Bijbel in Gewone Taal (BGT)
64

641Als u komt, zullen de vijanden weten hoe machtig u bent. U zult komen als een vuur dat takken laat branden, een vuur dat water laat koken! Als u komt, zullen de volken beven van angst. 2Want u zult grote wonderen doen. Wonderen waar wij niet meer op durfden te hopen. Als u uit de hemel komt, zullen ook de bergen beven.

3Nog nooit is er zoiets gebeurd. Nog nooit heeft iemand zoiets gehoord. U helpt mensen die op u vertrouwen. Nog nooit heeft een god zoiets gedaan.

4U komt naar mensen toe die goed willen leven. U helpt goede en eerlijke mensen, die dicht bij u willen leven.

Het volk heeft God verlaten

Maar nu bent u kwaad op ons, omdat wij alles verkeerd gedaan hebben. Waren we maar dicht bij u gebleven, dan zouden we gered zijn!

5Wij hebben niet gedaan wat u wilt. Alles wat we doen, is slecht. We zijn onrein geworden. We zijn bij u weggegaan, als dorre bladeren die ver weg waaien in de wind.

6Niemand van ons zoekt meer naar u, niemand vraagt u nog om hulp. U verbergt u voor ons. U hebt ons in de steek gelaten, en nu zijn we ver bij u vandaan.

Jesaja vraagt God om vergeving

7Heer, u bent onze vader, u hebt ons gemaakt! U hebt ons gevormd, zoals een pottenbakker iets moois vormt uit klei. 8Wees niet langer kwaad op ons. Denk niet langer aan alles wat we verkeerd gedaan hebben. Kijk naar ons! Wij zijn toch uw volk?

9Jeruzalem is verwoest, er is niets meer van over. De stad waar uw tempel stond, is een woestijn geworden. 10Ook de tempel zelf, waar onze voorouders u vereerden, is weg. Onze prachtige tempel is door vuur verwoest. En alles wat in de tempel stond, is vernield.

11Heer, waarom doet u niets? Waarom blijft u zwijgen? Waarom laat u ons zo lijden?’

65

Gods dienaren worden niet gestraft

Het volk blijft zich verzetten

651De Heer zegt: ‘Mijn volk heeft mij niet om raad gevraagd, maar toch ben ik er voor hen. Mijn volk bidt niet tot mij, maar toch zeg ik tegen hen: ‘Hier ben ik, hier!’ 2Ik sta elke dag voor hen klaar.

Maar mijn volk blijft zich tegen mij verzetten. Ze doen wat ze zelf willen, ze kiezen de verkeerde weg. 3Ze maken mij steeds weer kwaad. Want ze brengen offers in tuinen waar afgoden vereerd worden, en ze branden wierook op altaren van afgoden. 4’s Nachts gaan ze naar de begraafplaats om contact te krijgen met de doden. Ze eten varkensvlees en ander onrein voedsel.

5Tegen andere mensen zeggen ze: ‘Blijf waar je bent, kom niet te dicht bij ons. Want wij zijn te heilig voor jullie.’ Zo beledigen ze mij de hele tijd, ze maken me woedend!’

De Heer zal zijn volk straffen

6De Heer zegt tegen zijn volk: ‘Ik ga jullie straffen, dat staat vast. En ik houd pas op als jullie voor al je misdaden gestraft zijn.

7Ik zal jullie ook straffen voor de misdaden van jullie voorouders. Want ook zij hebben afgoden vereerd, en offers aan hen gebracht op bergen en heuvels. Ook zij hebben mij beledigd. Lang geleden heb ik al bepaald welke straf ze zouden krijgen.’

Gods dienaren zullen in het land wonen

8De Heer zegt: ‘Ik zal niet het hele volk straffen. Want er zijn ook goede mensen bij. Die goede mensen zijn mijn dienaren, hen zal ik in leven laten. Het is net als met een druiventros waar nog een paar goede druiven aan zitten. Die gooi je niet weg, want je kunt er nog sap uit halen.

9In Israël en in de bergen van Juda zal een nieuwe generatie geboren worden. Daar zal ik voor zorgen. Zij worden de dienaren die ik zelf uitgekozen heb. Zij zullen het land in bezit nemen en er gaan wonen. 10In het hele land, van het westen tot het oosten, zullen hun schapen gras vinden en zullen hun koeien rusten. Want zij zijn mijn volk, zij zijn het volk dat mij om raad gevraagd heeft.’

Veel mensen laten de Heer in de steek

11-12De Heer zegt tegen iedereen die hem in de steek gelaten heeft: ‘Maar jullie zal ik straffen. Jullie zullen sterven! De vijanden zullen jullie verslaan en jullie doden in de strijd. Want jullie hebben mij niet vereerd op mijn heilige berg. Nee, jullie hebben andere goden vereerd. Jullie hebben offers gebracht aan de god van het geluk en aan de god van het geld!

Ik heb jullie vaak geroepen, maar jullie gaven nooit antwoord. Ik heb tegen jullie gesproken, maar jullie luisterden niet. Jullie wisten wat ik wilde, maar jullie bleven slechte dingen doen.

