Bijbel in Gewone Taal (BGT)
13

Jezus wast de voeten van de leerlingen

131Het was vlak voor het Joodse Paasfeest. Jezus wist dat nu voor hem het beslissende moment gekomen was: hij zou vanuit de wereld teruggaan naar zijn Vader. Jezus hield veel van de mensen die in deze wereld bij hem hoorden. En hij bleef van hen houden, tot het allerlaatste moment.

2’s Avonds waren Jezus en de leerlingen met elkaar aan het eten. Toen al was Judas, de zoon van Simon Iskariot, van plan om Jezus aan zijn vijanden uit te leveren. Daar had de duivel voor gezorgd.

3Jezus wist dat hij van zijn Vader alle macht gekregen had. Hij wist dat hij bij God vandaan gekomen was en dat hij weer naar God zou teruggaan.

4Tijdens het eten stond Jezus op. Hij trok zijn kleren uit en deed een doek om zijn middel, alsof hij een slaaf was. 5Hij deed water in een bak, en begon de voeten van zijn leerlingen te wassen. Hij droogde hun voeten af met de doek die hij omgedaan had.

6Toen Jezus bij Simon Petrus kwam, riep die: ‘Heer, u gaat toch niet mijn voeten wassen?’ 7Jezus zei tegen hem: ‘Nu begrijp je niet wat ik doe, maar later zul je het begrijpen.’ 8Petrus zei: ‘U mag mijn voeten beslist niet wassen! Nooit!’ Jezus zei: ‘Als ik jouw voeten niet mag wassen, kun je niet bij mij horen.’

9Toen zei Petrus: ‘Heer, was dan niet alleen mijn voeten, maar ook mijn handen en mijn hoofd!’ 10Jezus zei: ‘Iemand die zich al gewassen heeft, is rein. Hij hoeft niet opnieuw gewassen te worden, behalve zijn voeten. Ook jullie zijn rein. Maar niet allemaal.’ 11Want Jezus wist dat Judas hem wilde uitleveren. Daarom zei hij: ‘Jullie zijn rein, maar niet allemaal.’

Jezus geeft het goede voorbeeld

12Toen Jezus de voeten van alle leerlingen gewassen had, deed hij zijn kleren weer aan. Hij ging bij de leerlingen zitten en zei: ‘Begrijpen jullie wat ik gedaan heb? 13Jullie noemen mij ‘meester’ en ‘Heer’. En dat is goed, want dat ben ik. 14Ik ben jullie Heer en jullie meester, en toch heb ik jullie voeten gewassen. Daarom moeten jullie ook elkaars voeten wassen. 15Ik heb jullie het goede voorbeeld gegeven. Wat ik voor jullie gedaan heb, dat moeten jullie ook voor elkaar doen.

16Luister heel goed naar mijn woorden: Een slaaf is niet belangrijker dan zijn meester. En iemand die gestuurd wordt, is niet belangrijker dan degene die hem stuurt. 17Als je dat begrijpt, en je daaraan houdt, zul je het echte geluk leren kennen.

18Maar dat geldt niet voor jullie allemaal. Ik heb jullie allemaal zelf uitgekozen om mijn leerlingen te zijn. En ik ken jullie goed. Maar één van jullie is tegen mij. Zo moest het gaan, want in de heilige boeken staat: «Iemand met wie ik alles deelde, is tegen mij.» 19Ik zeg het jullie nu, voordat het gebeurt. Want als het dan gebeurt, zullen jullie begrijpen wie ik echt ben. Dan zullen jullie in mij geloven.

20Luister heel goed naar mijn woorden: Jullie worden door mij gestuurd. Dus als iemand jullie hartelijk ontvangt, dan ontvangt hij mij. En hij ontvangt niet alleen mij, maar ook God, die mij gestuurd heeft.’

Jezus vertelt wie hem zal uitleveren

21Toen Jezus die dingen gezegd had, werd hij erg bedroefd. Hij vertelde de leerlingen wat er zou gebeuren. Hij zei: ‘Luister heel goed naar mijn woorden: Eén van jullie zal mij uitleveren.’ 22De leerlingen keken elkaar aan. Ze hadden geen idee wie Jezus bedoelde.

