Bijbel in Gewone Taal (BGT)
4

Jezus en de Samaritaanse vrouw

Jezus reist door Samaria

41-3De farizeeën hoorden dat Jezus steeds meer volgelingen kreeg, en meer mensen doopte dan Johannes. (Jezus doopte trouwens niet zelf, dat deden zijn leerlingen.)

Toen Jezus ontdekte dat de farizeeën dat gehoord hadden, ging hij weg uit Judea, terug naar Galilea.

4Hij moest door Samaria reizen, 5en kwam bij de stad Sichar. Die stad lag dicht bij het stuk land dat Jakob ooit aan zijn zoon Jozef gegeven had. 6Bij Sichar was de Jakobsput. Jezus ging bij die put zitten, want hij was moe van de reis. Het was ongeveer twaalf uur ’s middags.

Jezus vraagt een vrouw om water

7Toen kwam er een Samaritaanse vrouw aan. Ze kwam water halen uit de put. Jezus zei tegen haar: ‘Geef me alsjeblieft iets te drinken.’ 8De leerlingen van Jezus waren op dat moment in Sichar om eten te kopen.

9De vrouw zei tegen hem: ‘Dat kunt u mij toch niet vragen! Want u bent een Jood en ik ben een Samaritaanse vrouw.’ Joden mogen namelijk niet omgaan met Samaritanen.

10Jezus zei tegen haar: ‘Ik heb jou om water gevraagd. Maar jij weet niet wie ik ben. Je weet niet wat God aan de mensen wil geven. Want als je dat wel geweten had, dan had je mij om water gevraagd! En dan had ik je water gegeven dat eeuwig leven geeft.’

11De vrouw zei: ‘Maar meneer, u hebt geen emmer, en de put is diep! Waar wilt u dat water vandaan halen? 12Kunt u soms meer dan onze voorvader Jakob? Jakob heeft ons deze put gegeven. Hij heeft er zelf water uit gedronken. En ook zijn zonen en zijn dieren hebben uit deze put gedronken.’

Het water dat eeuwig leven geeft

13Jezus zei: ‘Iedereen die water uit deze put drinkt, zal weer dorst krijgen. 14Maar als je drinkt van het water dat ik geef, krijg je nooit meer dorst. Want het water dat ik geef, blijft altijd in je. Het geeft je het eeuwige leven.’

15De vrouw zei: ‘Meneer, geef mij dat water! Dan zal ik nooit meer dorst krijgen. En dan hoef ik nooit meer naar de put om water te halen!’

16Jezus zei tegen haar: ‘Ga eerst je man halen, en kom dan terug.’ 17De vrouw zei tegen Jezus: ‘Ik heb geen man.’ Jezus zei: ‘Precies. 18Je hebt vijf mannen gehad. En nu leef je samen met iemand die jouw man niet is. Dus wat je zegt, is waar.’

Jezus vertelt hoe je God moet vereren

19De vrouw zei: ‘Nu begrijp ik dat u een profeet bent! Daarom wil ik u iets vragen. 20Onze voorouders vereerden God op de berg Gerizim. Maar de Joden zeggen dat je God alleen in de tempel van Jeruzalem mag vereren. Wie heeft er gelijk?’

21-22Jezus zei tegen haar: ‘De Samaritanen vereren God zonder hem te kennen. De Joden vereren God en kennen hem. Want de redder van de wereld komt uit het Joodse volk.

Geloof me, er komt een nieuwe tijd. Dan wordt God niet meer vereerd op de berg Gerizim of in de tempel van Jeruzalem. 23In die tijd, die nu al begonnen is, vereren de ware gelovigen God niet meer op één speciale plaats. Want dankzij de heilige Geest kennen zij God, de Vader, echt. Daardoor kunnen zij de Vader vereren op een nieuwe manier, zoals hij het wil.

24God hoort bij de hemelse wereld. Alleen door de heilige Geest kun je God echt leren kennen. En alleen dan kun je hem op de juiste manier vereren.’

