Bijbel in Gewone Taal (BGT)

Jezus spreekt met Nikodemus

Nikodemus komt naar Jezus toe

31Er was een farizeeër die Nikodemus heette. Hij was één van de Joodse leiders. 2Midden in de nacht kwam hij naar Jezus toe en zei: ‘Meester, wij weten dat God u gestuurd heeft om onze leraar te zijn. Want we zien dat God u helpt om al die wonderen te doen.’

3Jezus zei tegen Nikodemus: ‘Luister heel goed naar mijn woorden: Je kunt alleen bij Gods nieuwe wereld horen als je op een nieuwe manier geboren wordt.’

4Toen zei Nikodemus: ‘Iemand die al oud is, kan toch niet opnieuw geboren worden? Hij kan toch niet teruggaan in de buik van zijn moeder en nog een keer geboren worden?’

5Jezus zei tegen hem: ‘Luister heel goed naar mijn woorden: Je kunt Gods nieuwe wereld alleen binnengaan als je op een nieuwe manier geboren wordt. En dat gebeurt als je gedoopt wordt met de heilige Geest.’

Jezus vertelt over de hemelse wereld

6Jezus zei: ‘Wie op een gewone, menselijke manier geboren wordt, zal een keer sterven. Maar wie geboren wordt door de Geest, zal eeuwig leven. 7Wees dus niet verbaasd als ik zeg: Jullie moeten op een nieuwe manier geboren worden.

8Denk aan de wind: Die waait waarheen hij wil. Je hoort hem, maar je weet niet waar hij vandaan komt en waar hij naartoe gaat. Zo is het ook met de Geest: Je weet niet waar hij vandaan komt en hoe hij werkt. Want hij hoort bij de hemelse wereld. En iedereen die door de Geest geboren wordt, hoort ook bij de hemelse wereld.’

9Nikodemus vroeg: ‘Maar hoe kan dat?’ 10Jezus zei: ‘Begrijp je dat niet? Jij bent toch een leraar van het volk van Israël? 11Luister heel goed naar mijn woorden: Ik vertel jullie over de hemelse wereld, die ik ken en zelf gezien heb. Maar jullie geloven mij niet. 12Jullie geloven me niet eens als ik vertel over de aardse wereld. Dan zullen jullie me zeker niet geloven als ik vertel over de hemelse wereld!’

13Nog nooit is er iemand van de aarde omhooggegaan naar de hemel. Alleen de Mensenzoon, die eerst vanuit de hemel naar de aarde kwam.

Jezus komt om de mensen te redden

14Mozes zette in de woestijn een koperen slang hoog op een paal. Net zo moet de Mensenzoon een hoge plaats krijgen, eerst aan het kruis en daarna in de hemel. 15En daardoor krijgt iedereen die in hem gelooft, het eeuwige leven. 16Want Gods liefde voor de mensen was zo groot, dat hij zijn enige Zoon gegeven heeft. Iedereen die in hem gelooft, zal niet sterven, maar voor altijd leven.

17God heeft zijn Zoon naar de wereld gestuurd om de mensen te redden. Niet om hen te veroordelen. 18Want wie in de Zoon gelooft, zal niet veroordeeld worden. Maar de mensen die niet in hem willen geloven, die zijn al veroordeeld. Zij zullen gestraft worden, omdat ze niet willen geloven in de enige Zoon van God.

19Zo zijn die mensen veroordeeld: de Zoon kwam naar de wereld als het ware licht voor alle mensen, maar de mensen kozen voor het donker. Dat zie je aan hun slechte daden.

20Iemand die slecht leeft, heeft een hekel aan het licht. Hij vlucht weg van het licht, want hij wil zijn slechte daden verborgen houden. 21Maar iemand die goed leeft en trouw is, zoekt het licht juist op. Dan wordt duidelijk dat hij dicht bij God leeft.

Uitleg over Jezus

Johannes spreekt over Jezus

22Daarna ging Jezus met zijn leerlingen naar een plaats in Judea. Ze bleven daar een tijd, en Jezus doopte er mensen. 23Ook Johannes doopte in dat gebied, in de plaats Enon, dicht bij Salim. Want er was in dat gebied veel water. Er kwamen daar veel mensen om zich te laten dopen. 24Het was voordat Johannes gevangen werd genomen.

25De leerlingen van Johannes kregen een discussie met één van de Joden. Het ging over de vraag hoe iemand rein wordt door water. 26Daarna gingen de leerlingen naar Johannes en zeiden: ‘Meester, weet u nog dat we aan de overkant van de Jordaan waren? Toen was er een man bij u, en u zei over hem: ‘Dat is de Zoon van God.’ Die man is nu hier om mensen te dopen. Iedereen gaat naar hem toe!’

27Johannes zei: ‘Ieder mens krijgt wat God hem wil geven. 28Jullie waren erbij toen ik zei: ‘Ik ben niet de messias, maar ik ben gestuurd om voor hem uit te gaan.’

29Luister, wie heeft op een bruiloft de bruid in zijn armen? Dat is de bruidegom. En wie is er blij? De vriend van de bruidegom. Want de vriend is blij als hij de stem van de bruidegom hoort. En ik ben net zo blij als die vriend, omdat Jezus veel volgelingen krijgt. 30Jezus moet steeds belangrijker worden. En ik moet juist minder belangrijk worden.’

Jezus heeft de macht van God

31Iemand die ontstaan is uit de aarde, hoort bij de aarde, en spreekt over aardse zaken. Maar Jezus Christus is van boven gekomen, uit de hemel. Hij is belangrijker dan iedereen. 32Hij komt vertellen wat hij in de hemel gezien en gehoord heeft. Maar niemand wil hem geloven.

33-34Jezus is door God gestuurd. Hij spreekt Gods woorden, want Gods Geest is in hem. Iemand die de hemelse boodschap van Jezus gelooft, zegt dus eigenlijk: ‘Wat God zegt, is waar.’

35De Vader houdt van de Zoon. Hij heeft hem alle macht gegeven. 36Mensen die geloven in de Zoon, krijgen het eeuwige leven. Maar mensen die niet in hem willen geloven, krijgen dat eeuwige leven niet. Nee, zij worden voor altijd door God gestraft.