Bijbel in Gewone Taal (BGT)
27

Job weet zeker dat hij onschuldig is

271Job ging verder en zei:

2‘Zo zeker als de machtige God leeft: ik ben onschuldig.

Maar God geeft geen eerlijk oordeel over mij,

hij heeft mij erg teleurgesteld.

3Maar zolang ik nog adem,

zolang God mij nog laat leven,

4zo lang zal ik geen leugens vertellen.

Ik zal geen dingen zeggen die niet waar zijn.

5Vrienden, ik zal jullie nooit gelijk geven.

Ik blijf zeggen dat ik onschuldig ben,

zo lang als ik leef.

6Ik blijf volhouden dat ik niets verkeerds gedaan heb.

Ik weet zeker dat ik geen schuld heb.

Job wil dat God zijn vijanden straft

7Ik hoop dat mijn vijanden gestraft worden,

net zo streng als misdadigers.

8Zulke mensen hebben geen toekomst,

God kan zomaar een eind aan hun leven maken.

9Als ze in nood om hulp roepen,

zal God niet naar hen luisteren.

10Maar ik denk niet dat ze tot God zullen bidden,

ze zullen hem niet om hulp vragen.

11Ik zal jullie vertellen wat de machtige God doet,

ik zal jullie uitleggen hoe hij werkt.

12Maar eigenlijk weten jullie al wat God gedaan heeft.

Waarom zeggen jullie dan zulke onzin over mij?

Zo straft God slechte mensen

13Luister hoe de machtige God slechte mensen straft.

Zij krijgen hun verdiende loon.

14Hun kinderen worden gedood in een oorlog,

hun kleinkinderen lijden honger.

15Degenen die in leven blijven,

sterven door een ernstige ziekte.

En niemand zal huilen om hun dood.

16Misschien zijn die mensen verschrikkelijk rijk,

misschien kunnen ze dure kleren kopen.

17Maar hun rijkdom zal naar anderen gaan,

naar mensen die eerlijk zijn en trouw aan God.

18Het huis van slechte mensen is niet stevig,

het is niet sterker dan een schuurtje op het veld.

19’s Avonds zijn slechte mensen nog rijk,

maar als ze wakker worden, hebben ze niets meer.

20Plotseling gebeuren er verschrikkelijke dingen,

in één nacht zijn ze alles kwijt.

21Een storm blaast hun huis weg,

er blijft niets van over.

22Dan proberen ze te vluchten,

maar God heeft geen medelijden met hen.

23Iedereen is blij dat ze verdwijnen,

ze worden uitgescholden door de mensen uit hun stad!’

28

Een gedicht over wijsheid

Mensen zoeken schatten in de aarde

281Luister! Mensen weten precies de plek

waar ze zilver en goud kunnen vinden.

2Ze halen ijzer uit de grond,

en koper uit stukken steen.

3Ze dalen af tot diep in de aarde,

op zoek naar kostbare stenen.

Ze nemen lampen mee

om in het donker naar schatten te zoeken.

4Ze graven diepe gangen,

en laten zich aan touwen naar beneden zakken.

Daar hangen ze en doen hun werk,

ver weg van iedereen.

5Boven op de aarde groeit koren,

maar diep in de aarde brandt vuur.

6Daar is de plek waar je edelstenen vindt,

daar vind je kleine korreltjes goud.

7Roofvogels kunnen daar niet komen,

ze kennen die plek niet.

8Zelfs de sterkste dieren komen er niet,

geen leeuw is er ooit geweest.

9Alleen mensen bereiken die plaats,

zij hakken een weg door de harde rotsen.

10Ze graven gangen, diep onder de grond,

en vinden prachtige edelstenen.

11Ze maken tunnels door de bergen,

en brengen verborgen schatten naar buiten.

Wijsheid is niet te vinden

12Maar wijsheid, waar kun je wijsheid vinden?

Hoe kom je aan inzicht?

13Niemand weet waar de wijsheid is,

die is op de hele wereld niet te vinden.

14Ook al zoek je in de diepste zeeën,

je zult nergens wijsheid vinden.

