Bijbel in Gewone Taal (BGT)
15

Het voorbeeld van Gods druivenplant

151-2Jezus zei tegen zijn leerlingen: ‘Ik ben de stam van Gods druivenplant, en jullie zijn de takken. God zelf is de tuinman. Hij haalt de takken weg waar niets aan groeit. En de takken waaraan druiven groeien, maakt hij kort. Want dan komen er in het volgende jaar nog meer druiven aan.

3Jullie lijken op de goede takken die kort gemaakt zijn. Want door mijn woorden is het slechte uit jullie weggehaald, en zijn jullie rein geworden. 4Jullie moeten met mij verbonden blijven, en ik met jullie. Want alleen dan kunnen jullie op een goede manier leven. Net zoals er alleen druiven groeien aan takken die aan de stam vastzitten. Aan losse takken kunnen geen druiven groeien.

5Ik ben de stam van de druivenplant en jullie zijn de takken. Als jullie met mij verbonden blijven en ik met jullie, dan zul je veel goeds kunnen doen. Maar zonder mij kun je niets. 6Als je niet met mij verbonden blijft, loopt het slecht met je af. Dan lijk je op een tak die van de stam af gehaald is. Zo’n tak verdort, en hij wordt opgeruimd en in het vuur gegooid.

7Jullie moeten dus met mij verbonden blijven, en naar mijn woorden luisteren. Dan zal alles wat je vraagt, gebeuren. 8Jullie zullen dan, als leerlingen van mij, veel goede dingen doen. Zo maken jullie de hemelse macht van mijn Vader zichtbaar.

Houd van elkaar

9-10Ik houd van jullie, net zoals de Vader van mij houdt. Doe wat ik van je vraag. Want dan blijft mijn liefde je leiden. Ook ik heb altijd gedaan wat de Vader van mij gevraagd heeft. En zijn liefde heeft mij altijd geleid.

11Ik vertel jullie al deze dingen, omdat ik wil dat jullie dezelfde vreugde voelen als ik. Ik wil dat jullie vreugde volmaakt is.

12Ik geef jullie deze regel: Houd van elkaar, net zoals ik van jullie houd. 13Het grootste bewijs van liefde is dat iemand wil sterven voor zijn vrienden.

14Jullie zijn mijn vrienden als jullie doen wat ik van je vraag. 15Ik noem jullie niet langer dienaren, ik noem jullie vrienden. Want dienaren weten niet alles van hun heer. Maar aan jullie heb ik alles bekendgemaakt wat ik van mijn Vader gehoord heb.

16Jullie hebben niet mij uitgekozen, maar ik heb jullie uitgekozen. En ik geef jullie de opdracht om de wereld in te gaan. Doe goede dingen, en blijf dat doen. De Vader zal jullie alles geven wat je hem vraagt, omdat jullie bij mij horen. 17Dit vraag ik van jullie: houd van elkaar.

De leerlingen zullen gehaat worden

18De mensen zullen jullie haten. Maar bedenk dat ze eerst mij gehaat hebben. 19Als jullie bij deze wereld zouden horen, zouden de mensen van jullie houden. Maar jullie horen niet bij deze wereld. Want ik heb jullie uitgekozen, en jullie weggehaald bij de mensen van deze wereld. Daarom haten zij jullie.

20Denk aan wat ik jullie gezegd heb: een dienaar is niet belangrijker dan zijn heer. Dus jullie zullen niet beter behandeld worden dan ik. De mensen willen mij gevangennemen, en ze zullen ook proberen om jullie gevangen te nemen. Maar de mensen die mijn woorden geloven, zullen ook jullie woorden geloven.

21De mensen zullen jullie veel kwaad doen omdat jullie bij mij horen. Ze begrijpen niet dat God mij gestuurd heeft.

De mensen haten Jezus zonder reden

22-24Stel dat ik niet naar de wereld gekomen was, en niet gesproken had tegen de mensen. En stel dat ik geen wonderen gedaan had. Dan zouden de mensen die niet in mij geloven, niet schuldig zijn. Maar ik ben wel gekomen! Daarom hebben de mensen geen enkel excuus voor hun slechtheid.