25De vrouw zei: ‘Ik weet dat de messias, die Christus genoemd wordt, zal komen. Hij zal ons alles over God vertellen.’ 26Jezus zei tegen haar: ‘De messias spreekt met je. Ik ben het.’

De vrouw gaat terug naar de stad

27Op dat moment kwamen de leerlingen terug. Ze waren verbaasd dat Jezus met een vrouw aan het praten was. Maar toch vroegen ze niet: ‘Waarom praat u met haar? Wat wilt u?’

28De vrouw liet haar waterkruik staan, en ging terug naar de stad. Daar zei ze tegen de mensen: 29‘Kom mee! Er is iemand die alles van mij weet. Dat moet de messias zijn!’ 30De mensen liepen de stad uit en gingen naar Jezus toe.

De tijd van de oogst is gekomen

31Intussen zeiden de leerlingen tegen Jezus: ‘Meester, eet toch iets.’ 32Maar Jezus zei: ‘Ik leef van iets dat jullie niet kennen.’ 33De leerlingen zeiden tegen elkaar: ‘Hoe kan dat? Heeft iemand hem soms eten gebracht?’ 34Maar Jezus zei: ‘Ik leef van gehoorzaamheid aan God. Ik werk namens hem, en dat werk zal ik afmaken.

35De mensen zeggen: ‘Na het zaaien moet je vier maanden wachten tot je kunt oogsten.’ Maar luister naar mijn woorden: Kijk om je heen, de velden zijn al klaar voor de oogst. 36-38De mannen die maaien, krijgen hun loon al. Ze vieren feest, samen met de mannen die gezaaid hebben. Want het spreekwoord is: ‘De één zaait, de ander maait.’’

Jezus zei verder tegen zijn leerlingen: ‘Jullie hoeven in Samaria niet te zaaien, dat hebben anderen al gedaan. Maar ik stuur jullie nu wel om de oogst binnen te halen. En dit is de oogst: alle mensen die in mij geloven. Zij krijgen het eeuwige leven.’

Veel Samaritanen gaan in Jezus geloven

39Veel Samaritanen uit Sichar gingen in Jezus geloven. Dat was omdat de vrouw over Jezus gezegd had: ‘Hij weet alles van mij!’ 40Ze gingen naar Jezus toe, en ze vroegen hem om bij hen te blijven.

Toen bleef Jezus nog twee dagen bij hen. 41En door alles wat hij vertelde, gingen nog veel meer mensen uit de stad geloven. 42Ze zeiden tegen de vrouw: ‘Eerst geloofden we in Jezus door wat jij ons vertelde. Maar nu hebben we hem zelf gehoord. En nu weten we zeker dat Jezus de redder van de wereld is.’

Jezus in Galilea

Jezus wordt hartelijk ontvangen

43Na twee dagen ging Jezus verder, hij ging naar Galilea. 44Hij had zelf ooit gezegd dat een profeet in zijn eigen land niet met respect behandeld wordt. 45Maar toen hij in Galilea kwam, werd hij hartelijk ontvangen. Want de inwoners van Galilea hadden gezien wat Jezus op het Paasfeest in Jeruzalem gedaan had. Ze waren daar zelf bij geweest.

Jezus maakt een jongen beter

46In Galilea ging Jezus weer naar Kana. Dat was de plaats waar hij van water wijn gemaakt had.

Er was daar een man uit Kafarnaüm die in dienst was van de koning. Zijn zoon was erg ziek. 47De man hoorde dat Jezus uit Judea naar Galilea gekomen was. Hij ging naar hem toe en zei: ‘Ga alstublieft mee naar Kafarnaüm om mijn zoon beter te maken. Anders zal hij sterven!’