15Wijsheid is niet te koop,

niet met zilver of goud te betalen.

16Wijsheid is meer waard dan het mooiste goud,

meer dan de duurste edelsteen.

17Wijsheid is kostbaarder dan diamanten,

duurder dan het zuiverste goud.

18Wijsheid is meer waard dan dure sieraden,

meer dan een zak vol parels.

19Wijsheid is kostbaarder dan goud uit Ofir,

waardevoller dan edelstenen uit Nubië.

Alleen God weet waar de wijsheid is

20Waar komt wijsheid dan vandaan?

Hoe kom je aan inzicht?

21Wijsheid is verborgen voor de mensen,

en ook voor de vogels in de lucht.

22In het land van de dood hebben ze over wijsheid gehoord,

maar ook daar weet niemand waar je moet zoeken.

23Alleen God weet waar de wijsheid is,

hij weet die te vinden.

24Want God ziet alles op aarde,

niets is voor hem verborgen.

25Hij heeft bepaald hoe hard de wind moet waaien

en hoe groot de wolken zijn.

26Hij heeft bepaald wanneer de regen moet vallen

en wanneer de donder zal klinken.

27God heeft de wijsheid gezien.

Daarom weet hij precies wat wijsheid is.

28God heeft tegen de mensen gezegd:

‘Eerbied voor de Heer, dat is wijsheid.

Geen kwaad doen, dat is inzicht.’

29

Laatste toespraak van Job

Vroeger ging het heel goed met Job

291Job ging verder en zei:

2‘Ik zou willen dat alles was zoals vroeger,

toen God mij beschermde.

3Hij was altijd bij me,

hij was voor mij als een licht in het donker.

4Ik voelde me goed, ik was jong en sterk.

God was mijn vriend, hij zorgde voor mij.

5De machtige God was dicht bij me,

en ik had mijn kinderen om me heen.

6Ik had het goed, ik was rijk.

Ieder jaar had ik een geweldige oogst.

Job werd met respect behandeld

7Ik was één van de leiders van de stad.

Als ik naar een vergadering kwam,

8gingen de jongeren beleefd opzij.

De ouderen stonden op en groetten mij.

9Als ik sprak, zwegen de andere leiders.

Ze waren stil en luisterden vol aandacht.

10Zelfs de belangrijkste mensen zwegen,

ze stopten met praten en zeiden niets meer.

11Alles wat ik zei, vonden ze geweldig.

Alles wat ik deed, vonden ze prachtig.

Job hielp altijd iedereen

12Want ik hielp arme en machteloze mensen,

ik beschermde kinderen zonder vader.

13Aan weduwen gaf ik steun,

mensen met wie het slecht ging, waren mij dankbaar.

14Ik maakte de juiste keuzes, ik was eerlijk.

Ik gaf de mensen waar ze recht op hadden.

15Aan blinden wees ik de weg,

mensen die niet konden lopen, steunde ik.

16Voor arme mensen was ik liefdevol als een vader,

bij de rechter verdedigde ik vreemdelingen.

17Mensen die geweld gebruikten, sloeg ik neer,

en ik redde hun slachtoffers.

Job was een goede leider

18Ik verwachtte dat ik heel oud zou worden,

en ik dacht dat ik in vrede zou sterven.

19Ik voelde me sterk en krachtig,

zo sterk als een boom die dicht bij het water staat.

20Iedereen had respect voor mij.

En elke dag kreeg ik nieuwe kracht.

21Iedereen wilde mijn mening horen.

Als ik iets zei, was iedereen stil.

22En als ik uitgesproken was,

dachten ze na over mijn woorden.

Niemand hoefde meer iets te zeggen.

23De mensen luisterden aandachtig naar me,

ze wilden geen woord missen.

24Ik lachte naar hen, en dat gaf hun vertrouwen.

Ik was vriendelijk, en dat gaf hun moed.

25Ik gaf de mensen leiding,

zoals een koning leiding geeft aan zijn leger.

Ik troostte iedereen die verdriet had.