Bijbel in Gewone Taal (BGT)
50

Over Babylonië

501Hier volgt wat de profeet Jeremia zei over de stad Babel en het land Babylonië. Hij vertelde wat de Heer tegen hem gezegd had.

Op een dag is er nieuws over Babel

2Op een dag zal er groot nieuws zijn over Babel. Iedereen zal het horen. Het zal overal op aarde bekendgemaakt worden. Het mag niet verborgen blijven, alle volken moeten het horen. Dit zal het nieuws zijn: ‘De stad Babel is veroverd! De god Bel wordt bespot, net als de andere goden van Babylonië. Alle afgodsbeelden zijn aan stukken geslagen!’

3Ja, Babel zal aangevallen worden door de volken uit het verre noorden. Het hele land zal veranderen in een woestijn. Dan woont er niemand meer, alle mensen en dieren zijn weggevlucht.

Het einde van Babel als nieuw begin

4De Heer zegt: ‘Op een dag zullen al die dingen gebeuren. Dan zullen de Israëlieten en de Judeeërs de stad Babel verlaten. Ze zullen huilend op weg gaan, terug naar hun eigen land. Dan willen ze weer dat ik, de Heer, hun God ben.

5Ze vragen de weg naar Jeruzalem, daar willen ze naartoe. Als ze daar komen, zullen ze mij weer gaan vereren. Dan maak ik met mijn volk een nieuwe afspraak. Die afspraak blijft eeuwig gelden, en mijn volk zal zich er altijd aan houden.’

Het ging slecht met Gods volk

6-7De Heer zegt: ‘Mijn volk leek op een kudde verdwaalde schapen. En hun koningen leken op slechte herders, die hun schapen expres laten verdwalen. Mijn volk was de weg kwijt, ze dachten niet meer aan mij. Ze leken op schapen die hun stal niet meer kunnen vinden, en die gegrepen worden door wilde dieren. Net zo werd mijn volk gegrepen door vijanden.

Die vijanden zeiden: ‘Wij hebben geen schuld! Want dat volk is zelf in opstand gekomen tegen de Heer. Terwijl hij de enige is bij wie ze echt veilig zijn! Hij is de Heer op wie hun voorouders vertrouwden.’’

Er komt een aanval op Babel

8De Heer zegt: ‘Judeeërs, vlucht weg uit de stad Babel, verlaat het land Babylonië! Zorg dat jullie de eersten zijn die het land uit vluchten.

9Want ik zal de machtige volken uit het verre noorden bij elkaar brengen. Ik stuur hun legers naar Babel. Het zijn dappere soldaten, hun pijlen raken altijd het doel. Ze zullen de stad aanvallen en veroveren. 10Daarna zullen ze het hele land leegroven. Ze zullen alles meenemen wat ze willen.’

Babylonië zal bespot worden

11De Heer zegt: ‘Babyloniërs, jullie hebben mijn land leeggeroofd. O, wat waren jullie toen vrolijk, wat juichten jullie hard! Jullie konden je gang gaan, en jullie genoten ervan.

12Maar straks wordt jullie eigen volk door iedereen bespot. Ja, dan wordt jullie volk vernederd. Het wordt het onbelangrijkste volk op aarde. En jullie land wordt een dorre en droge woestijn.’

13Er zal niemand meer wonen in Babel, de stad wordt één grote woestijn. Want de Heer is woedend op Babel. Iedereen die de verwoeste stad ziet, zal beven van angst en zich snel omdraaien.

Gods opdracht voor de vijanden

14Vooruit, volken uit het verre noorden, maak je klaar voor de aanval op Babel! Pak allemaal je boog, en schiet. Schiet zo veel pijlen af als je kunt. Want de inwoners van Babel zijn tegen de Heer in opstand gekomen.

15Vooruit, vijanden van Babel! Omsingel de stad en roep: ‘Aanvallen!’ Dan zal de stad zich overgeven. Laat de torens omvallen, haal de muren omver. Doe met de Babyloniërs wat zij zelf met anderen gedaan hebben. Dat is de straf die de Heer heeft bepaald. 16Dood iedereen die op de akkers werkt, zodat er geen voedsel meer is in het land.