Gods dienaren zullen het goed hebben

Jullie hebben mij in de steek gelaten. 13Daarom zal ik verschil maken tussen jullie en mijn dienaren: Mijn dienaren zullen genoeg te eten hebben, maar jullie zullen honger hebben. Mijn dienaren zullen genoeg te drinken hebben, maar jullie zullen dorst hebben. Mijn dienaren zullen vrolijk zijn, maar jullie zullen uitgelachen worden. 14Mijn dienaren zullen juichen van vreugde, maar jullie zullen schreeuwen van verdriet. Jullie zullen klagen omdat jullie niet meer weten wat je moet doen.

15Mijn dienaren zullen jullie naam alleen gebruiken om mensen iets slechts toe te wensen, als ze hen dood willen hebben. Maar mijn dienaren zullen zelf een nieuwe naam krijgen. 16Die naam zullen ze gebruiken als ze mensen zegenen. Of als ze iets plechtig beloven en zeggen: ‘Dat beloof ik plechtig. Zo zeker als God leeft, de God die betrouwbaar is!’ En dan denkt niemand meer aan de ellende van vroeger. Ook ik zal er niet meer aan terugdenken.’

Een nieuwe hemel en een nieuwe aarde

17De Heer zegt tegen zijn volk: ‘Let op wat ik ga doen. Ik ga een nieuwe hemel en een nieuwe aarde maken! Iedereen zal het verleden vergeten, niemand zal meer aan vroeger denken. 18Jullie zullen allemaal blij zijn met mijn nieuwe schepping. Iedereen zal juichen!

Ik maak van Jeruzalem een nieuwe stad. Een stad waar de mensen vrolijk zijn en juichen. 19En ik zal zelf ook juichen. Ik zal blij zijn met Jeruzalem en met mijn volk.

In de stad zal niemand meer klagen, niemand zal er nog huilen van verdriet. 20Er zullen geen pasgeboren baby’s of jonge mensen meer sterven. De mensen zullen pas sterven als ze honderd jaar zijn. Alleen mensen die slecht leven, zullen eerder doodgaan.

In Jeruzalem zal iedereen gelukkig zijn

21De mensen in Jeruzalem zullen huizen bouwen en er zelf in gaan wonen. Ze zullen wijngaarden aanleggen en zelf de druiven opeten. 22Niemand anders zal in hun huizen wonen, niemand anders zal van hun druiven eten. Iedereen zal zelf kunnen genieten van alles wat hij met zijn eigen handen gemaakt heeft. Want de inwoners van Jeruzalem zullen lang leven. Mijn volk zal oud worden, zo oud als een sterke boom.

23Hun harde werken zal niet voor niets zijn. En hun kinderen zullen niet sterven aan vreselijke ziektes. Ze zullen een volk zijn dat door mij gezegend is, zij en al hun nakomelingen.

24Nog voordat ze mij roepen, zal ik antwoord geven. Terwijl ze nog aan het bidden zijn, doe ik al wat ze vragen.’

Er zal een tijd van vrede komen

25De Heer zegt: ‘Er komt een tijd dat niemand meer kwaad doet. Dat beloof ik. Geen mens zal nog iets slechts doen op mijn heilige berg. Dan eet een wolf samen met een lam. Een leeuw eet gras, net als een koe. En een slang eet geen levende dieren meer.’

66

Jeruzalem is de stad van God

De Heer is te groot voor de aarde

661De Heer zegt: ‘Jullie willen een tempel voor mij bouwen waar ik kan wonen. Maar dat kan niet, want ik ben groter dan jullie denken! Ik ben koning van de hemel, ik heers over de aarde. 2Ik heb alles zelf gemaakt. Door mij zijn de hemel en de aarde ontstaan.

Ook al woon ik in de hemel, toch ben ik er voor de mensen op aarde. Vooral voor mensen die arm zijn en onderdrukt worden. Ik help de mensen die mijn woorden belangrijk vinden.

Wie de Heer eert, moet goed leven

3Ja, ik help mensen die mij vereren, maar dan moeten ze geen slechte dingen doen!

Als iemand voor mij een stier slacht maar ook een mens doodt, dan zal ik hem straffen. Als iemand een schaap offert maar ook een hond doodmaakt, dan zal ik hem straffen. Als iemand een graanoffer brengt maar ook het bloed van een varken offert, dan zal ik hem straffen. Als iemand wierook voor mij brandt maar dat ook doet voor een andere god, dan zal ik hem straffen.

Als die mensen ervoor kiezen om zulke afschuwelijke dingen te doen, 4dan kies ik ervoor om hen te straffen. Alles waar ze bang voor zijn, zal met hen gebeuren.

Want ik heb hen geroepen, maar ze gaven geen antwoord. Ik heb tegen hen gesproken, maar ze luisterden niet. Ze deden steeds slechte dingen. Ze hebben mij in de steek gelaten.’

