Bijbel in Gewone Taal (BGT)
16

Jezus vertelt wat er zal gebeuren

161Jezus zei tegen zijn leerlingen: ‘Ik vertel jullie deze dingen nu, zodat jullie straks je geloof niet verliezen. 2Want jullie zullen het moeilijk krijgen. Mensen zullen jullie verbieden om in de synagoge te komen. En ze zullen zelfs proberen om jullie te doden. Ze denken dat ze God daarmee dienen. 3Dat komt doordat ze de Vader en mij niet kennen.

4Ik vertel jullie deze dingen nu al. Binnenkort zal het allemaal gaan gebeuren. Dan zullen jullie aan mijn woorden terugdenken.

De heilige Geest maakt alles duidelijk

Ik heb jullie die dingen niet eerder verteld, want ik was steeds bij jullie. 5Maar nu ga ik terug naar degene die mij gestuurd heeft. En niemand van jullie vraagt: ‘Waar gaat u heen?’ 6Jullie zijn alleen maar diep bedroefd over wat ik gezegd heb.

7Luister, dit is de waarheid: het is alleen maar goed voor jullie dat ik wegga. Want anders kan jullie helper, de heilige Geest, niet komen. Ik zal hem naar jullie toe sturen als ik bij God ben.

8-11De helper komt om alles duidelijk te maken. Hij maakt duidelijk wat zonde is: dat mensen niet in mij willen geloven. Hij maakt duidelijk wat Gods goedheid is: dat ik naar de Vader ga. (Daarom zullen jullie mij dus niet meer zien.) En hij maakt duidelijk wat het oordeel is: dat Satan, de heerser van deze wereld, gestraft wordt.

De heilige Geest brengt de waarheid

12Ik heb jullie nog veel te zeggen, maar jullie kunnen het nu nog niet begrijpen. 13Als de heilige Geest komt, zal hij aan jullie de waarheid bekendmaken. Hij zal jullie helpen om de waarheid helemaal te begrijpen. Hij zal niet namens zichzelf spreken, maar hij zal zeggen wat hij van mij hoort. Hij zal jullie vertellen wat er zal gebeuren aan het einde van de tijd.

14Zo zal de heilige Geest mij de hoogste eer geven. Want de waarheid die hij bekendmaakt, komt van mij. 15Alles wat van de Vader is, is ook van mij. Daarom zeg ik: De waarheid die hij bekendmaakt, komt van mij.’

Jezus zal weggaan en terugkomen

16Jezus zei tegen zijn leerlingen: ‘Over een korte tijd zien jullie mij niet meer. En dan, na weer een korte tijd, zullen jullie mij terugzien.’

17-18Een paar leerlingen zeiden tegen elkaar: ‘Wat zou hij daarmee bedoelen? Hij heeft toch ook gezegd dat hij naar de Vader gaat? Wat bedoelt hij dan met ‘een korte tijd’? We begrijpen er niets van.’

19Jezus wist dat de leerlingen hem die dingen wilden vragen. Hij zei: ‘Jullie praten met elkaar over mijn woorden: ‘Over een korte tijd zien jullie mij niet meer. En dan, na weer een korte tijd, zullen jullie mij terugzien.’ Jullie willen weten wat dat betekent. 20Luister heel goed naar mijn woorden: Ik zal sterven. Jullie zullen verdriet hebben en huilen, terwijl de mensen van deze wereld blij zijn. Jullie zullen diep bedroefd zijn, maar jullie verdriet zal veranderen in vreugde.

Er komt een tijd van vreugde

21Een vrouw die een kind krijgt, heeft het moeilijk. Als het kind geboren wordt, heeft ze veel pijn. Maar als het kind er eenmaal is, denkt ze niet meer aan de pijn. Dan is ze blij omdat haar kind geboren is.

22Zo is het ook met jullie. Nu hebben jullie het moeilijk. Maar straks zullen jullie mij terugzien. Dan zullen jullie vol vreugde zijn, en niemand kan die blijdschap dan nog van jullie afnemen. 23Dan stellen jullie mij geen vragen meer, omdat jullie alles begrijpen.

Luister heel goed naar mijn woorden: De Vader zal jullie alles geven wat jullie hem vragen. Want jullie horen bij mij. 24Vanaf nu moeten jullie dus tot de Vader bidden als mensen die bij mij horen. Dan zullen jullie alles krijgen waar je om vraagt. En dan zal jullie vreugde volmaakt zijn.

Jezus zal spreken in duidelijke taal

25Nu spreek ik nog op een manier die jullie niet begrijpen. Maar er komt een tijd dat ik dat niet meer doe. Dan zal ik jullie over de Vader vertellen in duidelijke taal.