Ik heb bijzondere dingen gedaan, die nog nooit iemand gedaan heeft. De mensen hebben het gezien, en toch haatten ze mij. En dus haatten ze ook mijn Vader, die mij gestuurd heeft. 25Zo moest het gaan. Want in hun heilige boeken staat: «Ze haten mij zonder reden.»

Jezus zal de heilige Geest sturen

26Als ik bij de Vader ben, zal ik de heilige Geest naar jullie toe sturen. Hij zal jullie helper zijn, die bij de Vader vandaan komt. Hij zal aan jullie de waarheid over mij bekendmaken. 27Dan kunnen jullie aan iedereen vertellen wie ik echt ben. Want jullie zijn vanaf het begin bij me geweest.’

16

Jezus vertelt wat er zal gebeuren

161Jezus zei tegen zijn leerlingen: ‘Ik vertel jullie deze dingen nu, zodat jullie straks je geloof niet verliezen. 2Want jullie zullen het moeilijk krijgen. Mensen zullen jullie verbieden om in de synagoge te komen. En ze zullen zelfs proberen om jullie te doden. Ze denken dat ze God daarmee dienen. 3Dat komt doordat ze de Vader en mij niet kennen.

4Ik vertel jullie deze dingen nu al. Binnenkort zal het allemaal gaan gebeuren. Dan zullen jullie aan mijn woorden terugdenken.

De heilige Geest maakt alles duidelijk

Ik heb jullie die dingen niet eerder verteld, want ik was steeds bij jullie. 5Maar nu ga ik terug naar degene die mij gestuurd heeft. En niemand van jullie vraagt: ‘Waar gaat u heen?’ 6Jullie zijn alleen maar diep bedroefd over wat ik gezegd heb.

7Luister, dit is de waarheid: het is alleen maar goed voor jullie dat ik wegga. Want anders kan jullie helper, de heilige Geest, niet komen. Ik zal hem naar jullie toe sturen als ik bij God ben.

8-11De helper komt om alles duidelijk te maken. Hij maakt duidelijk wat zonde is: dat mensen niet in mij willen geloven. Hij maakt duidelijk wat Gods goedheid is: dat ik naar de Vader ga. (Daarom zullen jullie mij dus niet meer zien.) En hij maakt duidelijk wat het oordeel is: dat Satan, de heerser van deze wereld, gestraft wordt.

De heilige Geest brengt de waarheid

12Ik heb jullie nog veel te zeggen, maar jullie kunnen het nu nog niet begrijpen. 13Als de heilige Geest komt, zal hij aan jullie de waarheid bekendmaken. Hij zal jullie helpen om de waarheid helemaal te begrijpen. Hij zal niet namens zichzelf spreken, maar hij zal zeggen wat hij van mij hoort. Hij zal jullie vertellen wat er zal gebeuren aan het einde van de tijd.

14Zo zal de heilige Geest mij de hoogste eer geven. Want de waarheid die hij bekendmaakt, komt van mij. 15Alles wat van de Vader is, is ook van mij. Daarom zeg ik: De waarheid die hij bekendmaakt, komt van mij.’

Jezus zal weggaan en terugkomen

16Jezus zei tegen zijn leerlingen: ‘Over een korte tijd zien jullie mij niet meer. En dan, na weer een korte tijd, zullen jullie mij terugzien.’

17-18Een paar leerlingen zeiden tegen elkaar: ‘Wat zou hij daarmee bedoelen? Hij heeft toch ook gezegd dat hij naar de Vader gaat? Wat bedoelt hij dan met ‘een korte tijd’? We begrijpen er niets van.’

19Jezus wist dat de leerlingen hem die dingen wilden vragen. Hij zei: ‘Jullie praten met elkaar over mijn woorden: ‘Over een korte tijd zien jullie mij niet meer. En dan, na weer een korte tijd, zullen jullie mij terugzien.’ Jullie willen weten wat dat betekent. 20Luister heel goed naar mijn woorden: Ik zal sterven. Jullie zullen verdriet hebben en huilen, terwijl de mensen van deze wereld blij zijn. Jullie zullen diep bedroefd zijn, maar jullie verdriet zal veranderen in vreugde.

