Bijbel in Gewone Taal (BGT)
12

Jeremia’s vraag en Gods antwoord

121Ik zei tegen de Heer: ‘Heer, u bent een eerlijke rechter. Uw oordeel is altijd juist. Maar nu wil ik iets van u weten. Waarom gaat het met slechte mensen goed? Waarom genieten bedriegers van een fijn leven? Is dat eerlijk, Heer?

2U hebt die mensen het leven gegeven. Het gaat goed met hen, ze hebben succes. Ze eren u met mooie woorden, maar ze menen er niets van. 3Heer, u kent mij, u weet hoe ik leef en hoe ik van binnen ben. Ik vraag u, Heer, straf die slechte mensen. Breng ze weg als schapen die geslacht gaan worden, stuur ze naar het land van de dood.

4De misdaden van de mensen brengen ellende. Hoe lang gaat dat nog duren, Heer? Er groeit niets op het land. Bloemen en planten gaan dood. De dieren op het land en de vogels hebben niets meer te eten. En als ik de mensen vertel dat u hen gaat straffen, bedreigen ze mij met de dood.’

5Toen zei de Heer tegen mij: ‘Jeremia, het is nog veel erger dan je denkt. 6Want zelfs je eigen familie heeft je verraden, je eigen broers en zussen. Vertrouw hen niet, al doen ze nog zo vriendelijk. Want straks komen ze schreeuwend achter je aan.’

De straf van God

Het land is een woestijn geworden

7De Heer zegt: ‘Ik heb mijn volk verlaten. Ik heb mijn land achtergelaten. Ik heb mijn volk aan de vijanden uitgeleverd.

Vroeger hield ik ontzettend veel van mijn volk, 8-9maar nu haat ik het. Want de mensen zijn tegen mij in opstand gekomen. Ze verzetten zich als brullende leeuwen, als een stel wilde dieren. Daarom heb ik vijanden laten komen. Zij bedreigen mijn volk, als roofvogels die op zwakke dieren jagen. De vijanden zijn gekomen om het land te verwoesten.

10Koningen hebben met hun legers het land verwoest. Ze hebben het vernietigd, ze hebben van mijn mooie land een droge woestijn gemaakt. 11Het hele land is een woestijn geworden, het is leeg en verlaten. Het is vernietigd, en er is niemand die zich er druk om maakt.’

De Heer straft alle mensen op aarde

12Kijk naar de heuvels in de woestijn! Daar komen de vijanden, ze komen alles verwoesten, in opdracht van de Heer. Ze trekken rond over de hele aarde, zodat geen mens in vrede kan leven.

13De Heer is woedend op de mensen. Daarom is er niets te oogsten. Hoe hard de mensen ook gewerkt hebben, er komt alleen maar onkruid uit de grond. Al hun werk is voor niets geweest.

Straf voor de volken rondom Israël

14-16De Heer zegt: ‘Ook de volken die rondom Israël wonen, ga ik straffen. Want zij hebben Israëls land afgepakt, het land dat ik aan mijn volk gegeven heb. Daarom jaag ik al die volken weg uit hun land. En de mensen van Juda, die tussen hen in wonen, jaag ik ook weg. Want zij hebben van die volken geleerd om de god Baäl te vereren.

Ik jaag al die volken weg uit hun land. Maar na een tijd zal ik medelijden met ze hebben. Dan laat ik ze allemaal weer naar hun land teruggaan. Dan moeten ze van mijn volk leren om goed te leven en mij te vereren. Als ze dat doen, zal ik ze bij mijn eigen volk laten wonen. 17Maar als ze niet luisteren, zal ik ze opnieuw wegjagen. Maar dan voor altijd.’

13

Uitleg over Gods straf

Jeremia moet een hemd verstoppen

131De Heer zei tegen mij: ‘Jeremia, je moet een hemd kopen van witte stof. Trek het aan en zorg ervoor dat het droog blijft.’ 2Ik deed wat de Heer gezegd had. Ik kocht een hemd en trok dat aan.

3Daarna sprak de Heer opnieuw tegen mij. Hij zei: 4‘Jeremia, je moet naar de rivier de Eufraat gaan met het hemd dat je gekocht hebt. Daar moet je het hemd verstoppen in een gat in de rotsen.’ 5Ik ging op weg en deed wat de Heer gezegd had. Ik verstopte het hemd bij de rivier.

Er is niets meer over van het hemd

6Een hele tijd later zei de Heer tegen mij: ‘Jeremia, ga terug naar de rivier. Je moet het hemd dat je daar verstopt hebt, weer tevoorschijn halen.’

7Ik ging terug naar de rivier. En ik haalde het hemd weer tevoorschijn uit het gat waarin ik het verstopt had. Maar er was niets meer van over, het was waardeloos geworden.