Dan zullen alle vreemdelingen in Babylonië vluchten voor het dodelijke geweld. Ze zullen wegvluchten naar hun eigen volk en naar hun eigen land.

God brengt zijn volk terug

17Het volk van Israël leek op een opgejaagd schaap dat door twee leeuwen gegrepen werd. De eerste leeuw verscheurde het schaap. Dat was de koning van Assyrië, die Israël veroverde. Toen kwam de tweede leeuw, die de resten van het schaap opvrat. Dat was Nebukadnessar, de koning van Babylonië, die Israël helemaal vernietigde.

18Maar de Heer, de machtige God van Israël, zegt: ‘Ik ga Nebukadnessar en zijn land straffen. Net zoals ik vroeger de koning van Assyrië gestraft heb. 19En ik zal de Israëlieten terugbrengen naar hun eigen land. Ze zullen wonen in de vruchtbare gebieden: in het bergland van Karmel en Basan, in het bergland van Efraïm, en in Gilead. Ze zullen weer genoeg te eten hebben.

20In die tijd zal de schuld van Israël verdwenen zijn. Ook de misdaden van Juda zullen er niet meer zijn. Want ik zal alle mensen die ik in leven laat, vergeven.’

Gods besluit over Babylonië

21De Heer zegt tegen de volken uit het verre noorden: ‘Val Babylonië aan, want dat land is tegen mij in opstand gekomen. Grijp de Babyloniërs, want ze verdienen straf. Sla ze neer, achtervolg ze, dood ze allemaal! Doe alles wat ik jullie gezegd heb.’

22Overal klinkt het lawaai van de oorlog. Alles in het land wordt met geweld vernietigd.

23Ach, Babyloniërs! Jullie gingen met geweld tekeer tegen alle volken op aarde, net als een hamer die alles kapotslaat. Maar nu worden jullie zelf helemaal vernietigd! Alle volken zullen schrikken als ze zien wat er met jullie gebeurt.

24Luister, Babyloniërs! Jullie zijn in de val gelopen zonder dat jullie het merkten. En nu kunnen jullie niet meer ontsnappen. Jullie hebben het jezelf aangedaan. Want jullie hebben ruzie gezocht met de Heer, 25en nu is hij woedend op jullie. Hij heeft al zijn legers op jullie afgestuurd. God, de machtige Heer, heeft besloten om jullie te straffen.

De straf voor Babel

26De Heer zegt: ‘Val Babel aan, van alle kanten! Breek alle poorten open en haal de stad leeg. Gooi alles op grote hopen en vernietig het! Alles en iedereen moet vernietigd worden. Er mag niets overblijven.

27Breng alle leiders van Babel de stad uit, en steek ze neer. Het moment van hun straf is gekomen. Dit is de dag van hun dood.’

28De Judeeërs die uit Babylonië wegvluchten, gaan naar Jeruzalem. Hoor wat ze daar roepen: ‘De Heer, onze God, heeft wraak genomen op de Babyloniërs. Hij heeft hen gestraft omdat ze zijn tempel verwoest hebben!’

De aanval op Babel

29De Heer zegt: ‘Verzamel alle soldaten die met pijl en boog schieten. Ze moeten Babel van alle kanten aanvallen. Laat niemand uit de stad ontsnappen. Straf de inwoners van Babel voor hun misdaden. Doe met hen wat zij zelf met anderen gedaan hebben.

Ze deden alsof ze machtiger waren dan ik, de Heer, de heilige God van Israël. 30Daarom zorg ik ervoor dat alle sterke mannen in de stad gedood worden. Alle soldaten van Babel zullen sterven.’

31God, de machtige Heer, zegt: ‘Ik ga Babel straffen, die trotse stad! Het einde is gekomen, dit is het moment van de straf. 32Babel zal veroverd en verwoest worden. Niemand zal die trotse stad te hulp komen. En alle steden rond Babel laat ik afbranden. De hele omgeving zal door vuur verwoest worden.’