Er komt een tijd van vreugde

21Een vrouw die een kind krijgt, heeft het moeilijk. Als het kind geboren wordt, heeft ze veel pijn. Maar als het kind er eenmaal is, denkt ze niet meer aan de pijn. Dan is ze blij omdat haar kind geboren is.

22Zo is het ook met jullie. Nu hebben jullie het moeilijk. Maar straks zullen jullie mij terugzien. Dan zullen jullie vol vreugde zijn, en niemand kan die blijdschap dan nog van jullie afnemen. 23Dan stellen jullie mij geen vragen meer, omdat jullie alles begrijpen.

Luister heel goed naar mijn woorden: De Vader zal jullie alles geven wat jullie hem vragen. Want jullie horen bij mij. 24Vanaf nu moeten jullie dus tot de Vader bidden als mensen die bij mij horen. Dan zullen jullie alles krijgen waar je om vraagt. En dan zal jullie vreugde volmaakt zijn.

Jezus zal spreken in duidelijke taal

25Nu spreek ik nog op een manier die jullie niet begrijpen. Maar er komt een tijd dat ik dat niet meer doe. Dan zal ik jullie over de Vader vertellen in duidelijke taal.

26In die tijd zul je alles aan de Vader mogen vragen, omdat je bij mij hoort. Ik hoef de Vader dan niet meer te vragen of hij naar jullie wil luisteren. 27Want de Vader zelf houdt van jullie. Hij houdt van jullie, omdat jullie van mij houden, en geloven dat ik bij hem vandaan kom. 28Ik kom bij de Vader vandaan en ik ben naar de wereld gekomen. En nu verlaat ik de wereld weer, en ga ik terug naar mijn Vader.’

29De leerlingen zeiden: ‘Ja, nu spreekt u duidelijke taal. Dit is niet te moeilijk voor ons. 30Nu begrijpen we dat u alles weet. U legt het ons al uit voordat iemand om uitleg gevraagd heeft! Daarom geloven we nu dat u bij God vandaan komt.’

Jezus spreekt de leerlingen moed in

31Jezus zei: ‘Nu geloven jullie het? 32Luister, het moment is bijna gekomen dat jullie alle kanten op gejaagd zullen worden. Jullie zullen mij in de steek laten. Maar ik zal niet alleen zijn, want mijn Vader is bij me.

33Ik heb jullie al deze dingen nu al verteld. Want jullie horen bij mij, en daarom zal ik jullie mijn vrede geven. Jullie zullen het in deze wereld heel moeilijk krijgen. Maar houd moed! Ik heb het kwaad van deze wereld overwonnen.’

17

Het gebed van Jezus

Jezus bidt tot God

171Toen Jezus tegen zijn leerlingen gesproken had, keek hij omhoog naar de hemel en begon te bidden: ‘Vader, het beslissende moment is gekomen. Geef mij toch mijn plaats naast u in de hemel. Dan kan ik, uw Zoon, u daar alle eer geven!

2U hebt mij macht gegeven over alle mensen. En u hebt de mensen die bij mij horen, aan mij gegeven. U wilt dat ik hun het eeuwige leven geef. 3Dat betekent dat zij u van dichtbij mogen kennen: u, de enige ware God. En dat ze mij mogen kennen als degene die door u naar de wereld gestuurd is.

4-5Vader, het werk waarvoor u mij gestuurd hebt, heb ik gedaan en afgemaakt. Zo heb ik u op aarde alle eer gegeven. Geef mij nu de hoogste macht en eer bij u in de hemel. Dezelfde macht en eer als toen ik bij u was voor het begin van de wereld.