23Eén van de leerlingen zat dicht naast Jezus. Het was de leerling van wie Jezus veel hield. 24Simon Petrus maakte een gebaar naar die leerling, waarmee hij bedoelde: Vraag jij eens aan Jezus over wie hij het heeft! 25De leerling boog zich dicht naar Jezus toe, en vroeg: ‘Heer, wie van ons is het?’ 26Jezus antwoordde: ‘Het is degene aan wie ik nu een stuk brood geef.’ Jezus pakte een stuk brood en deed er wat olie op. Hij gaf het aan Judas, de zoon van Simon Iskariot. 27Toen Judas het brood aanpakte, kwam Satan in hem. Jezus zei tegen Judas: ‘Ga meteen doen wat je van plan bent.’

28Niemand aan tafel begreep waarom Jezus dat zei. 29Sommige leerlingen dachten dat Judas dingen moest kopen voor het Paasfeest. Of dat Jezus wilde dat hij wat geld aan arme mensen zou geven. Want Judas droeg altijd het geldkistje van de groep.

30Meteen liep Judas weg, met het stuk brood in zijn hand. Het was nacht.

Jezus krijgt de hoogste eer

31-32Toen Judas weg was, zei Jezus: ‘Nu krijgt de Mensenzoon de hoogste eer. En door hem krijgt God alle eer. Daarom zal God de plaats naast zich in de hemel aan de Mensenzoon geven. Dat zal snel gebeuren.

33Lieve vrienden, ik zal nog maar kort bij jullie zijn. Daarna zullen jullie mij zoeken. Maar ik zeg tegen jullie hetzelfde als tegen de Joden: Waar ik naartoe ga, daar kunnen jullie niet komen.

34Ik geef jullie een nieuwe regel: Houd van elkaar. Jullie moeten net zo van elkaar houden als ik van jullie gehouden heb. 35Dan zal iedereen kunnen zien dat jullie mijn leerlingen zijn.’

Petrus wil Jezus volgen

36Simon Petrus vroeg: ‘Heer, waar gaat u dan naartoe?’ Jezus antwoordde: ‘Ik ga naar een plaats waar jij nu nog niet kunt komen. Maar later zul je mij daarheen volgen.’

37Petrus vroeg: ‘Heer, waarom kan ik niet meteen met u mee? Ik wil zelfs mijn leven voor u geven!’ 38Jezus zei: ‘Wil jij je leven voor mij geven? Luister heel goed naar mijn woorden: Voordat de haan kraait, zul jij drie keer zeggen dat je mij niet kent!’

14

Jezus spreekt met de leerlingen

Jezus brengt je bij de Vader

141Jezus zei tegen zijn leerlingen: ‘Wees niet bang. Vertrouw op God, en vertrouw op mij. 2In het huis van mijn Vader is plaats voor veel mensen. Daar mag je op vertrouwen. Want ik heb gezegd dat ik wegga om voor jullie een plaats klaar te maken.

3En als ik voor jullie een plaats klaargemaakt heb, kom ik terug. Dan neem ik jullie mee, en dan zullen jullie bij mij zijn. 4En jullie weten langs welke weg ik zal gaan.’ 5Toen zei Tomas: ‘Maar Heer, we weten niet eens waar u naartoe gaat! Hoe kunnen we dan weten langs welke weg u gaat?’

6Jezus zei: ‘Ik ben de weg. Bij mij is de waarheid, en bij mij is het leven. Je kunt alleen bij de Vader komen als je in mij gelooft. 7Als jullie mij kennen, zullen jullie ook mijn Vader kennen. Ja, jullie kennen hem al, want jullie hebben hem gezien.’

Filippus wil de Vader zien

8Filippus zei: ‘Heer, laat ons de Vader zien! Dat is voor ons voldoende.’ 9Jezus zei tegen hem: ‘Filippus, ik ben al zo lang bij jullie. Ken je mij nog steeds niet? Jij zegt: ‘Laat ons de Vader zien.’ Maar als je mij gezien hebt, dan heb je ook de Vader gezien. 10Want de Vader is in mij, en ik hoor bij hem. Dat geloof je toch wel? De dingen die ik tegen jullie zeg, komen niet van mijzelf. Alles wat ik zeg en doe, komt van mijn Vader.

11Geloof me, de Vader is in mij, en ik hoor bij hem. Dat kun je zien aan alle wonderen die de Vader mij laat doen.