God komt zijn volk bevrijden

33De machtige Heer zegt: ‘De Israëlieten en de Judeeërs worden onderdrukt. Vijanden hebben hen meegenomen naar een ver land. Daar zitten ze gevangen, hun vijanden laten hen niet gaan.

34Maar ze hebben een sterke bevrijder. Dat ben ik, de machtige Heer. Ik ga ervoor zorgen dat ze weer goed behandeld worden. Ik zal rust brengen op aarde. Maar voor de inwoners van Babel breng ik grote paniek.’

Oorlog voor Babylonië

35De Heer zegt: ‘De oorlog zal Babylonië treffen! De oorlog zal de inwoners van Babel treffen, en al hun leiders en wijze mannen. 36De oorlog zal hun waarzeggers treffen, zodat die uitgelachen worden. De oorlog zal hun dappere helden treffen, zodat die beven van angst. 37De oorlog zal al hun paarden en wagens treffen. De oorlog zal al hun buitenlandse soldaten treffen, zodat die zo zwak worden als vrouwen. De oorlog zal al hun schatkamers treffen, zodat die leeggeroofd worden.

38En droogte zal hun rivieren treffen, zodat daar geen water meer in staat.’

Een plek voor wilde dieren

De Heer zegt: ‘Babylonië is een land vol afgodsbeelden. Door die vreselijke beelden zijn alle mensen daar gek geworden. 39Het zal slecht aflopen met dat land. Het wordt een plek waar wilde dieren leven, een plek voor woestijndieren, wilde honden en struisvogels. Nooit meer zullen er mensen wonen. Het land blijft voor eeuwig onbewoond.

40Ik ga Babylonië volledig verwoesten, net zoals ik deed met Sodom en Gomorra, en de steden daar vlakbij. Dan woont er niemand meer in Babylonië, geen mens wil daar nog zijn.’ Dat heeft de Heer gezegd.

De aanval op Babel

41Er komen veel koningen met hun legers naar Babel toe. Ze komen uit het verre noorden, van de andere kant van de aarde. Hun soldaten staan klaar voor de strijd. 42Ze zijn hard, ze kennen geen medelijden. Hun geschreeuw klinkt als het gebulder van de zee. Ze komen eraan op hun snelle paarden, klaar om te vechten met hun bogen en zwaarden. Ze zullen vechten tegen de inwoners van Babel!

43De koning van Babylonië hoort dat de vijanden komen. Hij verliest de moed en wordt bang, doodsbang!

De aanval komt plotseling

44De Heer zegt: ‘Plotseling zal ik Babylonië aanvallen en alle Babyloniërs hun land uit jagen. Net zoals een leeuw plotseling uit de struiken tevoorschijn springt en alle schapen van een kudde wegjaagt.

Ik kan de Babyloniërs wel een koning geven, maar kan die hen ook beschermen? Nee, want niemand is sterker dan ik, geen enkele koning kan mij tegenhouden!

45Luister daarom naar het besluit dat ik over Babylonië genomen heb. Hoor wat ik van plan ben met de mensen in dat land. Het zal heel slecht met hen aflopen. Zelfs de kinderen zullen met geweld meegenomen worden. Mijn besluit staat vast.

46Wacht maar tot bekend wordt dat Babel veroverd is! Dan zal de aarde beven. Het geschreeuw van de Babyloniërs zal over de hele wereld te horen zijn.’

51

De aanval op Babylonië

511-2De Heer zegt: ‘Ik stuur legers uit verre landen naar Babylonië. Ze komen als een zware storm die de bewoners van dat land zal vernietigen. Ze zullen het land van alle kanten aanvallen op de dag van de ramp. Ze zullen alle Babyloniërs verjagen, en het land leeg achterlaten.

