoord van God

Ik zou willen dat er iemand echt naar me luisterde.

Alles wat ik gezegd heb, is de waarheid.

Laat de machtige God nu maar reageren,

laat hij zijn aanklacht maar opschrijven.

Ik zal die woorden aan iedereen laten zien,

ik zal ze trots met me meedragen,

zoals een koning zijn kroon draagt.

Ik kan precies aan God vertellen wat ik gedaan heb.

Ik kan trots zijn op mezelf.’

Zo eindigde de toespraak van Job.

32

Eerste toespraak van Elihu

Elihu is boos op Job en zijn vrienden

321De drie vrienden gingen niet verder met Job in discussie. Want Job bleef vinden dat hij onschuldig was.

2Maar Elihu uit Buz was er ook bij. Hij was een zoon van Barachel, die uit de familie van Ram kwam. Elihu was boos op Job, omdat Job vond dat hij zelf onschuldig was. Hij gaf God de schuld van zijn ellende.

3Elihu was ook boos op de drie vrienden van Job. Want zij zeiden dat Job schuldig was. Maar ze konden niet zeggen wat hij fout gedaan had.

4Elihu had tijdens het gesprek tussen Job en zijn vrienden niets gezegd. Hij had gezwegen, omdat hij de jongste was. 5Maar toen de vrienden niets meer wisten te zeggen, werd hij heel boos.

Elihu durft nu pas te spreken

6Elihu zei:

‘Ik ben jong, jullie zijn veel ouder.

Daarom durfde ik niets te zeggen,

ik was bang om mijn mening te geven.

7Ik dacht: Laat de ouderen eerst spreken,

zij kunnen vast wel wijze dingen zeggen.

8-9Maar oude mensen weten het niet altijd beter,

hun leeftijd maakt hen niet wijzer.

Alleen de machtige God geeft mensen wijsheid,

zijn geest maakt mensen verstandig.

10Luister daarom nu naar mij,

dan zal ik mijn mening geven.

11Toen jullie spraken, heb ik gewacht.

Ik heb vol aandacht geluisterd,

terwijl jullie steeds met nieuwe argumenten kwamen.

12Ik heb goed gehoord wat jullie zeiden.

En dit is mijn conclusie:

jullie kunnen niet bewijzen dat Job schuldig is.

Elihu kan niet zwijgen

13En zeg nu niet: ‘Wij weten wel wat wijs is,

wij weten dat alleen God antwoord kan geven aan Job.’

14Want Job heeft nog niet met mij gepraat,

ik zal heel andere dingen zeggen dan jullie!

15Jullie weten het gewoon niet meer,

jullie weten niets meer te zeggen.

16Maar daarom hoef ik toch niet te zwijgen?

17Nu is het mijn beurt om te reageren,

nu zal ik mijn mening geven.

18Ik heb zo veel te zeggen,

ik kan gewoon niet langer zwijgen.

19Ik stik bijna,

mijn woorden moeten eruit!

20Ik moet spreken, dan zal ik me beter voelen.

Ik moet zeggen wat ik ervan vind!

Elihu zal zeggen wat hij denkt

21Ik zal eerlijk tegen jullie zijn,

ik maak de dingen niet mooier dan ze zijn.

22Want dat kan ik niet, zo ben ik niet.

En als ik dat deed, zou God me direct straffen.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]