48Maar Jezus zei: ‘Wat is dat toch met jullie? Jullie geloven alleen als je wonderen ziet!’ 49De man zei: ‘Heer, ga toch mee, voordat mijn zoon sterft!’ 50Jezus zei tegen hem: ‘Ga naar huis, je zoon leeft!’ De man geloofde wat Jezus zei, en ging naar huis.

51Onderweg kwamen zijn dienaren hem tegemoet. Ze zeiden: ‘Uw zoon leeft!’ 52De man vroeg: ‘Op welk moment is hij beter geworden?’ Ze zeiden: ‘Gistermiddag om één uur. Toen was de koorts opeens weg.’ 53Dat was precies het moment waarop Jezus tegen de man gezegd had: ‘Je zoon leeft!’ De man begreep wat er gebeurd was en ging in Jezus geloven, samen met zijn familie en zijn dienaren.

54Dat was het tweede wonder dat Jezus in Galilea deed. Het gebeurde nadat hij uit Judea teruggekomen was.

5

Jezus en de Joodse leiders

Jezus maakt een man beter

51Kort daarna ging Jezus weer naar Jeruzalem omdat er een Joods feest was. 2Bij de Schaapspoort van Jeruzalem was een badhuis met vijf overdekte gangen. Het badhuis heette in het Hebreeuws Betzata.

3De gangen van het badhuis waren vol met zieke mensen. Er waren blinde mensen, mensen die niet konden lopen, en mensen met vergroeide armen of benen. [Alle zieken lagen te wachten tot het water bewoog. 4Want af en toe kwam er een engel van God die het water liet bewegen. Degene die dan als eerste het water in ging, werd beter.]

5Er was daar ook een man die al 38 jaar ziek was. 6Jezus zag hem liggen, en wist dat hij al heel lang ziek was. Jezus vroeg aan hem: ‘Wil je beter worden?’ 7De man antwoordde: ‘Heer, ik heb geen enkele kans, want er is niemand die mij helpt. Als het water gaat bewegen, is er niemand om mij erheen te dragen. Daarom kom ik altijd te laat. Dan is er al een ander in het water, en die wordt dan genezen.’

8Jezus zei tegen de man: ‘Sta op, pak je draagbed op, en loop!’ 9Meteen was de man beter. Hij pakte zijn draagbed op, en hij liep.

De leiders hebben kritiek op Jezus

Het was die dag sabbat. 10De Joodse leiders zeiden tegen de man die beter geworden was: ‘Het is vandaag sabbat, dan mag je geen bed dragen!’ 11Maar hij zei: ‘De man die mij beter maakte, zei: ‘Pak je draagbed op, en loop.’’ 12Ze vroegen hem: ‘Wie was dat?’ 13Dat wist de man niet. Want Jezus was al meteen in de drukte verdwenen.

14Later zag Jezus de man in de tempel. Hij zei tegen hem: ‘Je bent beter geworden. Doe nu geen verkeerde dingen meer. Anders loopt het slecht met je af.’

15De man ging weg. Hij vertelde aan de Joodse leiders dat Jezus hem beter gemaakt had. 16Toen wilden de Joodse leiders Jezus aanklagen, omdat hij op sabbat iemand beter gemaakt had. 17Maar Jezus zei tegen hen: ‘Mijn Vader werkt altijd, en ik doe dat ook.’

18Vanaf dat moment wilden de Joodse leiders Jezus doden. Want hij had niet alleen iemand beter gemaakt op sabbat, maar ook noemde hij God zijn eigen Vader. En daarmee maakte hij zichzelf gelijk aan God.

Jezus doet hetzelfde als zijn Vader

19-20Toen zei Jezus: ‘Luister heel goed naar mijn woorden: De Vader houdt van zijn Zoon, hij laat zijn Zoon alles zien wat hij doet. Uit zichzelf kan de Zoon niets doen. Maar hij ziet wat de Vader doet, en hij doet dan precies hetzelfde. Hij zal nog grotere wonderen doen dan hij tot nu toe gedaan heeft. Jullie zullen verbaasd zijn!