3Soldaten, val aan! Schiet pijlen af op elke Babyloniër die zijn boog pakt of zijn harnas aantrekt. Je mag geen medelijden hebben met de jonge mannen. Vernietig het hele leger! 4Overal in het land zullen mensen gedood worden, in alle straten zullen de dode lichamen liggen.’

5De heilige God van Israël zal Babylonië straffen voor zijn grote schuld. Want de machtige Heer is de redder van Israël en Juda. Hij laat zijn volk niet alleen.

Alle vreemdelingen verlaten de stad

6Luister, vreemdelingen in Babel! Vlucht weg uit de stad, vlucht weg om je leven te redden. Want Babel wordt gestraft, de tijd van Gods wraak is gekomen. De stad krijgt de straf die ze verdient.

7De Heer gebruikte Babel om de volken te straffen. Babel leek op een gouden beker vol wijn, waarmee de Heer de hele wereld dronken voerde. Alle volken werden gek van angst. 8Maar toen werd Babel opeens zelf aangevallen en vernietigd.

Huil maar, vreemdelingen, huil maar om Babel! Of is Babel misschien nog te redden? Kunnen jullie nog iets doen voor de stad?

9Maar de vreemdelingen in Babel zeggen: ‘We probeerden Babel te redden, maar het is niet gelukt. Nu laten we de stad achter, we gaan terug naar ons eigen land. Want dit is geen gewone straf. Dit is het werk van hogere machten.’

10En de Judeeërs en Israëlieten zeggen: ‘De Heer heeft ons van de Babyloniërs bevrijd! Kom mee, we gaan naar Jeruzalem. Daar gaan we vertellen wat de Heer, onze God, heeft gedaan.’

De Meden vallen aan

11De Heer laat de koningen van de Meden in actie komen om Babel te vernietigen. Zo straft de Heer de Babyloniërs. Het is hun verdiende loon, omdat ze de tempel van de Heer verwoest hebben.

Mannen, pak jullie scherpe pijlen, neem ze mee. 12Val Babel aan! Laat nog meer soldaten komen, omsingel de stad aan alle kanten. Sta klaar om plotseling aan te vallen. Want de Heer gaat doen wat hij gezegd heeft. Hij zal zijn besluit over Babel uitvoeren.

13O, Babel, rijke stad aan de grote rivier! Je einde is gekomen, je zult niet langer bestaan. 14Want dit is het besluit van de machtige Heer: ‘De stad Babel zal vol mensen zijn. Ontelbaar veel mensen, die de stad komen verwoesten. Dat is zo zeker als ik leef!’

De Heer is anders dan de andere goden

15De Heer die machtig en wijs is, heeft de hemel en de aarde gemaakt. Hij zette de aarde vast, en plaatste de hemel daarboven. 16Als de Heer spreekt, stroomt het water uit de hemel. De wolken haalt hij van ver, van het einde van de aarde. De Heer brengt ook de regen en de bliksem, en uit zijn hemel stuurt hij de wind.

17Daarom is het dom om beelden te vereren. De kunstenaars moeten zich schamen voor wat ze gemaakt hebben. Want die beelden zijn niet echt, er zit geen leven in. 18Ze zijn waardeloos. Als het moment van de straf komt, zullen ze van de aarde verdwijnen.

19De God van Israël is heel anders. Hij heeft alles gemaakt, en Israël is zijn eigen volk. Zijn naam is: Machtige Heer.

Babylonië was het wapen van de Heer

20De Heer zegt tegen de koning van Babylonië: ‘Jij leek op een hamer in mijn hand. Je was het wapen waarmee ik volken vernietigde en landen verwoestte.

21Ik gebruikte je om alles te vernietigen: paarden en ruiters, wagens en hun bestuurders. 22Ik gebruikte je om alles te vernietigen: mannen en vrouwen, jongens en meisjes, jong en oud. 23Ik gebruikte je om alles te vernietigen: herders en hun schapen, boeren en hun koeien, bestuurders en leiders.’

24Dit zegt de Heer tegen de Judeeërs in Babel: ‘Nu zullen jullie meemaken dat ik de stad Babel en alle Babyloniërs straf. Ik ga ze straffen voor alles wat ze Jeruzalem hebben aangedaan.’