26In die tijd zul je alles aan de Vader mogen vragen, omdat je bij mij hoort. Ik hoef de Vader dan niet meer te vragen of hij naar jullie wil luisteren. 27Want de Vader zelf houdt van jullie. Hij houdt van jullie, omdat jullie van mij houden, en geloven dat ik bij hem vandaan kom. 28Ik kom bij de Vader vandaan en ik ben naar de wereld gekomen. En nu verlaat ik de wereld weer, en ga ik terug naar mijn Vader.’

29De leerlingen zeiden: ‘Ja, nu spreekt u duidelijke taal. Dit is niet te moeilijk voor ons. 30Nu begrijpen we dat u alles weet. U legt het ons al uit voordat iemand om uitleg gevraagd heeft! Daarom geloven we nu dat u bij God vandaan komt.’

Jezus spreekt de leerlingen moed in

31Jezus zei: ‘Nu geloven jullie het? 32Luister, het moment is bijna gekomen dat jullie alle kanten op gejaagd zullen worden. Jullie zullen mij in de steek laten. Maar ik zal niet alleen zijn, want mijn Vader is bij me.

33Ik heb jullie al deze dingen nu al verteld. Want jullie horen bij mij, en daarom zal ik jullie mijn vrede geven. Jullie zullen het in deze wereld heel moeilijk krijgen. Maar houd moed! Ik heb het kwaad van deze wereld overwonnen.’

17

Het gebed van Jezus

Jezus bidt tot God

171Toen Jezus tegen zijn leerlingen gesproken had, keek hij omhoog naar de hemel en begon te bidden: ‘Vader, het beslissende moment is gekomen. Geef mij toch mijn plaats naast u in de hemel. Dan kan ik, uw Zoon, u daar alle eer geven!

2U hebt mij macht gegeven over alle mensen. En u hebt de mensen die bij mij horen, aan mij gegeven. U wilt dat ik hun het eeuwige leven geef. 3Dat betekent dat zij u van dichtbij mogen kennen: u, de enige ware God. En dat ze mij mogen kennen als degene die door u naar de wereld gestuurd is.

4-5Vader, het werk waarvoor u mij gestuurd hebt, heb ik gedaan en afgemaakt. Zo heb ik u op aarde alle eer gegeven. Geef mij nu de hoogste macht en eer bij u in de hemel. Dezelfde macht en eer als toen ik bij u was voor het begin van de wereld.

Jezus bidt voor zijn leerlingen

6Vader, u hebt zelf mijn leerlingen uitgekozen. Ze zijn van u, en u hebt hen aan mij gegeven. Aan hen heb ik laten zien wie u echt bent. En zij hebben uw boodschap aangenomen. 7Ze weten nu dat alles wat u aan mij gegeven hebt, bij u vandaan komt. 8Ik heb uw boodschap aan hen doorgegeven, en zij hebben die aangenomen. Ze weten dat die boodschap van u komt, en dat u mij werkelijk gestuurd hebt.

9Vader, ik bid niet voor de mensen die bij deze wereld horen, maar voor de mensen die bij u horen. Zij zijn van u, en u hebt ze aan mij gegeven. 10Want alles wat van mij is, is van u. En alles wat van u is, is van mij. Mijn hemelse macht wordt op aarde zichtbaar door mijn leerlingen. 11Ik ben straks niet meer in deze wereld, ik ben op weg naar u toe. Maar mijn leerlingen zullen in deze wereld blijven.

Heilige Vader, bescherm hen met uw grote macht, de macht die u ook aan mij gegeven hebt. Dan zullen ze samen één zijn, net zoals wij samen één zijn. 12Vader, zolang ik bij mijn leerlingen was, heb ik hen beschermd. Ik heb hen beschermd met de grote macht die u aan mij gegeven hebt. Met niemand van hen is het slecht afgelopen, behalve met Judas. Maar met hem moest het slecht aflopen, want dat stond al in de heilige boeken.

Gods boodschap is de waarheid

13Vader, ik kom naar u toe. Ik vraag u al die dingen nu ik nog in de wereld ben. Want ik wil mijn vreugde doorgeven aan mijn leerlingen. Ik wil dat hun vreugde volmaakt is. 14Ik heb uw boodschap aan hen doorgegeven. Ze worden gehaat door de mensen van deze wereld, omdat ze niet bij deze wereld horen. Net zoals ik niet bij deze wereld hoor.

15Vader, ik vraag u niet om mijn leerlingen uit deze wereld weg te halen. Ik vraag u om hen te beschermen tegen de macht van het kwaad. 16Mijn leerlingen horen niet bij deze wereld. Net zoals ik niet bij deze wereld hoor.