Wie de Heer eert, wordt uitgelachen

5De Heer zegt tegen de mensen die hem vereren: ‘Als jullie mijn woorden belangrijk vinden, luister dan naar mij! De rest van het volk heeft een hekel aan jullie. Ze willen niets met jullie te maken hebben. Ze lachen jullie uit en zeggen: ‘De Heer moet maar eens laten zien hoe machtig hij is! Dan kunnen wij zien waarom jullie zo vrolijk zijn.’ Maar die mensen zullen zelf uitgelachen worden!’

6Luister! Er klinkt geschreeuw in de stad. Vanuit de tempel klinkt een luide stem. Het is de stem van de Heer. Hij zegt dat hij zijn vijanden zal straffen voor hun daden.

Jeruzalem krijgt nieuwe inwoners

7Jeruzalem krijgt nieuwe inwoners. De stad lijkt op een vrouw die al gaat bevallen voordat de weeën echt begonnen zijn. Een vrouw die zonder pijn een kind krijgt. 8Maar zoiets kan helemaal niet! Een land kan niet in één dag ontstaan, een volk wordt niet in één ogenblik geboren! En toch zal dat gebeuren met Jeruzalem!

9De Heer zegt: ‘Ik maak af wat ik begonnen ben. Jeruzalem zal nieuwe inwoners krijgen, daar zal ik voor zorgen.’

Nu kan iedereen blij zijn

10Juich, als je van Jeruzalem houdt, wees blij! De mensen die eerst verdrietig waren over de stad, kunnen nu vrolijk zijn!

11Want in Jeruzalem zullen jullie getroost worden, daar zullen jullie het goed hebben. Jeruzalem is net als een moeder die voor je zorgt. En jullie zijn haar kinderen, die drinken aan haar borst. Jullie zullen meer dan genoeg hebben en sterk worden.

In Jeruzalem zal er vrede zijn

12De Heer zegt tegen zijn volk: ‘Net zoals het water van een rivier altijd stroomt, zo zal er in Jeruzalem altijd vrede zijn. Daar zal ik voor zorgen. En zoals uit een rivier steeds maar water komt, zo zullen andere volken steeds met geschenken komen. Die geschenken zijn voor jullie.

In Jeruzalem zullen jullie veilig zijn, net als kinderen die bij hun moeder op schoot zitten. 13In Jeruzalem komt er een eind aan jullie verdriet. Want ik zal jullie troosten, zoals een moeder haar kinderen troost.

14Dan laat ik aan jullie mijn macht zien, en aan de vijanden mijn woede. Als jullie dat zien, zullen jullie vrolijk en gelukkig zijn. Jullie krijgen weer kracht. Jullie kracht zal snel groeien, net zoals jonge plantjes snel sterker worden.’

De Heer komt om zijn vijanden te straffen

15De Heer zal komen op zijn strijdwagen, zo snel als een storm. Hij komt om zijn vijanden te straffen. Hij komt met vuur, want zijn woede is groot. 16Hij zal zijn oordeel geven over alle mensen. Veel mensen zullen sterven door zijn vuur en zijn zwaard.

17De Heer straft de mensen die naar tuinen gaan waar afgoden vereerd worden. Hij straft de mensen die vlees eten van varkens, muizen of andere onreine dieren. De Heer zegt: ‘Die mensen zullen allemaal sterven, 18want ik weet hoe slecht ze zijn.’

De volken zullen Gods macht zien

De Heer zegt: ‘De tijd is gekomen om de volken te straffen. Ik zal veel volken en landen bij elkaar brengen. Ze zullen komen en zien hoe machtig ik ben. 19Maar ik zal iets bijzonders doen: ik zal ze niet allemaal straffen.

De mensen die ik niet straf, zal ik naar andere volken sturen. Daar zullen ze iedereen vertellen over mijn macht. Ik stuur hen naar verre landen: naar Tarsis, Pul en Lydië, waar de mensen goed kunnen schieten met pijl en boog, naar Tubal en Griekenland, en naar de verste eilanden. Want in die landen is mijn naam nog niet bekend, daar hebben ze nog niet gehoord hoe machtig ik ben.

20Ik zal dus mensen naar verre landen sturen. Zij zullen de Israëlieten die daar gevangen zitten, terughalen. Ze brengen hen terug naar Jeruzalem met paarden en wagens, en met ezels en kamelen. Ze brengen hen naar Jeruzalem, naar mijn heilige berg, als een geschenk voor mij. Het zal net zo’n feest zijn als wanneer de Israëlieten heilige offers naar mijn tempel brengen. 21En dan zullen ook mensen van andere volken mij als priester kunnen dienen.’

Iedereen zal naar Gods tempel komen

22De Heer zegt tegen zijn volk: ‘Ik zal een nieuwe hemel en een nieuwe aarde maken. Die zullen altijd blijven bestaan. En ook jullie en jullie nakomelingen zullen altijd blijven bestaan.

23Bij elke nieuwe maan en op elke sabbat zullen alle mensen naar mijn tempel komen. En daar zullen ze allemaal voor mij knielen.

24En als ze Jeruzalem weer verlaten, zullen ze de dode lichamen zien van de mensen die zich tegen mij verzet hebben. Die mensen zullen voor altijd branden in het vuur. De wormen zullen voor altijd over hun lichamen kruipen. Het zal voor iedereen afschuwelijk zijn om dat te zien.’