Jezus bidt voor zijn leerlingen

6Vader, u hebt zelf mijn leerlingen uitgekozen. Ze zijn van u, en u hebt hen aan mij gegeven. Aan hen heb ik laten zien wie u echt bent. En zij hebben uw boodschap aangenomen. 7Ze weten nu dat alles wat u aan mij gegeven hebt, bij u vandaan komt. 8Ik heb uw boodschap aan hen doorgegeven, en zij hebben die aangenomen. Ze weten dat die boodschap van u komt, en dat u mij werkelijk gestuurd hebt.

9Vader, ik bid niet voor de mensen die bij deze wereld horen, maar voor de mensen die bij u horen. Zij zijn van u, en u hebt ze aan mij gegeven. 10Want alles wat van mij is, is van u. En alles wat van u is, is van mij. Mijn hemelse macht wordt op aarde zichtbaar door mijn leerlingen. 11Ik ben straks niet meer in deze wereld, ik ben op weg naar u toe. Maar mijn leerlingen zullen in deze wereld blijven.

Heilige Vader, bescherm hen met uw grote macht, de macht die u ook aan mij gegeven hebt. Dan zullen ze samen één zijn, net zoals wij samen één zijn. 12Vader, zolang ik bij mijn leerlingen was, heb ik hen beschermd. Ik heb hen beschermd met de grote macht die u aan mij gegeven hebt. Met niemand van hen is het slecht afgelopen, behalve met Judas. Maar met hem moest het slecht aflopen, want dat stond al in de heilige boeken.

Gods boodschap is de waarheid

13Vader, ik kom naar u toe. Ik vraag u al die dingen nu ik nog in de wereld ben. Want ik wil mijn vreugde doorgeven aan mijn leerlingen. Ik wil dat hun vreugde volmaakt is. 14Ik heb uw boodschap aan hen doorgegeven. Ze worden gehaat door de mensen van deze wereld, omdat ze niet bij deze wereld horen. Net zoals ik niet bij deze wereld hoor.

15Vader, ik vraag u niet om mijn leerlingen uit deze wereld weg te halen. Ik vraag u om hen te beschermen tegen de macht van het kwaad. 16Mijn leerlingen horen niet bij deze wereld. Net zoals ik niet bij deze wereld hoor.

17De waarheid is de boodschap die bij u vandaan komt. Zorg dat mijn leerlingen die waarheid leren kennen, zodat ze voorbereid zijn op hun taak. 18Want ik stuur hen de wereld in om uw boodschap bekend te maken. Net zoals u mij naar deze wereld gestuurd hebt. 19Ik ben klaar voor mijn taak: ik zal mijn leven voor hen geven. Ook mijn leerlingen moeten voorbereid zijn op hun taak. Daarom moeten ze de waarheid leren kennen.

Jezus bidt voor alle gelovigen

20Vader, ik bid niet alleen voor mijn leerlingen. Ik bid voor alle mensen die in mij zullen geloven als ze uw boodschap horen. 21Laat alle gelovigen samen één zijn. Net zoals wij samen één zijn, Vader. En laat alle gelovigen ook één zijn met ons. Dan zullen alle mensen op aarde geloven dat u mij gestuurd hebt.

22U hebt mij uw hemelse macht gegeven. En ik heb die macht aan de gelovigen gegeven. Daardoor zullen zij samen één zijn, net zoals wij samen één zijn.

23Vader, u bent één met mij, en ik ben één met de gelovigen. Geef dat zij samen volmaakt één zijn met u. Dan zullen alle mensen weten dat u mij gestuurd hebt. Dan weten ze dat u van de gelovigen houdt, net zoals u van mij houdt.

24Vader, u hebt de gelovigen aan mij gegeven. Ik wil dat ze dicht bij mij zijn, ook als ik naar u toe ga. Dan zullen ze mij zien op mijn plaats naast u in de hemel. U hebt mij die plaats gegeven, want u hield al van mij voordat u de aarde maakte.

25Goede Vader, de mensen van deze wereld kennen u niet. Ik ken u, en de gelovigen kennen mij. Zij weten dat u mij gestuurd hebt. 26Ik heb hun bekendgemaakt wie u bent, en dat blijf ik doen. Uw liefde voor mij zal nu ook bij hen zijn. En ik zal altijd in hen zijn.’