21Want de Vader laat mensen opstaan uit de dood en hij maakt hen weer levend. En net zo maakt de Zoon mensen weer levend als hij dat wil.

22De Vader zal niet zelf rechtspreken over de mensen, maar hij laat de Zoon rechtspreken. 23Dan zullen alle mensen de Zoon eren, net zoals ze de Vader eren. Als je de Zoon niet eert, eer je ook de Vader niet. Want de Zoon is gestuurd door de Vader.’

Jezus kan eeuwig leven geven

24Jezus zei verder: ‘Luister heel goed naar mijn woorden: Iemand die mijn boodschap aanneemt en gelooft dat God mij gestuurd heeft, die krijgt het eeuwige leven. Hij zal niet veroordeeld worden. Hij is niet meer in de macht van de dood, maar hij zal voor altijd leven.

25Luister heel goed naar mijn woorden: Er komt een nieuwe tijd, en die is nu al begonnen. Mensen die in de macht van de dood zijn, horen de stem van Gods Zoon. En als ze naar hem luisteren, zullen ze voor altijd leven.

26Want net zoals de Vader leven geeft, zo kan ook de Zoon leven geven. Die macht heeft de Vader aan zijn Zoon gegeven. 27De Zoon is rechter over alle mensen. Hij beslist over dood en leven. Want hij is de Mensenzoon.

28Wees niet verbaasd over wat ik zeg: Er komt een moment dat alle doden de stem van de Mensenzoon horen. 29Dan zullen ze uit hun graf tevoorschijn komen. De mensen die goed geleefd hebben, zullen opstaan en eeuwig leven. Maar de mensen die slecht geleefd hebben, zullen opstaan en veroordeeld worden.

30Uit mijzelf heb ik geen macht. Het oordeel dat ik geef, is het oordeel van de Vader. Ik spreek eerlijk recht. Want ik volg niet mijn eigen wil, maar de wil van de Vader die mij gestuurd heeft.’

Jezus is door God gestuurd

31Jezus zei: ‘Ik zeg dat de Vader mij gestuurd heeft. Als ik dat alleen zelf zou zeggen, zou het nog geen bewijs zijn. 32Maar er is nog iemand anders die dat over mij zegt. En ik weet dat hij de waarheid spreekt.

33Een tijd geleden stuurden jullie een paar mensen naar Johannes de Doper. Johannes heeft hun over mij verteld, en wat hij vertelde, is waar. 34Voor mijzelf is dat geen belangrijk bewijs. Maar ik noem het, omdat ik hoop dat jullie het geloven. Want dan zullen jullie gered worden. 35Johannes sprak helder en duidelijk over de redder die komen zou. En een hele tijd luisterden jullie graag naar zijn woorden.

36Maar ik heb een bewijs dat belangrijker is dan de woorden van Johannes: mijn werk op aarde. Want de Vader heeft mij gestuurd om dat werk te doen en helemaal af te maken. Mijn werk laat zien dat de Vader mij gestuurd heeft.

37En de Vader zelf heeft gezegd wie ik ben. Maar jullie hebben zijn stem nog nooit gehoord, en jullie hebben hem nog nooit gezien. 38En jullie dragen zijn woorden niet in je hart. Anders zouden jullie wel in mij geloven, want ik ben door hem gestuurd.

39Jullie lezen veel in de heilige boeken, om het eeuwige leven te vinden. Maar de heilige boeken vertellen juist over mij! 40Toch willen jullie niet bij mij komen om het eeuwige leven te krijgen.

Waarschuwing tegen ongeloof

41-43Dat jullie mij niet eren, vind ik niet erg. Maar het is wel erg dat jullie geen liefde voor God hebben. Want ik ben gekomen namens mijn Vader, maar jullie willen niet naar mij luisteren. Jullie luisteren alleen naar mensen die hun eigen boodschap vertellen.

