Bijbel in Gewone Taal (BGT)

God geeft opnieuw een teken

Jesaja krijgt een opdracht

81De Heer zei tegen mij: ‘Jesaja, je moet een groot bord pakken. Daarop moet je met duidelijke letters schrijven: ‘Snel Weggehaald, Meteen Meegenomen’.’ 2Dat deed ik. Ik zorgde ervoor dat er twee mensen bij waren als getuigen. Dat waren de priester Uria en Zecharja, de zoon van Jeberechjahu.

3Daarna ging ik naar mijn vrouw. Ik sliep met haar en zij werd zwanger. Toen het kind geboren was, zei de Heer tegen mij: ‘Aan dit kind moet je de naam geven die je op het bord geschreven hebt. 4Want de koning van Assyrië zal gauw komen, al voordat het kind papa of mama kan zeggen. Die koning zal dan snel kostbare spullen uit Damascus en Samaria weghalen, en die meteen meenemen naar zijn eigen land.’

Assyrië zal Juda aanvallen

5De Heer zei ook tegen mij: 6‘De mensen in Juda vertrouwen niet meer op mij. Ze geloven niet dat ik voor vrede zal zorgen. Nee, ze vertrouwen alleen op die twee koningen, Resin en Pekach.

7-8Ik zal daarom het volgende doen: Ik stuur de koning van Assyrië op Juda af met een groot leger. Het leger zal komen als een wilde rivier die het land helemaal onder water zet. Zo zal dat leger het land helemaal veroveren! En dan zal iedereen in gevaar zijn.’

God zal bij ons zijn

Maar toch zal de Heer ons land beschermen. God zal bij ons zijn.

9Roep maar, volken op de aarde,

roep je soldaten maar bij elkaar.

Jullie zullen toch wel verslagen worden.

Luister, volken op de aarde,

maak je maar klaar voor de strijd.

Jullie zullen toch wel verslagen worden.

10Maak maar plannen met elkaar.

Die zullen toch niet doorgaan.

Maak maar afspraken met elkaar.

Die zullen toch niets helpen.

Want God zal bij ons zijn.

Jesaja moet kiezen voor de Heer

11Toen sprak de Heer mij moed in en zei: ‘Je moet niet meedoen met de mensen van je volk. 12Zij zeggen dat andere volken samenwerken om hun kwaad te doen. Maar jij moet dat niet zeggen. Zij zijn overal bang voor, maar jij hoeft niet bang te zijn. 13Alleen ik, de machtige God, ben heilig. Ik ben de enige voor wie je angst moet voelen en voor wie je eerbied moet hebben.

14Ik ben een heilige God, bij mij ben je veilig. Maar ik kan ook gevaarlijk zijn! Net zo gevaarlijk als een steen waaraan je je stoot, een rots waarover je struikelt, of een kuil waar je in valt. Ik zal zorgen dat de leiders van Israël en Juda zullen struikelen, en dat de inwoners van Jeruzalem zullen vallen. 15Veel mensen zullen struikelen en vallen. Dan zullen ze ernstig gewond raken of door vijanden gevangen worden genomen.’

Jesaja wil Gods woorden onthouden

16Ik wil deze woorden van God onthouden. Ik wil zijn lessen doorgeven aan mijn leerlingen. 17De Heer laat zich niet meer zien aan zijn volk. Maar ik blijf op hem wachten, ik blijf hopen dat hij komt.

18Volk van Israël, ik ben voor jullie een teken. Ik, samen met de kinderen die de Heer mij gegeven heeft. Door mijn waarschuwingen kunnen jullie zien wat de Heer wil. De machtige Heer, die op de berg Sion woont.

Luister niet naar waarzeggers

19Volk van Israël, luister. Misschien zeggen de mensen: ‘Jullie moeten naar waarzeggers toe gaan. Alle andere volken doen dat ook. Hun waarzeggers praten heel zacht en geheimzinnig. Want ze vragen de geesten van de doden om raad. De mensen die leven, vragen de doden om raad!’

20Maar luister niet naar die waarzeggers. Houd je alleen aan de lessen van de Heer. Houd je aan de lessen die ik voor jullie opgeschreven heb. Houd je alleen daaraan, want de woorden van die waarzeggers hebben geen enkele betekenis.

Overal is het donker

21-22De mensen zullen verdrietig en hongerig door het land zwerven. En omdat ze honger hebben, zullen ze boos worden. Boos op de koning en op God. Ze kijken omhoog en ze kijken naar de grond. Maar overal is het donker en somber. Alles is zwart. Er is nergens licht.

Het blijft niet overal donker

23Maar het blijft niet overal donker. Eens zal er een einde komen aan de slechte tijd in het land. Eerst was er veel ellende in het noorden van het land. Maar God zal zorgen dat het daar weer goed komt. Het zal ook goed komen in de landen aan de kust en in het gebied aan de overkant van de Jordaan. En zelfs in het gebied waar nu andere volken wonen.