Gods straf voor Babel

25De Heer zegt: ‘Ik ga Babel straffen, de machtige stad! De inwoners van Babel hebben overal op aarde verwoesting gebracht. Ze hebben alles vernietigd. Nu zal de stad zelf met geweld vernietigd worden! Want ik, de Heer, maak een eind aan Babels macht. De machtige stad wordt een brandende stad.

26Babel wordt voor altijd een verlaten plek. Mensen zullen er zelfs geen stenen zoeken om een huis mee te bouwen.’

Een enorm leger komt naar Babel toe

27Blaas overal op de trompet, waarschuw de hele wereld! Alle volken moeten zich klaarmaken voor de aanval op Babel. Roep de landen uit het verre noorden erbij: Ararat, Minni en Askenaz. Wijs generaals aan om de aanval te leiden. Verzamel alle sterke paarden voor de aanval.

28Laat de volken zich klaarmaken voor de strijd. Roep de koningen van de Meden, met al hun leiders en bestuurders, en alle volken die hen moeten gehoorzamen.

29De aarde beeft, er is grote paniek. Want de Heer voert zijn besluit over Babylonië uit. Dat land wordt een woestijn, een plaats waar niemand woont.

Babel wordt veroverd

30De dappere soldaten van Babylonië vechten niet meer. Ze blijven in hun schuilplaatsen zitten. Hun kracht is verdwenen, het lijken wel vrouwen! Intussen worden de huizen in brand gestoken, en worden de poorten met geweld opengebroken.

31Er komt een boodschapper aangerend, en daar nog één, en nog één. Van alle kanten rennen ze naar het paleis in Babel. Ze vertellen de koning het slechte nieuws: ‘De vijanden zijn van alle kanten de stad binnengekomen! 32We kunnen geen kant meer op. Alle bruggen buiten de stad zijn veroverd, en de velden rond de stad staan in brand. De soldaten zijn in paniek.’

33Dit zegt de machtige Heer, de God van Israël: ‘Het moment van Babels verwoesting komt eraan. Alles is er klaar voor.’

Wraak voor Jeruzalem

34De inwoners van Jeruzalem zeggen: ‘Koning Nebukadnessar heeft onze stad aangevallen. Hij heeft Jeruzalem leeggeroofd. Al ons bezit en al onze rijkdom heeft hij meegenomen. Hij leek wel een monster dat alles opvrat. De mensen uit Jeruzalem nam hij mee als gevangenen. De stad bleef achter, leeg en verwoest.

35Heer, straf de inwoners van Babel voor het geweld dat ons is aangedaan! Straf de Babyloniërs voor alle doden in Jeruzalem!’

36De Heer zegt: ‘Ik zal de Babyloniërs straffen, omdat ze jullie slecht behandeld hebben. Ze krijgen hun verdiende loon. Ik laat de grote rivier opdrogen, er zal daar geen water meer stromen. 37Babel wordt een berg stenen, een plaats voor wilde dieren. Iedereen die ervan hoort, zal schrikken. De stad zal door iedereen bespot worden, omdat er niemand meer woont.’

Het einde van de Babyloniërs

38-39De Heer zegt: ‘Jarenlang gingen de Babyloniërs tekeer als brullende leeuwen. Altijd wilden ze meer, meer, meer. En nu zal ik ze geven waar ze om vragen. Het zal lijken of er een groot feestmaal is met veel wijn. Het zal lijken alsof de Babyloniërs dronken worden, en vrolijk in slaap vallen. Maar ze zullen nooit meer wakker worden. Zo zal ik hen straffen! 40Ik zorg ervoor dat ze allemaal sterven, als schapen en lammeren die geslacht worden.’

Babel wordt vernietigd

41Alle volken zullen schrikken van wat er met Babel gebeurt. Ze zullen zeggen: ‘Ach, de beroemdste stad op aarde is door vijanden veroverd!’