44Het gaat jullie niet om de eer van God. Jullie vinden alleen de eer van mensen belangrijk. Hoe kunnen jullie dan ooit echt gaan geloven?

45Denk niet dat ik jullie zal aanklagen bij de Vader. Dat zal Mozes doen. En jullie dachten juist dat die jullie zou redden! 46Als jullie Mozes zouden geloven, dan zouden jullie ook mij geloven. Want Mozes heeft over mij geschreven. 47Maar als jullie niet geloven wat Mozes geschreven heeft, dan geloven jullie ook niet wat ik zeg!’

6

Het wonder van het brood

Veel mensen gaan Jezus achterna

61Daarna ging Jezus naar de overkant van het Meer van Galilea, dat ook wel het Meer van Tiberias genoemd wordt. 2Een grote groep mensen ging Jezus achterna. Want ze hadden gezien dat hij met zijn wonderen zieke mensen beter maakte.

3Toen ging Jezus een berg op. Daar ging hij zitten met zijn leerlingen. 4Het was vlak voor het Joodse Paasfeest.

5Jezus keek om zich heen. Toen hij zag dat er een grote groep mensen aan kwam, vroeg hij aan Filippus: ‘Waar kunnen we eten kopen voor al deze mensen?’ 6Jezus vroeg dat omdat hij wilde zien hoe Filippus zou reageren. Hij wist zelf al wat hij zou gaan doen.

7Filippus zei tegen Jezus: ‘Dat kan echt niet! We hebben veel te weinig geld om voor al deze mensen eten te kopen!’ 8Er kwam een andere leerling bij. Het was Andreas, de broer van Simon Petrus. Andreas zei: 9‘Er is hier een jongen met vijf broden en twee vissen. Maar daar hebben we niets aan voor zo veel mensen.’

Jezus geeft iedereen te eten

10Jezus zei tegen de leerlingen: ‘Laat alle mensen gaan zitten.’ Er was veel gras op die plaats. Iedereen ging zitten, het waren meer dan vijfduizend mensen.

11Jezus pakte het brood dat de jongen bij zich had, en dankte God voor het voedsel. Daarna begon hij het brood uit te delen. Met de vis deed hij hetzelfde. En de mensen konden zo veel eten als ze wilden.

12Toen iedereen genoeg gegeten had, zei Jezus tegen zijn leerlingen: ‘Haal het eten op dat over is. Er mag niets achterblijven.’ 13De leerlingen haalden alles op wat over was van de vijf broden. Het waren twaalf manden vol met brood.

14De mensen zagen dat Jezus een wonder gedaan had, en ze zeiden: ‘Ja, hij is de profeet die naar de wereld zou komen!’ 15Ze wilden hem meenemen om hem koning te maken. Jezus wist dat, en daarom liep hij weg. Hij ging de berg weer op, alleen.

Jezus loopt over het water

16-17Toen het avond werd, was Jezus nog niet terug. De leerlingen gingen naar het meer. Daar stapten ze in een boot om over te steken naar Kafarnaüm. Het was al donker geworden.

18Het begon hard te waaien, er kwamen hoge golven op het meer. 19Toen ze ongeveer 5 kilometer geroeid hadden, zagen ze opeens Jezus over het water lopen. Hij was vlak bij de boot. De leerlingen werden bang, 20maar Jezus zei tegen hen: ‘Ik ben het, wees niet bang!’

21De leerlingen wilden hem aan boord halen. Maar ze waren al aan land, precies op de plaats waar ze naartoe wilden.

De mensen zoeken Jezus

22-24De volgende dag waren de mensen nog aan de andere kant van het meer. Dat was op de plaats waar ze gegeten hadden, nadat Jezus God gedankt had voor het voedsel. Ze dachten dat Jezus daar nog steeds was. Want ze hadden gezien dat er maar één boot was, en dat Jezus niet in die boot gegaan was. De leerlingen waren zonder hem vertrokken.