Juda en Jeruzalem lijken op het hemd

8Toen zei de Heer tegen mij: 9‘Van dat hemd is helemaal niets overgebleven. Zo zal er ook niets overblijven van de inwoners van Juda en Jeruzalem. Ik vernietig alles waar zij trots op zijn. 10Want ze zijn een slecht volk, dat niet wil luisteren. Ze doen alleen wat ze zelf willen. Ze zijn op zoek gegaan naar andere goden. Die vereren ze nu, en daar knielen ze voor. Het zal met hen net zo aflopen als met dit hemd waar je niets meer aan hebt.

11Ik heb de inwoners van Juda en Israël altijd heel dicht bij me gehouden. Net zoals een hemd dat strak om je lijf zit. Want ik wilde dat ze mijn volk zouden zijn. Dan zouden alle volken eerbied en respect voor mij krijgen. Maar mijn volk heeft niet naar mij geluisterd.’

De Heer is kwaad op Juda en Jeruzalem

12De Heer gaf me de opdracht om tegen de inwoners van Juda en Jeruzalem te zeggen: ‘Lekkere wijn! Laat de kruiken maar vol zijn! Dat zegt de Heer, de God van Israël.’

Toen de mensen het hoorden, zeiden ze: ‘Daar weten wij alles van. Lekkere wijn! Laat de kruiken maar vol zijn!’

13Toen moest ik dit zeggen: ‘Luister, inwoners van Juda en Jeruzalem. De Heer zegt: ‘Word maar dronken! Want zo veel wijn als jullie nu drinken, zo veel straf zal ik jullie geven. Jullie allemaal! Ook de koningen uit de familie van David, de priesters, de profeten en het hele volk. 14En zoals je kruiken tegen elkaar in stukken kunt slaan, zo zal ik jullie kapotslaan. Ouders en kinderen, iedereen. Ik zal geen verdriet of medelijden hebben. Nee, ik zal jullie allemaal vernietigen.’’

Jeremia waarschuwt de inwoners

15Inwoners van Juda en Jeruzalem, luister! Wees niet trots, maar luister naar de Heer. 16Geef eer aan de Heer, jullie God. Wacht daar niet mee, anders is het te laat. Dan komen de gevaren en de rampen. Dan hopen jullie op redding, maar dan brengt God een donkere tijd vol ellende.

17Maar jullie zijn trots. Jullie luisteren niet naar mijn waarschuwing. Daarom huil ik op een eenzame plaats. Ik huil van verdriet om jullie, het volk van de Heer. Want jullie zullen weggehaald worden uit je land.

Bericht voor de koning en zijn moeder

18Dit moest ik zeggen tegen de koning en tegen de moeder van de koning: ‘Kom van jullie troon af, ga op de grond zitten! Zet die prachtige kroon maar van je hoofd. 19Want de vijanden hebben de steden van Juda aangevallen. En er komt geen hulp. Alle inwoners van Juda worden meegenomen. Het hele volk wordt naar Babel gebracht!’

Bericht voor Jeruzalem

20Kijk, inwoners van Jeruzalem! Daar komen de vijanden uit het verre noorden. Wat blijft er over van jullie volk, het volk waar jullie zo trots op waren?

21Wat zullen jullie doen als de vijanden komen om jullie te straffen? Dan zullen jullie het uitschreeuwen van pijn, zoals een vrouw die een kind krijgt. Dan zijn de vijanden de baas in je stad, de stad waar jullie zo graag over opschepten.

22Jullie zullen vragen: ‘Waarom gebeuren die dingen met ons?’ Omdat jullie alleen maar slechte dingen doen. Jullie stad wordt leeggehaald en vernietigd. Jullie zullen je schamen voor je eigen stad.

23Kan een mens de kleur van zijn huid veranderen? Of een panter zijn vlekken? Nee! Met jullie is het net zo. Kwaad doen is voor jullie zo normaal, dat jullie niet anders kunnen.

De Heer gaat Jeruzalem straffen

24Luister, inwoners van Jeruzalem. De Heer zegt: ‘Net zoals de wind stro overal naartoe blaast, zo zal ik jullie over de wereld verspreiden. 25Dat heb ik besloten, dat ga ik met jullie doen. Want jullie zijn mij vergeten, jullie vertrouwden op afgoden.

26Ik zal ervoor zorgen dat jullie stad wordt leeggehaald en vernietigd. Jullie zullen je schamen voor je eigen stad.

27Want jullie hebben afschuwelijke dingen gedaan. Ik heb het wel gezien! Jullie hebben mij bedrogen met andere goden. Jullie vereerden die afgoden overal in het land. Ja, Jeruzalem is en blijft een stad vol kwaad. Daarom zal ik jullie straffen.’

14

Een tijd van droogte

141Hier volgen de woorden van de Heer die Jeremia moest zeggen. Ze gaan over de tijd dat het in Juda zo droog was, dat er niets groeide op het land.