42Er komt een machtig leger naar Babel toe, een massa soldaten zal de stad verwoesten. 43Alle steden in de omgeving zullen in een woestijn veranderen. Het land wordt dor en droog. Er zal helemaal niemand meer wonen, geen mens wil daar nog komen.

44De Heer zegt: ‘Ik zal Bel, de god van Babel, straffen. Uit de hele wereld kwamen mensen om hem te eren, maar dat is afgelopen! Alle schatten en bezittingen die hij geroofd heeft, pak ik van hem af. Dat zal gebeuren als de sterke muren van Babel vallen.

45Mijn volk, vlucht weg uit Babel! Vlucht weg om je leven te redden. Want ik ben woedend, ik ga de stad straffen.’

Waarschuwing voor de Judeeërs

46Dit zegt de Heer tegen de Judeeërs in Babylonië: ‘Luister wat er zal gebeuren! Verschillende koningen zullen met elkaar strijden om de macht. Er zal veel geweld zijn in Babylonië. Je zult steeds verhalen horen over strijd en geweld in het land. Het ene jaar hoor je dit, het volgende jaar hoor je dat.

Schrik niet van die berichten, wees niet bang. 47Want nog even, en dan zal ik de afgoden van Babel straffen. Alle inwoners van Babel zullen sterven door geweld. Zo zal het hele volk van Babylonië vernederd worden.

48De vijanden uit het verre noorden zullen naar Babel komen. Ze zullen de stad vernietigen. Als dat gebeurt, zal iedereen juichen, in de hemel en op aarde.’

De afgoden van Babel worden gestraft

49Al die doden in Israël, al die doden in de hele wereld! Ze werden gedood omdat Babel de macht wilde. Daarom moet Babel verwoest worden!

50Judeeërs in Babel, jullie zullen ontsnappen aan het geweld. Maar blijf dan niet staan, ga op weg naar Juda. Bid tot de Heer, ook al ben je ver van huis. En noem Jeruzalem weer je eigen stad.

51Jullie zeggen: ‘Wij worden uitgelachen, bespot en vernederd. Wij schamen ons voor wat er in Jeruzalem gebeurd is. Want de Babyloniërs zijn daar met geweld de tempel van de Heer binnengegaan.’

52Maar luister nu naar wat de Heer zegt: ‘Ik ga de afgoden van Babel straffen. Overal in Babylonië zal geschreeuw klinken van mensen die vermoord worden.

53Babel is de stad met de allerhoogste muren en torens. Maar al kwamen die tot in de hemel, dan nog zou ik vijanden sturen om de stad te verwoesten.’

De verwoesting van Babel

54Uit Babel klinkt geschreeuw om hulp. In heel Babylonië klinkt het geluid van geweld en verwoesting. 55De Heer vernietigt Babel, hij laat het doodstil worden in die grote stad. Een machtig leger komt op Babel af, als de golven van een woeste zee. Overal klinkt het geschreeuw van de soldaten.

56De vijand komt om Babel te verwoesten. De soldaten van Babel worden gevangengenomen, hun pijlen en bogen worden gebroken. Want de Heer is een God die zijn vijanden straft. Hij geeft mensen de straf die ze verdienen.

Het einde van Babel

57Dit zegt de machtige Heer, de enige koning: ‘Ik zal de leiders van Babylonië straffen! Ik straf alle wijze mannen en bestuurders, alle ministers en alle legerleiders. Het zal lijken alsof ze dronken worden, en voor altijd in slaap vallen. Zo zullen ze sterven!

58De dikke muren van Babel zullen worden afgebroken, steen voor steen. De hoge poorten worden helemaal verbrand.’

Luister! De volken op aarde doen veel moeite, maar het is allemaal voor niets. Alles wat ze opbouwen, zal door vuur verwoest worden.

Het boek met de rampen

59De profeet Jeremia gaf een opdracht aan Seraja, de zoon van Neria en de kleinzoon van Machseja. Dat gebeurde toen Sedekia vier jaar koning van Juda was. In die tijd moest koning Sedekia naar de stad Babel toe. Seraja, die op reis alles moest regelen, ging mee.