Toen de mensen merkten dat Jezus daar toch niet meer was, gingen ze weg. Ze stapten in boten die net uit Tiberias aangekomen waren. En ze staken het meer over om Jezus te gaan zoeken in Kafarnaüm.

Brood dat eeuwig leven geeft

Jezus vertelt over het hemelse brood

25Toen de mensen aan de overkant van het meer gekomen waren, vonden ze Jezus. Ze vroegen: ‘Meester, wanneer bent u hier gekomen?’

26Jezus antwoordde: ‘Luister heel goed naar mijn woorden: Jullie zoeken mij alleen omdat jullie zo veel te eten gekregen hebben, niet omdat jullie begrijpen wat ik doe.

27Luister! Gewoon brood verdwijnt als je het opeet. Maar het hemelse brood geeft eeuwig leven. Doe je uiterste best om dat brood te krijgen. De Mensenzoon kan het je geven. Want God, de Vader, heeft hem die macht gegeven.’

Jezus is het hemelse brood

28De mensen vroegen: ‘Wat moeten we doen? Wat vraagt God van ons?’ 29Jezus zei tegen hen: ‘God vraagt maar één ding, namelijk dat jullie in mij geloven. Want God heeft mij gestuurd.’

30De mensen zeiden: ‘Kunt u dat met een teken bewijzen? Dan zullen we in u geloven. 31Mozes gaf ook een teken, hij gaf onze voorouders in de woestijn manna te eten. In de heilige boeken staat: «Hij gaf het volk brood uit de hemel te eten.»’

32Maar Jezus zei tegen hen: ‘Het was niet Mozes, maar mijn Vader die dat brood gaf. Luister heel goed naar mijn woorden: Mijn Vader geeft jullie het ware hemelse brood. 33Het brood dat God geeft, komt uit de hemel en geeft eeuwig leven aan de mensen.’

34De mensen zeiden: ‘Heer, geef ons elke dag dat brood!’ 35Jezus zei: ‘Ik ben het brood dat eeuwig leven geeft. Als je bij mij komt, zul je nooit meer honger hebben. Als je in mij gelooft, zul je nooit meer dorst hebben. 36Maar ik heb al eerder gezegd: Jullie zien wel wat ik doe, maar toch geloven jullie niet in mij.’

Jezus vertelt over zijn opdracht

37Jezus zei verder: ‘De Vader brengt de mensen die bij mij horen, naar mij toe. Ze komen bij mij, en ik zal hen niet wegsturen. 38Ik ben uit de hemel gekomen, God heeft mij gestuurd. Ik ben dus niet gekomen om te doen wat ik zelf wil, maar om te doen wat God wil.

39God wil dat alle mensen die bij mij horen, gered worden. Als het einde van de wereld komt, zullen ze opstaan uit de dood. 40Dat is wat mijn Vader wil. Alle mensen die de Zoon zien en in hem geloven, krijgen het eeuwige leven. En als het einde van de wereld komt, laat ik hen opstaan uit de dood.’

Jezus komt bij de Vader vandaan

41De Joden begonnen te protesteren, omdat Jezus over zichzelf zei: ‘Ik ben het brood dat uit de hemel gekomen is.’ 42Ze zeiden tegen elkaar: ‘Hij is toch Jezus, de zoon van Jozef? We weten precies wie zijn vader en moeder zijn. Hoe kan hij dan beweren dat hij uit de hemel gekomen is?’

43Jezus zei tegen hen: ‘Houd op met protesteren! 44De Vader heeft mij gestuurd. Alleen de mensen die hij naar mij toe brengt, kunnen bij mij komen. Als het einde van de wereld komt, zal ik hen laten opstaan uit de dood.

45Dit staat in de heilige boeken: «God zal hun allemaal leren hoe ze moeten leven.» Iedereen die dat van de Vader wil leren, komt bij mij. 46Want niemand heeft ooit de Vader gezien, behalve de Zoon. Hij komt bij God vandaan.’

