Bijbel in Gewone Taal (BGT)
28

Een gedicht over wijsheid

Mensen zoeken schatten in de aarde

281Luister! Mensen weten precies de plek

waar ze zilver en goud kunnen vinden.

2Ze halen ijzer uit de grond,

en koper uit stukken steen.

3Ze dalen af tot diep in de aarde,

op zoek naar kostbare stenen.

Ze nemen lampen mee

om in het donker naar schatten te zoeken.

4Ze graven diepe gangen,

en laten zich aan touwen naar beneden zakken.

Daar hangen ze en doen hun werk,

ver weg van iedereen.

5Boven op de aarde groeit koren,

maar diep in de aarde brandt vuur.

6Daar is de plek waar je edelstenen vindt,

daar vind je kleine korreltjes goud.

7Roofvogels kunnen daar niet komen,

ze kennen die plek niet.

8Zelfs de sterkste dieren komen er niet,

geen leeuw is er ooit geweest.

9Alleen mensen bereiken die plaats,

zij hakken een weg door de harde rotsen.

10Ze graven gangen, diep onder de grond,

en vinden prachtige edelstenen.

11Ze maken tunnels door de bergen,

en brengen verborgen schatten naar buiten.

Wijsheid is niet te vinden

12Maar wijsheid, waar kun je wijsheid vinden?

Hoe kom je aan inzicht?

13Niemand weet waar de wijsheid is,

die is op de hele wereld niet te vinden.

14Ook al zoek je in de diepste zeeën,

je zult nergens wijsheid vinden.

15Wijsheid is niet te koop,

niet met zilver of goud te betalen.

16Wijsheid is meer waard dan het mooiste goud,

meer dan de duurste edelsteen.

17Wijsheid is kostbaarder dan diamanten,

duurder dan het zuiverste goud.

18Wijsheid is meer waard dan dure sieraden,

meer dan een zak vol parels.

19Wijsheid is kostbaarder dan goud uit Ofir,

waardevoller dan edelstenen uit Nubië.

Alleen God weet waar de wijsheid is

20Waar komt wijsheid dan vandaan?

Hoe kom je aan inzicht?

21Wijsheid is verborgen voor de mensen,

en ook voor de vogels in de lucht.

22In het land van de dood hebben ze over wijsheid gehoord,

maar ook daar weet niemand waar je moet zoeken.

23Alleen God weet waar de wijsheid is,

hij weet die te vinden.

24Want God ziet alles op aarde,

niets is voor hem verborgen.

25Hij heeft bepaald hoe hard de wind moet waaien

en hoe groot de wolken zijn.

26Hij heeft bepaald wanneer de regen moet vallen

en wanneer de donder zal klinken.

27God heeft de wijsheid gezien.

Daarom weet hij precies wat wijsheid is.

28God heeft tegen de mensen gezegd:

‘Eerbied voor de Heer, dat is wijsheid.

Geen kwaad doen, dat is inzicht.’

29

Laatste toespraak van Job

Vroeger ging het heel goed met Job

291Job ging verder en zei:

2‘Ik zou willen dat alles was zoals vroeger,

toen God mij beschermde.

3Hij was altijd bij me,

hij was voor mij als een licht in het donker.

4Ik voelde me goed, ik was jong en sterk.

God was mijn vriend, hij zorgde voor mij.

5De machtige God was dicht bij me,

en ik had mijn kinderen om me heen.

6Ik had het goed, ik was rijk.

Ieder jaar had ik een geweldige oogst.

Job werd met respect behandeld

7Ik was één van de leiders van de stad.

Als ik naar een vergadering kwam,

8gingen de jongeren beleefd opzij.

De ouderen stonden op en groetten mij.

9Als ik sprak, zwegen de andere leiders.

Ze waren stil en luisterden vol aandacht.

10Zelfs de belangrijkste mensen zwegen,

ze stopten met praten en zeiden niets meer.

11Alles wat ik zei, vonden ze geweldig.

Alles wat ik deed, vonden ze prachtig.

Job hielp altijd iedereen

12Want ik hielp arme en machteloze mensen,

ik beschermde kinderen zonder vader.

13Aan weduwen gaf ik steun,

mensen met wie het slecht ging, waren mij dankbaar.

14Ik maakte de juiste keuzes, ik was eerlijk.

Ik gaf de mensen waar ze recht op hadden.

15Aan blinden wees ik de weg,

mensen die niet konden lopen, steunde ik.

16Voor arme mensen was ik liefdevol als een vader,

bij de rechter verdedigde ik vreemdelingen.