60Jeremia had alle rampen die er voor Babel zouden komen, opgeschreven in een boek. Daarin stond precies hetzelfde als wat er ook in dit boek staat over Babel.

61Jeremia zei tegen Seraja: ‘Als je in Babel aangekomen bent, moet je het boek hardop voorlezen. 62Daarna moet je dit gebed uitspreken: ‘Heer, u hebt gezegd dat u deze stad gaat verwoesten. Er zal niemand meer wonen, geen mensen en ook geen dieren. Het zal voor altijd een woestijn worden.’

63Dan moet je het boek dat je hebt voorgelezen, vastbinden aan een steen. Gooi de steen met het boek in de rivier de Eufraat. 64En zeg daarbij namens de Heer: ‘Zo zal Babel zinken en nooit meer bovenkomen. Dat zal gebeuren door de rampen die ik, de Heer, over Babel zal brengen.’’

Hier eindigen de woorden van Jeremia.

52

Het einde van Juda

Sedekia wordt koning van Juda

521Sedekia werd koning van Juda toen hij 21 jaar oud was. Hij regeerde elf jaar vanuit Jeruzalem. Zijn moeder heette Chamutal. Zij was een dochter van Jirmeja, en ze kwam uit de stad Libna.

Sedekia is een slechte koning

2Sedekia deed dingen die de Heer slecht vond, precies zoals zijn vader Jojakim. 3Daardoor werd de Heer zo boos op de inwoners van Jeruzalem en Juda, dat hij niets meer met hen te maken wilde hebben.

De Babyloniërs vallen Jeruzalem aan

Sedekia kwam in opstand tegen koning Nebukadnessar van Babylonië.

4Toen viel Nebukadnessar met zijn hele leger Jeruzalem aan. Dat gebeurde toen Sedekia negen jaar koning was, op de tiende dag van de tiende maand. De soldaten van Nebukadnessar zetten hun tenten neer en omsingelden de stad.

Sedekia vlucht uit Jeruzalem

5-7Zo bleef het totdat Sedekia elf jaar koning was. Er kwam steeds meer honger in Jeruzalem, de mensen hadden niets meer te eten. Op de negende dag van de vierde maand van dat jaar sloegen de Babyloniërs een groot gat in de stadsmuur. Zo wilden ze de stad binnenkomen.

De stad was nog steeds aan alle kanten omsingeld. Maar toch konden alle soldaten van Sedekia de stad uit komen. Ze ontsnapten ’s nachts via de koninklijke tuinen door de poort tussen de twee stadsmuren. Samen met koning Sedekia vluchtten ze in de richting van de Jordaan.

Sedekia wordt gevangengenomen

8Maar het leger van de Babyloniërs ging achter Sedekia aan. In de buurt van Jericho haalden ze hem in. De soldaten van Sedekia vluchtten alle kanten op, 9maar Sedekia zelf werd gevangengenomen. Ze brachten hem naar koning Nebukadnessar, in de stad Ribla in het land Hamat. Nebukadnessar bepaalde welke straf Sedekia zou krijgen.

10Eerst moest Sedekia zien hoe zijn eigen zonen vermoord werden, en ook alle leiders van Juda. 11Toen werden zijn ogen uitgestoken. Daarna werd hij vastgebonden met kettingen, en naar Babel gebracht.

Nebukadnessar liet hem in de gevangenis zetten. Daar bleef Sedekia tot aan zijn dood.

Jeruzalem wordt verwoest

12Op de tiende dag van de vijfde maand trok Nebuzaradan, de hoogste generaal van Nebukadnessar, de stad Jeruzalem binnen. Nebukadnessar was toen negentien jaar koning van Babylonië.

13Nebuzaradan stak de tempel van de Heer in brand. En ook het koninklijk paleis, de grote gebouwen en alle huizen in Jeruzalem. 14Daarna liet hij zijn soldaten alle stadsmuren afbreken.

