Bijbel in Gewone Taal (BGT)

11-3Jeremia, de zoon van Chilkia, was een profeet. Hij kwam uit een familie van priesters uit Anatot, een plaats in het gebied Benjamin.

De Heer maakte zijn boodschap aan Jeremia bekend. Dat begon toen Josia, de zoon van Amon, dertien jaar koning van Juda was. En de Heer bleef dat doen zolang Josia koning was. En ook daarna, toen Josia’s zonen Jojakim en Sedekia koning waren. Sedekia was de laatste koning van Juda. Toen hij elf jaar koning was, werden de inwoners van Jeruzalem als gevangenen meegenomen naar Babel. Dat gebeurde in de vijfde maand van dat jaar.

Alles wat Jeremia namens de Heer gezegd heeft, staat in dit boek.

Jeremia wordt Gods profeet

De Heer heeft Jeremia uitgekozen

4De Heer zei tegen mij: 5‘Jeremia, ik geef je een bijzondere taak. Ik heb jou al uitgekozen voordat je geboren was. Zelfs al voordat ik je liet groeien in de buik van je moeder! Jij moet profeet zijn voor alle volken.’

6Ik zei: ‘Nee, Heer, mijn God! Dat kan ik niet, daar ben ik te jong voor.’ 7Maar de Heer zei: ‘Zeg niet dat je te jong bent, maar doe wat ik zeg. Ga naar iedereen toe naar wie ik je stuur. En zeg tegen hen alles wat ik je zeg. 8Je hoeft voor niemand bang te zijn, want ik ben bij je. Ik zal je redden als je in gevaar bent.’

9Toen stak de Heer zijn hand uit en hij raakte mijn mond aan. Hij zei tegen mij: ‘Ik leg mijn woorden in jouw mond. 10Vanaf nu heb jij macht over alle landen en volken. Je hebt de macht om volken weg te halen uit hun land, en om alles af te breken, te vernietigen en kapot te maken. Maar je hebt ook de macht om volken terug te laten gaan naar hun land, en om alles weer op te bouwen.’

De Heer vertelt wat hij besloten heeft

11De Heer vroeg aan mij: ‘Wat zie je daar, Jeremia?’ Ik zei: ‘Ik zie een bloeiende tak.’ 12En de Heer zei: ‘Dat heb je goed gezien. De bloemen van die tak zijn uitgekomen. Zo zal ook alles wat ik zeg, uitkomen.’

13Opnieuw vroeg de Heer aan mij: ‘Wat zie je daar?’ Ik zei: ‘Ik zie in het verre noorden een hete pan op een vuur. Die pan kookt over!’ 14Toen zei de Heer tegen mij: ‘Uit het noorden komt een ramp voor alle mensen in het land. 15Want ik haal de legers van alle volken uit het noorden hiernaartoe. Ze zullen de poorten en de muren van Jeruzalem aanvallen, en ze zullen alle andere steden in Juda veroveren.

16Zo zal ik de inwoners van Juda straffen voor het kwaad dat ze gedaan hebben. Want ze hebben mij verlaten. Ze zijn andere goden gaan vereren, ze knielen voor beelden die ze zelf gemaakt hebben.’

Jeremia moet zich klaarmaken

17De Heer zei tegen mij: ‘Maak je klaar, Jeremia. Ga naar de inwoners van Juda en vertel hun alles wat ik je zeg. Laat je door hen niet bang maken, maar doe wat ik zeg. Anders zal ik jou pas echt bang maken.

18-19Let op! Ik maak jou zo sterk als een stad met dikke muren. Ik maak je zo sterk als een paal van ijzer, zo sterk als een muur van brons. Iedereen zal tegen je vechten: de koningen van Juda, de leiders, de priesters en het volk. Maar ze zullen je niet kunnen verslaan. Want ik ben bij je. Ik zal je beschermen tegen gevaar.’