Bijbel in Gewone Taal (BGT)

Jezus wast de voeten van de leerlingen

131Het was vlak voor het Joodse Paasfeest. Jezus wist dat nu voor hem het beslissende moment gekomen was: hij zou vanuit de wereld teruggaan naar zijn Vader. Jezus hield veel van de mensen die in deze wereld bij hem hoorden. En hij bleef van hen houden, tot het allerlaatste moment.

2’s Avonds waren Jezus en de leerlingen met elkaar aan het eten. Toen al was Judas, de zoon van Simon Iskariot, van plan om Jezus aan zijn vijanden uit te leveren. Daar had de duivel voor gezorgd.

3Jezus wist dat hij van zijn Vader alle macht gekregen had. Hij wist dat hij bij God vandaan gekomen was en dat hij weer naar God zou teruggaan.

4Tijdens het eten stond Jezus op. Hij trok zijn kleren uit en deed een doek om zijn middel, alsof hij een slaaf was. 5Hij deed water in een bak, en begon de voeten van zijn leerlingen te wassen. Hij droogde hun voeten af met de doek die hij omgedaan had.

6Toen Jezus bij Simon Petrus kwam, riep die: ‘Heer, u gaat toch niet mijn voeten wassen?’ 7Jezus zei tegen hem: ‘Nu begrijp je niet wat ik doe, maar later zul je het begrijpen.’ 8Petrus zei: ‘U mag mijn voeten beslist niet wassen! Nooit!’ Jezus zei: ‘Als ik jouw voeten niet mag wassen, kun je niet bij mij horen.’

9Toen zei Petrus: ‘Heer, was dan niet alleen mijn voeten, maar ook mijn handen en mijn hoofd!’ 10Jezus zei: ‘Iemand die zich al gewassen heeft, is rein. Hij hoeft niet opnieuw gewassen te worden, behalve zijn voeten. Ook jullie zijn rein. Maar niet allemaal.’ 11Want Jezus wist dat Judas hem wilde uitleveren. Daarom zei hij: ‘Jullie zijn rein, maar niet allemaal.’

Jezus geeft het goede voorbeeld

12Toen Jezus de voeten van alle leerlingen gewassen had, deed hij zijn kleren weer aan. Hij ging bij de leerlingen zitten en zei: ‘Begrijpen jullie wat ik gedaan heb? 13Jullie noemen mij ‘meester’ en ‘Heer’. En dat is goed, want dat ben ik. 14Ik ben jullie Heer en jullie meester, en toch heb ik jullie voeten gewassen. Daarom moeten jullie ook elkaars voeten wassen. 15Ik heb jullie het goede voorbeeld gegeven. Wat ik voor jullie gedaan heb, dat moeten jullie ook voor elkaar doen.

16Luister heel goed naar mijn woorden: Een slaaf is niet belangrijker dan zijn meester. En iemand die gestuurd wordt, is niet belangrijker dan degene die hem stuurt. 17Als je dat begrijpt, en je daaraan houdt, zul je het echte geluk leren kennen.

18Maar dat geldt niet voor jullie allemaal. Ik heb jullie allemaal zelf uitgekozen om mijn leerlingen te zijn. En ik ken jullie goed. Maar één van jullie is tegen mij. Zo moest het gaan, want in de heilige boeken staat: «Iemand met wie ik alles deelde, is tegen mij.» 19Ik zeg het jullie nu, voordat het gebeurt. Want als het dan gebeurt, zullen jullie begrijpen wie ik echt ben. Dan zullen jullie in mij geloven.

20Luister heel goed naar mijn woorden: Jullie worden door mij gestuurd. Dus als iemand jullie hartelijk ontvangt, dan ontvangt hij mij. En hij ontvangt niet alleen mij, maar ook God, die mij gestuurd heeft.’

Jezus vertelt wie hem zal uitleveren

21Toen Jezus die dingen gezegd had, werd hij erg bedroefd. Hij vertelde de leerlingen wat er zou gebeuren. Hij zei: ‘Luister heel goed naar mijn woorden: Eén van jullie zal mij uitleveren.’ 22De leerlingen keken elkaar aan. Ze hadden geen idee wie Jezus bedoelde.

23Eén van de leerlingen zat dicht naast Jezus. Het was de leerling van wie Jezus veel hield. 24Simon Petrus maakte een gebaar naar die leerling, waarmee hij bedoelde: Vraag jij eens aan Jezus over wie hij het heeft! 25De leerling boog zich dicht naar Jezus toe, en vroeg: ‘Heer, wie van ons is het?’ 26Jezus antwoordde: ‘Het is degene aan wie ik nu een stuk brood geef.’ Jezus pakte een stuk brood en deed er wat olie op. Hij gaf het aan Judas, de zoon van Simon Iskariot. 27Toen Judas het brood aanpakte, kwam Satan in hem. Jezus zei tegen Judas: ‘Ga meteen doen wat je van plan bent.’

28Niemand aan tafel begreep waarom Jezus dat zei. 29Sommige leerlingen dachten dat Judas dingen moest kopen voor het Paasfeest. Of dat Jezus wilde dat hij wat geld aan arme mensen zou geven. Want Judas droeg altijd het geldkistje van de groep.

30Meteen liep Judas weg, met het stuk brood in zijn hand. Het was nacht.

Jezus krijgt de hoogste eer

31-32Toen Judas weg was, zei Jezus: ‘Nu krijgt de Mensenzoon de hoogste eer. En door hem krijgt God alle eer. Daarom zal God de plaats naast zich in de hemel aan de Mensenzoon geven. Dat zal snel gebeuren.

33Lieve vrienden, ik zal nog maar kort bij jullie zijn. Daarna zullen jullie mij zoeken. Maar ik zeg tegen jullie hetzelfde als tegen de Joden: Waar ik naartoe ga, daar kunnen jullie niet komen.

34Ik geef jullie een nieuwe regel: Houd van elkaar. Jullie moeten net zo van elkaar houden als ik van jullie gehouden heb. 35Dan zal iedereen kunnen zien dat jullie mijn leerlingen zijn.’

Petrus wil Jezus volgen

36Simon Petrus vroeg: ‘Heer, waar gaat u dan naartoe?’ Jezus antwoordde: ‘Ik ga naar een plaats waar jij nu nog niet kunt komen. Maar later zul je mij daarheen volgen.’

37Petrus vroeg: ‘Heer, waarom kan ik niet meteen met u mee? Ik wil zelfs mijn leven voor u geven!’ 38Jezus zei: ‘Wil jij je leven voor mij geven? Luister heel goed naar mijn woorden: Voordat de haan kraait, zul jij drie keer zeggen dat je mij niet kent!’