17Mensen die geweld gebruikten, sloeg ik neer,

en ik redde hun slachtoffers.

Job was een goede leider

18Ik verwachtte dat ik heel oud zou worden,

en ik dacht dat ik in vrede zou sterven.

19Ik voelde me sterk en krachtig,

zo sterk als een boom die dicht bij het water staat.

20Iedereen had respect voor mij.

En elke dag kreeg ik nieuwe kracht.

21Iedereen wilde mijn mening horen.

Als ik iets zei, was iedereen stil.

22En als ik uitgesproken was,

dachten ze na over mijn woorden.

Niemand hoefde meer iets te zeggen.

23De mensen luisterden aandachtig naar me,

ze wilden geen woord missen.

24Ik lachte naar hen, en dat gaf hun vertrouwen.

Ik was vriendelijk, en dat gaf hun moed.

25Ik gaf de mensen leiding,

zoals een koning leiding geeft aan zijn leger.

Ik troostte iedereen die verdriet had.

30

Job krijgt geen respect meer

301Maar nu lachen dwaze jonge mensen mij uit!

Voor hun vaders had ik al geen respect,

die liet ik zelfs niet op mijn schapen passen.

2Ze konden me niet helpen,

want ze hadden de kracht niet om te werken.

3Die jonge mensen hebben altijd honger,

ze kunnen niets meer.

Ze zoeken overal in de woestijn naar eten,

zelfs ’s nachts als het donker is.

Maar alles wat ze vinden, is verdroogd.

4Ze plukken onkruid en bladeren,

en eten de wortels van droge struiken.

5Ze worden als dieven weggejaagd,

iedereen scheldt hen uit.

6Ze wonen tussen de rotsen,

in donkere holen en grotten.

7Ze kruipen bij elkaar onder de struiken,

als dieren schreeuwen ze om eten.

8Ze zijn dom en dwaas,

niemand heeft respect voor hen.

Ze worden overal weggejaagd.

9En die mensen spotten met mij,

ze maken grappen over mij!

10Ze hebben een hekel aan mij.

Ze blijven liever op een afstand,

en ze spugen naar me.

Jobs vijanden vallen hem aan

11God heeft mijn kracht weggenomen.

Nu ben ik zwak en hulpeloos,

mijn vijanden kunnen met mij doen wat ze willen.

12Met z’n allen vallen ze mij aan.

Ze achtervolgen me, ze willen me vernietigen.

13Ik wil vluchten, maar ze laten me niet gaan.

Ze willen me doden,

en niemand houdt ze tegen.

14Ze rennen op me af, met heel veel tegelijk.

Ze lijken op soldaten die door een muur heen breken.

15Ik ga bijna dood van angst.

Niemand heeft nog respect voor mij,

al mijn hoop is verdwenen.

16Nu heb ik bijna geen kracht meer,

het gaat elke dag slechter met me.

17’s Nachts doet mijn hele lichaam pijn,

ik krijg geen rust meer.

Job is teleurgesteld in God

18Met grote kracht pakt God mij vast,

hij grijpt me bij de keel.

19Hij gooit me op de grond,

hij behandelt me als vuil.

20God, ik roep om hulp, maar u antwoordt niet.

Ik sta hier, maar u wilt me niet zien.

21U bent veranderd, u bent hard voor mij.

Met al uw kracht keert u zich tegen mij.

22U tilt me op en gooit me weer neer,

u schudt me heen en weer in een storm.

23Ik weet het zeker: u brengt me naar het land van de dood,

naar de plaats waar iedereen naartoe gaat.

24Waarom doet u me kwaad nu ik het moeilijk heb?

En nu ik alleen nog om hulp kan roepen?

25Ik heb gehuild als anderen het zwaar hadden.

Als mensen niets meer hadden, hielp ik ze altijd.

Job is bedroefd

26Ik hoopte op geluk,

maar er kwam alleen maar ongeluk.

Ik wachtte op licht,

maar er kwam alleen maar duisternis.

27Ik ben vol onrust van binnen,

en dat wordt alleen maar erger.

28Somber en bedroefd loop ik rond.

Ik ga zelfs naar de leiders van de stad,

en ik schreeuw om hulp.

29Ik huil als een hond die geslagen wordt,

ik voel me in de steek gelaten.

30Mijn huid is vuil en kapot,

mijn lichaam is ziek door de koorts.

31Vroeger zong ik en maakte ik muziek,

nu klaag ik en huil ik van verdriet.