Het brood dat eeuwig leven geeft

47Jezus zei verder: ‘Luister heel goed naar mijn woorden: Wie in mij gelooft, krijgt het eeuwige leven.

48Ik ben het brood dat eeuwig leven geeft. 49Jullie voorouders aten in de woestijn manna, brood dat uit de hemel kwam. Toch zijn ze allemaal gestorven. 50Maar het ware hemelse brood is anders: wie daarvan eet, zal niet sterven. 51Ik ben het hemelse brood dat leven geeft. Iedereen die van dat brood eet, zal eeuwig leven!

Het brood dat ik zal uitdelen, is mijn eigen lichaam. Ik zal sterven om de mensen het leven te geven.’

De dood van Jezus brengt redding

52De Joden begonnen een felle discussie met elkaar. Ze riepen: ‘Hoe kan hij nu zijn lichaam aan ons te eten geven!’

53Toen zei Jezus tegen hen: ‘Luister heel goed naar mijn woorden: Jullie moeten mijn lichaam eten en mijn bloed drinken. Anders kunnen jullie het eeuwige leven niet krijgen. 54Wie mijn lichaam eet en mijn bloed drinkt, die krijgt het eeuwige leven. Als het einde van de wereld komt, zal ik hem laten opstaan uit de dood.

55Mijn lichaam en mijn bloed geven het eeuwige leven. 56Mijn dood brengt redding. Als je dat gelooft, dan is het alsof je mijn lichaam eet en mijn bloed drinkt. Dan ben ik in je, en dan hoor je voor altijd bij mij. 57Ik leef dankzij de Vader, de levende God, die mij gestuurd heeft. En iedereen die bij mij hoort, leeft dankzij mij.

58Ik ben het ware hemelse brood. Jullie voorouders aten manna, brood uit de hemel, maar zij zijn toch gestorven. Maar wie het ware hemelse brood eet, zal eeuwig leven.’

59Jezus zei al die dingen in de synagoge in Kafarnaüm. Daar gaf hij de mensen uitleg over God.

Veel mensen geloven niet in Jezus

60Veel volgelingen van Jezus die dat hoorden, zeiden: ‘Dit gaat te ver! Hier kunnen we niet naar luisteren!’ 61Jezus wist dat ze protesteerden, en hij zei tegen hen: ‘Jullie ergeren je aan mijn woorden. 62Maar stel dat jullie de Mensenzoon omhoog zien gaan naar de plaats waar hij vandaan gekomen is. Zullen jullie mij dan geloven?

63Het aardse bestaan kan jullie niet redden. Alleen de heilige Geest geeft het eeuwige leven. Als je mijn woorden gelooft, zul je de heilige Geest krijgen, en zul je leven. 64Maar sommigen van jullie geloven mijn woorden niet.’ Jezus wist namelijk vanaf het begin wie er niet in hem zouden geloven. En hij wist ook wie hem zou uitleveren aan zijn vijanden.

65Toen zei Jezus: ‘Ik heb jullie al gezegd: De Vader brengt de mensen die bij mij horen, naar mij toe. Alleen zij kunnen bij mij komen.’

De twaalf leerlingen gaan niet weg

66Toen liepen veel volgelingen van Jezus weg. Ze gingen niet langer met hem mee. 67En Jezus vroeg aan de twaalf leerlingen: ‘Willen jullie soms ook weggaan?’

68Simon Petrus antwoordde: ‘Heer, naar wie zouden wij toe moeten gaan? U spreekt woorden die eeuwig leven geven! 69Wij geloven in u. Wij weten dat u door God zelf gestuurd bent.’

70Jezus zei tegen de twaalf leerlingen: ‘Ik heb jullie alle twaalf zelf uitgekozen. Maar toch is één van jullie een duivel.’ 71Hij zei dat over Judas, de zoon van Simon Iskariot, één van de twaalf leerlingen. Want Judas was de man die hem zou uitleveren aan zijn vijanden.