12Luister heel goed naar mijn woorden: Als jullie in mij geloven, zullen jullie net zulke wonderen doen als ik. Ja, zelfs nog grotere wonderen. Want ik ga naar de Vader. 13En ik zal doen wat jullie vragen, omdat jullie bij mij horen. Zo zal ik de hemelse macht van mijn Vader laten zien. 14Ik zal doen wat jullie mij vragen, omdat jullie bij mij horen.

De Vader zal de heilige Geest sturen

15Als jullie van mij houden, leef dan volgens mijn regels. 16-17En ik zal de Vader vragen om jullie een nieuwe helper te geven: de heilige Geest. Die zal voor altijd bij jullie zijn. Door hem zullen jullie de waarheid kennen.

De mensen van deze wereld horen niet bij mij. Zij kunnen de heilige Geest niet krijgen. Want ze zien hem niet en ze kennen hem niet. Maar jullie kennen hem wel. Hij zal bij jullie blijven en in jullie zijn.

18Ik laat jullie niet alleen, maar ik kom terug om jullie die nieuwe helper te geven. 19Over een korte tijd zullen de mensen van deze wereld mij niet meer zien. Maar jullie zullen mij terugzien, want ik zal leven. En ook jullie zullen leven. 20Dan zullen jullie begrijpen dat de Vader in mij aanwezig is. En dat ik in jullie aanwezig ben en jullie in mij.

21Je houdt van mij als je volgens mijn regels leeft. En als je van mij houdt, dan houdt de Vader van jou. En ook ik zal van je houden, en je laten zien wie ik echt ben.’

22Toen vroeg Judas (niet Judas Iskariot, maar een andere leerling) aan Jezus: ‘Heer, waarom wilt u alleen aan ons laten zien wie u echt bent? Waarom wilt u dat niet laten zien aan de mensen van deze wereld?’

23Jezus antwoordde: ‘Als je van mij houdt, dan luister je naar mijn woorden. Dan zal mijn Vader van je houden. En de Vader en ik zullen bij je komen en voor altijd in jou aanwezig zijn. 24Maar mensen die niet van mij houden, luisteren niet naar mijn woorden.

En bedenk goed: De woorden die jullie mij horen zeggen, komen niet van mijzelf. Ze komen van de Vader die mij gestuurd heeft.’

De leerlingen moeten moed houden

25Jezus zei tegen zijn leerlingen: ‘Ik vertel jullie al deze dingen nu ik nog bij jullie ben. 26Later zullen jullie het helemaal begrijpen. Dat zal gebeuren als de heilige Geest komt. De Vader zal hem als helper naar jullie toe sturen. Dat doet hij voor mij. De heilige Geest zal jullie herinneren aan alles wat ik tegen jullie gezegd heb. En hij zal ervoor zorgen dat jullie het begrijpen.

27Ik geef jullie mijn vrede. De vrede die deze wereld jullie kan geven, duurt maar kort. Maar mijn vrede blijft altijd bij jullie.

Wees niet bang, verlies de moed niet. 28Jullie hebben toch gehoord wat ik gezegd heb? Eerst zal ik weggaan, en daarna zal ik bij jullie terugkomen. Als jullie van mij zouden houden, dan zouden jullie blij zijn dat ik naar de Vader ga. Want de Vader is belangrijker dan ik.

29Ik vertel jullie nu al wat er met mij zal gebeuren. Dan zullen jullie het geloven als het straks zover is. 30-31Ik zal niet lang meer met jullie spreken. Want Satan, de heerser van deze wereld, komt eraan om mij gevangen te nemen. Hij heeft geen macht over mij, maar het moet gebeuren. Want alle mensen moeten weten dat ik van de Vader houd. En dat ik precies doe wat de Vader van mij wil.

Kom, laten we hier weggaan.’

15

Het voorbeeld van Gods druivenplant

151-2Jezus zei tegen zijn leerlingen: ‘Ik ben de stam van Gods druivenplant, en jullie zijn de takken. God zelf is de tuinman. Hij haalt de takken weg waar niets aan groeit. En de takken waaraan druiven groeien, maakt hij kort. Want dan komen er in het volgende jaar nog meer druiven aan.