15Alle inwoners van de stad die nog in leven waren, werden door Nebuzaradan als gevangenen meegenomen. Ook de arme mensen werden meegenomen, en de allerlaatste timmermannen uit de stad. Ook de Judeeërs die de kant van de Babyloniërs gekozen hadden, moesten mee. 16Alleen de armste mensen mochten in het land blijven. Zij moesten voor de wijngaarden en de akkers zorgen.

De tempel wordt leeggehaald

17-23De Babyloniërs wilden al het brons uit de tempel van de Heer meenemen. Daarom sloegen ze de twee bronzen zuilen kapot die bij de tempel stonden. De zuilen waren allebei 9 meter hoog en hadden een omtrek van 6 meter. Van binnen waren ze hol, en hun wand was 8 centimeter dik. Boven op elke zuil stond een bronzen sierstuk dat 2,5 meter hoog was. Om de sierstukken heen zat een bronzen vlechtwerk dat met appels van brons versierd was. In totaal zaten er honderd bronzen appels aan het vlechtwerk, en 96 daarvan waren zichtbaar.

De Babyloniërs sloegen ook de bronzen waskarren kapot, en de grote waterbak die ‘de Zee’ genoemd werd, met daaronder de twaalf bronzen stieren. Koning Salomo had die waskarren, de waterbak en ook de zuilen vroeger voor de tempel laten maken. Al dat brons was zo zwaar dat het niet te wegen was.

De Babyloniërs namen alles mee naar Babel. Ook de bronzen potten, scheppen, messen, schalen, kommen en alle andere voorwerpen van brons die in de tempel gebruikt werden. En ook alle voorwerpen die van goud of zilver waren. Dat waren de schalen voor de offers, de kandelaars, de vuurbakken, en alle potten, schalen, schotels en kommen. Generaal Nebuzaradan nam alles mee.

De belangrijkste mensen worden gedood

24Nebuzaradan nam een aantal belangrijke mensen gevangen: Seraja, die toen hogepriester was, Sefanja, de priester die hem moest vervangen, en de drie priesters die de ingang van de tempel moesten bewaken. 25Verder nam hij de volgende mensen uit de stad gevangen: een hoge legerleider, zeven raadgevers van de koning, de officier die het leger bij elkaar moest roepen, en zestig mannen uit belangrijke families.

26Die mensen werden door generaal Nebuzaradan naar koning Nebukadnessar gebracht, in de stad Ribla. 27De koning liet hen daar doden, in Ribla in het land Hamat.

Drie groepen Judeeërs worden meegenomen

De inwoners van Juda werden dus als gevangenen naar Babel gebracht. 28Toen Nebukadnessar zeven jaar koning was, liet hij een groep van 3023 Judeeërs naar Babel brengen. 29Toen hij 18 jaar koning was, liet hij een groep van 832 Judeeërs naar Babel brengen. 30En toen hij 23 jaar koning was, liet hij een groep van 745 Judeeërs naar Babel brengen. Dat waren de mensen die door generaal Nebuzaradan meegenomen werden. In totaal werden er 4600 Judeeërs meegenomen naar Babel.

Jojachin gaat naar het koninklijk paleis

31Koning Jojachin van Juda zat 37 jaar gevangen in Babel. Toen werd Ewil-Merodach koning van Babylonië. Op de 25ste dag van de twaalfde maand liet hij Jojachin vrij uit de gevangenis.

32Koning Ewil-Merodach was vriendelijk tegen Jojachin, en gaf hem een hoge plaats in zijn paleis. Jojachin werd belangrijker dan de andere koningen die als gevangenen naar Babel gebracht waren. 33Hij hoefde niet langer de kleren aan die hij in de gevangenis droeg. En hij mocht voortaan eten in het koninklijk paleis. Dat bleef verder zijn hele leven zo. 34De koning van Babylonië zorgde ervoor dat Jojachin elke dag kreeg wat hij nodig had, zijn hele leven lang, tot aan zijn dood.