Het is zo droog dat er niets groeit

2Het gaat slecht met de inwoners van Juda en Jeruzalem, het gaat slecht met hun land. Daarom hebben ze zwarte kleren aangetrokken en zitten ze op de grond. Ze klagen en jammeren.

3Rijke mensen sturen hun knechten om water te halen. Die gaan naar de putten buiten de stad. Maar ze vinden geen water. Ze komen terug met lege kruiken. Ze zijn wanhopig, ze durven niet naar huis terug te gaan.

4Iedereen is in paniek. Er groeit niets op het land, omdat het niet geregend heeft. De oogst is mislukt, de boeren zijn wanhopig. 5Ook voor de dieren is er niets te eten. Herten laten zelfs hun jongen in de steek, omdat ze geen eten kunnen vinden. 6Op de kale heuvels zoeken de wilde ezels naar gras. Ze hijgen, ze happen naar adem. Ze zijn blind van de honger.

De Heer moet zijn volk helpen

7Heer, help ons! Niet omdat wij het verdienen, want wij hebben veel kwaad gedaan. We zijn u vaak ontrouw geweest en we deden steeds het verkeerde. Maar help ons alstublieft! Dan zal iedereen zien hoe machtig u bent.

8Heer, u bent onze enige hoop. U bent onze redder als wij in gevaar zijn. Waarom helpt u ons niet? Waarom doet u niets? Het lijkt alsof u niets met ons te maken wilt hebben. 9U lijkt wel een man die in paniek is, een soldaat die niet kan helpen.

U bent toch bij ons, Heer? Wij zijn toch uw volk? Laat ons niet alleen!

De Heer wil niet luisteren

10Volk van Israël, dit heeft de Heer over jullie gezegd: ‘Mijn volk houdt ervan om van mij weg te lopen. Ze doen altijd wat ze zelf willen. Ik zal niet langer goed voor hen zijn. Ik ga hen straffen voor al hun misdaden.’

11Toen zei de Heer tegen mij: ‘Jeremia, bid niet voor dit volk. Vraag mij niet om hen te redden. 12Hoeveel ze ook bidden en vasten, ik luister niet. En al hun geschenken en offers, die wil ik niet. Ik ga mijn volk vernietigen door oorlog, hongersnood en ziektes.’

De profeten hebben leugens verteld

13Ik zei: ‘Heer, mijn God, u weet toch wat de profeten zeggen tegen de inwoners van Jeruzalem? Ze zeggen: ‘Er komt hier geen oorlog en ook geen hongersnood. De Heer geeft ons vrede. We zijn veilig.’’

14Toen zei de Heer tegen mij: ‘Die profeten zeggen dat ze namens mij spreken, maar ze liegen. Ik heb hen niet gestuurd, ik heb hun geen opdracht gegeven, ik heb niet tegen hen gesproken. Zij vertellen de mensen leugens over wat er zal gebeuren. Het zijn mooie praatjes die ze zelf verzonnen hebben. Het zijn dromen die ze zelf bedacht hebben. 15Ze zeggen tegen de inwoners van Jeruzalem: ‘Er komt hier geen oorlog en ook geen hongersnood.’

Maar de profeten die dat zeggen, zullen zelf door oorlog en hongersnood sterven. 16Net als de inwoners van Jeruzalem. Mannen, vrouwen en kinderen zullen dood op straat blijven liggen. Want er zal niemand meer zijn om hen te begraven.

Zo zal ik de profeten en de inwoners van Jeruzalem straffen voor hun slechtheid.’

Jeremia huilt om zijn volk

17Ik kan niet stoppen met huilen, mijn tranen stromen dag en nacht. Want er is een vreselijke ramp over mijn volk gekomen. Het komt nooit meer goed!

18Overal waar ik kom, zie ik doden liggen. Buiten de stad liggen ze op het veld, gedood in de oorlog. In de stad liggen ze op straat, gestorven van de honger. En de profeten en de priesters zijn verdwenen naar een onbekend land.

Het volk vraagt de Heer om hulp

19De inwoners van Juda zeggen: ‘Wij hoopten op vrede, we hoopten dat het goed zou komen. Maar er kwam geen vrede, alleen maar angst. Heer, waarom hebt u ons zo zwaar gestraft dat het niet meer goed kan komen? Mogen wij uw volk niet meer zijn? Mag Jeruzalem uw stad niet meer zijn?

20Heer, we weten dat we slechte mensen zijn, net als onze voorouders. We zijn niet trouw geweest aan u. 21Maar laat uw volk niet in de steek, Heer. Laat iedereen zien hoe machtig u bent. En bescherm uw heilige tempel. U hebt ons toch beloofd dat u onze God zou zijn? Vergeet uw belofte niet!

22Die waardeloze goden van andere volken kunnen niet voor regen zorgen. En regen komt ook niet vanzelf uit de lucht. U zorgt voor regen, Heer, onze God, en ook voor alle andere dingen. Daarom hopen wij op uw hulp, Heer.’