3Jullie lijken op de goede takken die kort gemaakt zijn. Want door mijn woorden is het slechte uit jullie weggehaald, en zijn jullie rein geworden. 4Jullie moeten met mij verbonden blijven, en ik met jullie. Want alleen dan kunnen jullie op een goede manier leven. Net zoals er alleen druiven groeien aan takken die aan de stam vastzitten. Aan losse takken kunnen geen druiven groeien.

5Ik ben de stam van de druivenplant en jullie zijn de takken. Als jullie met mij verbonden blijven en ik met jullie, dan zul je veel goeds kunnen doen. Maar zonder mij kun je niets. 6Als je niet met mij verbonden blijft, loopt het slecht met je af. Dan lijk je op een tak die van de stam af gehaald is. Zo’n tak verdort, en hij wordt opgeruimd en in het vuur gegooid.

7Jullie moeten dus met mij verbonden blijven, en naar mijn woorden luisteren. Dan zal alles wat je vraagt, gebeuren. 8Jullie zullen dan, als leerlingen van mij, veel goede dingen doen. Zo maken jullie de hemelse macht van mijn Vader zichtbaar.

Houd van elkaar

9-10Ik houd van jullie, net zoals de Vader van mij houdt. Doe wat ik van je vraag. Want dan blijft mijn liefde je leiden. Ook ik heb altijd gedaan wat de Vader van mij gevraagd heeft. En zijn liefde heeft mij altijd geleid.

11Ik vertel jullie al deze dingen, omdat ik wil dat jullie dezelfde vreugde voelen als ik. Ik wil dat jullie vreugde volmaakt is.

12Ik geef jullie deze regel: Houd van elkaar, net zoals ik van jullie houd. 13Het grootste bewijs van liefde is dat iemand wil sterven voor zijn vrienden.

14Jullie zijn mijn vrienden als jullie doen wat ik van je vraag. 15Ik noem jullie niet langer dienaren, ik noem jullie vrienden. Want dienaren weten niet alles van hun heer. Maar aan jullie heb ik alles bekendgemaakt wat ik van mijn Vader gehoord heb.

16Jullie hebben niet mij uitgekozen, maar ik heb jullie uitgekozen. En ik geef jullie de opdracht om de wereld in te gaan. Doe goede dingen, en blijf dat doen. De Vader zal jullie alles geven wat je hem vraagt, omdat jullie bij mij horen. 17Dit vraag ik van jullie: houd van elkaar.

De leerlingen zullen gehaat worden

18De mensen zullen jullie haten. Maar bedenk dat ze eerst mij gehaat hebben. 19Als jullie bij deze wereld zouden horen, zouden de mensen van jullie houden. Maar jullie horen niet bij deze wereld. Want ik heb jullie uitgekozen, en jullie weggehaald bij de mensen van deze wereld. Daarom haten zij jullie.

20Denk aan wat ik jullie gezegd heb: een dienaar is niet belangrijker dan zijn heer. Dus jullie zullen niet beter behandeld worden dan ik. De mensen willen mij gevangennemen, en ze zullen ook proberen om jullie gevangen te nemen. Maar de mensen die mijn woorden geloven, zullen ook jullie woorden geloven.

21De mensen zullen jullie veel kwaad doen omdat jullie bij mij horen. Ze begrijpen niet dat God mij gestuurd heeft.

De mensen haten Jezus zonder reden

22-24Stel dat ik niet naar de wereld gekomen was, en niet gesproken had tegen de mensen. En stel dat ik geen wonderen gedaan had. Dan zouden de mensen die niet in mij geloven, niet schuldig zijn. Maar ik ben wel gekomen! Daarom hebben de mensen geen enkel excuus voor hun slechtheid.

Ik heb bijzondere dingen gedaan, die nog nooit iemand gedaan heeft. De mensen hebben het gezien, en toch haatten ze mij. En dus haatten ze ook mijn Vader, die mij gestuurd heeft. 25Zo moest het gaan. Want in hun heilige boeken staat: «Ze haten mij zonder reden.»

Jezus zal de heilige Geest sturen

26Als ik bij de Vader ben, zal ik de heilige Geest naar jullie toe sturen. Hij zal jullie helper zijn, die bij de Vader vandaan komt. Hij zal aan jullie de waarheid over mij bekendmaken. 27Dan kunnen jullie aan iedereen vertellen wie ik echt ben. Want jullie zijn vanaf het begin bij me geweest.’