17De waarheid is de boodschap die bij u vandaan komt. Zorg dat mijn leerlingen die waarheid leren kennen, zodat ze voorbereid zijn op hun taak. 18Want ik stuur hen de wereld in om uw boodschap bekend te maken. Net zoals u mij naar deze wereld gestuurd hebt. 19Ik ben klaar voor mijn taak: ik zal mijn leven voor hen geven. Ook mijn leerlingen moeten voorbereid zijn op hun taak. Daarom moeten ze de waarheid leren kennen.

Jezus bidt voor alle gelovigen

20Vader, ik bid niet alleen voor mijn leerlingen. Ik bid voor alle mensen die in mij zullen geloven als ze uw boodschap horen. 21Laat alle gelovigen samen één zijn. Net zoals wij samen één zijn, Vader. En laat alle gelovigen ook één zijn met ons. Dan zullen alle mensen op aarde geloven dat u mij gestuurd hebt.

22U hebt mij uw hemelse macht gegeven. En ik heb die macht aan de gelovigen gegeven. Daardoor zullen zij samen één zijn, net zoals wij samen één zijn.

23Vader, u bent één met mij, en ik ben één met de gelovigen. Geef dat zij samen volmaakt één zijn met u. Dan zullen alle mensen weten dat u mij gestuurd hebt. Dan weten ze dat u van de gelovigen houdt, net zoals u van mij houdt.

24Vader, u hebt de gelovigen aan mij gegeven. Ik wil dat ze dicht bij mij zijn, ook als ik naar u toe ga. Dan zullen ze mij zien op mijn plaats naast u in de hemel. U hebt mij die plaats gegeven, want u hield al van mij voordat u de aarde maakte.

25Goede Vader, de mensen van deze wereld kennen u niet. Ik ken u, en de gelovigen kennen mij. Zij weten dat u mij gestuurd hebt. 26Ik heb hun bekendgemaakt wie u bent, en dat blijf ik doen. Uw liefde voor mij zal nu ook bij hen zijn. En ik zal altijd in hen zijn.’

18

Jezus wordt gevangengenomen

Judas komt met een groep soldaten

181Toen Jezus al die dingen gezegd had, ging hij met zijn leerlingen naar de overkant van het Kidron-dal. Daar was een tuin. Jezus en de leerlingen gingen die tuin in.

2Judas, de leerling die Jezus zou gaan uitleveren, kende die plaats ook. Want Jezus was daar al vaak met zijn leerlingen geweest. 3Judas kwam met een groep soldaten de tuin in. Er waren ook dienaren van de priesters en de farizeeën bij. Ze hadden wapens bij zich, en ze droegen fakkels en lampen.

Jezus maakt zichzelf bekend

4Jezus wist precies wat er met hem zou gaan gebeuren. Hij liep naar de mannen toe en vroeg: ‘Wie zoeken jullie?’ 5Ze antwoordden: ‘Wij zoeken Jezus uit Nazaret.’ Jezus zei: ‘Ik ben het.’ Judas, de man die Jezus kwam uitleveren, stond erbij. 6Toen Jezus zei: ‘Ik ben het,’ schrokken de mannen. Ze deden een paar stappen achteruit en vielen op de grond.

7Opnieuw vroeg Jezus aan hen: ‘Wie zoeken jullie?’ Ze zeiden: ‘Jezus uit Nazaret.’ 8Jezus zei: ‘Ik ben het. Dat zei ik jullie al. Als jullie mij zoeken, laat mijn leerlingen dan gaan.’

9Zo moest het gaan. Want Jezus had zelf gezegd: ‘God, ik heb alle mensen gered die u aan mij gegeven hebt.’

Jezus wordt meegenomen

10Toen pakte Simon Petrus het zwaard dat hij bij zich had. Hij sloeg daarmee het rechteroor af van Malchus, de knecht van de hogepriester. 11Maar Jezus zei tegen Petrus: ‘Doe je zwaard weg. Want mijn Vader wil dat ik mijn lijden draag. En ik doe wat hij wil.’

12Toen werd Jezus gevangengenomen en vastgebonden. De Romeinse officier en zijn soldaten, en de dienaren van de Joodse leiders, namen hem mee. 13Eerst werd Jezus bij Annas gebracht. Annas was de schoonvader van Kajafas. Kajafas was dat jaar hogepriester. 14Hij had eerder tegen de andere Joodse leiders gezegd: ‘Het is het beste als deze ene man sterft voor het hele volk!’

Petrus zegt dat hij Jezus niet kent

15Simon Petrus en een andere leerling liepen achter Jezus aan. Die andere leerling kende de hogepriester. Daarom kon hij mee naar binnen, toen Jezus in het huis van de hogepriester gebracht werd.

16Petrus bleef buiten bij de poort staan. De leerling die al naar binnen was, kwam terug. Hij praatte even met het meisje dat de poort bewaakte, en toen mocht Petrus ook naar binnen. 17Toen Petrus binnenkwam, zei het meisje bij de poort: ‘Jij bent toch ook een leerling van die Jezus?’ Maar Petrus zei: ‘Nee hoor, ik niet!’

18Omdat het koud was, brandde er een vuur op de binnenplaats van het huis. De slaven en dienaren van de hogepriester stonden bij het vuur om warm te blijven. Petrus ging er ook bij staan.

Jezus is bij de hogepriester

19Intussen stelde de hogepriester vragen aan Jezus over zijn leerlingen en over zijn uitleg over God. 20Jezus zei tegen hem: ‘Ik heb in het openbaar tegen de mensen gesproken. Ik heb niets in het geheim gezegd. Ik heb steeds uitleg gegeven in de synagogen en in de tempel, op alle plaatsen waar de Joden bij elkaar komen. 21U hoeft mij niet te vragen wat ik verteld heb. Vraag het maar aan de mensen zelf! Zij hebben gehoord wat ik tegen hen gezegd heb. Ze weten het precies.’

22Toen gaf één van de dienaren Jezus een klap, en riep: ‘Hoe durf je zo te spreken tegen de hogepriester!’ 23Jezus zei tegen hem: ‘Als ik iets verkeerds gezegd heb, zeg dan wat er verkeerd was. Maar als het klopt wat ik zeg, waarom sla je me dan?’

24Toen gaf Annas opdracht om Jezus als gevangene naar Kajafas te brengen.

Petrus zegt dat hij Jezus niet kent

25Simon Petrus stond nog bij het vuur. Iemand zei tegen hem: ‘Jij bent toch ook een leerling van Jezus?’ Maar Petrus zei: ‘Nee hoor, ik niet!’

26Toen sprak een slaaf van de hogepriester Petrus aan. Hij was familie van de man bij wie Petrus een oor afgeslagen had. Hij zei: ‘Volgens mij heb ik jou samen met Jezus gezien in die tuin!’ 27Weer zei Petrus dat het niet zo was. En meteen kraaide er een haan.

Jezus bij Pilatus

Jezus wordt bij Pilatus gebracht

28’s Ochtends vroeg werd Jezus weggebracht naar het paleis van Pilatus, de Romeinse bestuurder. De Joden zelf gingen niet naar binnen. Ze wilden niet onrein worden, omdat die avond de paasmaaltijd gevierd werd.

29Toen kwam Pilatus naar buiten, en vroeg: ‘Waar beschuldigen jullie deze man van?’ 30De Joden antwoordden: ‘Als hij geen misdadiger was, hadden we hem niet bij u gebracht.’ 31Pilatus zei: ‘Neem hem dan mee en straf hem volgens de regels van jullie eigen wet.’ ‘Nee,’ zeiden de Joden, ‘want wij hebben zelf niet het recht om iemand te doden.’

32Zo moest het gaan. Want Jezus had zelf al gezegd op welke manier hij zou sterven.

Pilatus stelt Jezus vragen

33Pilatus ging zijn paleis weer binnen. Hij liet Jezus bij zich komen en vroeg aan hem: ‘Bent u de koning van de Joden?’ 34Jezus zei: ‘Vraagt u dat uit uzelf? Of hebben anderen dat over mij gezegd?’ 35Pilatus antwoordde: ‘Natuurlijk vraag ik dat niet uit mezelf. Ik ben geen Jood. Maar uw eigen volk en de hogepriesters hebben u bij mij gebracht. Wat hebt u verkeerd gedaan?’

36Jezus zei: ‘Ik ben geen koning zoals de koningen van deze wereld. Als ik een aardse koning was, dan zouden mijn dienaren voor mij gevochten hebben. Dan zou ik niet aan de Joden uitgeleverd zijn. Maar ik ben geen aardse koning.’ 37Toen vroeg Pilatus aan Jezus: ‘U bent dus wel een koning?’ Jezus antwoordde: ‘U noemt mij een koning. Maar ik zeg u: Ik moet de waarheid bekendmaken. Daarvoor ben ik geboren en daarvoor ben ik naar de wereld gekomen. Iedereen die aan de kant van de waarheid staat, luistert naar mijn woorden.’ 38Toen zei Pilatus: ‘Wat is waarheid?’

Pilatus wil Jezus vrijlaten

Daarna ging Pilatus weer naar buiten. Hij zei tegen de Joden: ‘Mijn oordeel is dat Jezus onschuldig is. 39Het is hier de gewoonte dat er op het Paasfeest een gevangene vrijgelaten wordt. Willen jullie dat ik Jezus, de koning van de Joden, vrijlaat?’ 40Maar de Joden begonnen te roepen en te schreeuwen: ‘Nee, niet Jezus, maar Barabbas!’ Barabbas was een gevaarlijke misdadiger.