Bijbel in Gewone Taal (BGT)
63

De Heer straft de vijanden

De Heer straft het volk van Edom

631Wie komt daar aan, vanuit de stad Bosra in Edom? Wie is toch die trotse, machtige koning, met zijn prachtige, rode mantel? Dat ben ik, de Heer. Ik breng mijn volk de redding die ik beloofd heb. Ik heb de macht om hen te redden.

2Mijn kleren zijn rood. Het lijkt wel alsof ik net druiven geperst heb! 3Mijn kleren zijn rood omdat ik de vijanden van mijn volk gestraft heb. Ik heb het alleen gedaan, geen enkel volk heeft me daarbij geholpen. Ik was kwaad, ik was woedend op het volk van Edom. Daarom heb ik ze gedood, en daardoor zijn mijn kleren nu rood van het bloed.

De Heer heeft alle volken gestraft

4Ik had besloten om mijn vijanden te straffen. Het was tijd dat mijn volk bevrijd werd. 5Maar ik zag dat niemand me wilde helpen. Ik was verbaasd dat niemand mij steunde. Ik moest het alleen doen. Maar mijn woede gaf me kracht.

6En zo heb ik de volken gestraft. Mijn woede maakte ze machteloos. Ik heb ze gedood, hun bloed stroomde over de aarde.’

Jesaja bidt tot God

Jesaja vertelt over Gods trouw

7Jesaja zegt: ‘Ik zal vertellen hoe trouw de Heer is, ik zal er steeds opnieuw over spreken! Ik maak bekend wat de machtige Heer voor ons gedaan heeft. Hij is goed voor ons geweest, omdat hij van ons houdt. Hij is het volk van Israël altijd trouw gebleven. 8Hij heeft gezegd: ‘Israël is mijn volk, de Israëlieten zijn mijn kinderen. Ze zullen mij altijd trouw blijven.’

De Heer werd onze bevrijder. 9Hij voelde met ons mee. Als wij pijn hadden, voelde hij ook pijn. Hij hield van ons. Daarom kwam hij zelf om ons te redden. Hij heeft ons bevrijd, en hij heeft ons door de woestijn geleid. Hij heeft altijd voor ons gezorgd.

Het volk heeft zich tegen God verzet

10Maar wij hebben ons tegen de Heer, de heilige God, verzet. Wij hebben hem verdriet gedaan. Daarom werd hij onze vijand, daarom viel hij ons aan. 11Hij was onze vijand totdat hij weer terugdacht aan het verleden, aan Mozes die zijn volk uit Egypte leidde.

Het volk is God kwijt

Waar is de Heer nu? Waar is de God die ons volk door de Rietzee liet gaan, onder leiding van Mozes en Aäron? Waar is de God die het volk moed en kracht gaf?

12Waar is de God die Mozes hielp door zijn grote macht te laten zien? Waar is de God die een weg door de Rietzee maakte? Waar is onze God, die voor altijd beroemd geworden is?

13Waar is de God die ons door het diepe water leidde? Waar is de God die ons door de woestijn leidde? Wij konden steeds rustig verdergaan, ook als we op gevaarlijke plekken kwamen. 14Het was God zelf die ons rust gaf. Zo heeft hij zijn volk geleid, zo werd hij overal beroemd.

Jesaja vraagt om Gods hulp

15Heer, kijk toch naar ons vanuit uw heilige hemel! Kijk naar ons vanuit uw schitterende woning. Waarom vecht u niet meer voor ons? Waarom laat u geen machtige daden meer zien? U houdt niet meer van ons, u zorgt niet meer voor ons!

16U bent toch onze vader? U hebt ons toch steeds bevrijd? Abraham en Jakob leven niet meer, zij weten niet wie wij zijn. Maar u, Heer, blijft altijd onze vader.

17Waarom hield u ons niet tegen toen we bij u weggingen? Waarom hebt u ons ongehoorzaam gemaakt, zodat we niet meer naar u wilden luisteren? Heer, kom toch bij ons terug! Want wij zijn uw dienaren, wij zijn uw eigen volk!

18Sinds kort hebben vijanden ons, uw heilige volk, in hun macht. Zij hebben uw tempel vernield. 19Het lijkt wel of u nooit over ons geregeerd hebt. Het lijkt wel of wij nooit uw volk geweest zijn!

Jesaja vraagt of God naar de aarde komt

Heer, kom toch uit de hemel naar beneden! Als u komt, zal iedereen schrikken. Zelfs de bergen zullen beven!

64

641Als u komt, zullen de vijanden weten hoe machtig u bent. U zult komen als een vuur dat takken laat branden, een vuur dat water laat koken! Als u komt, zullen de volken beven van angst. 2Want u zult grote wonderen doen. Wonderen waar wij niet meer op durfden te hopen. Als u uit de hemel komt, zullen ook de bergen beven.

3Nog nooit is er zoiets gebeurd. Nog nooit heeft iemand zoiets gehoord. U helpt mensen die op u vertrouwen. Nog nooit heeft een god zoiets gedaan.

4U komt naar mensen toe die goed willen leven. U helpt goede en eerlijke mensen, die dicht bij u willen leven.

Het volk heeft God verlaten

Maar nu bent u kwaad op ons, omdat wij alles verkeerd gedaan hebben. Waren we maar dicht bij u gebleven, dan zouden we gered zijn!

5Wij hebben niet gedaan wat u wilt. Alles wat we doen, is slecht. We zijn onrein geworden. We zijn bij u weggegaan, als dorre bladeren die ver weg waaien in de wind.

6Niemand van ons zoekt meer naar u, niemand vraagt u nog om hulp. U verbergt u voor ons. U hebt ons in de steek gelaten, en nu zijn we ver bij u vandaan.

Jesaja vraagt God om vergeving

7Heer, u bent onze vader, u hebt ons gemaakt! U hebt ons gevormd, zoals een pottenbakker iets moois vormt uit klei. 8Wees niet langer kwaad op ons. Denk niet langer aan alles wat we verkeerd gedaan hebben. Kijk naar ons! Wij zijn toch uw volk?

9Jeruzalem is verwoest, er is niets meer van over. De stad waar uw tempel stond, is een woestijn geworden. 10Ook de tempel zelf, waar onze voorouders u vereerden, is weg. Onze prachtige tempel is door vuur verwoest. En alles wat in de tempel stond, is vernield.

11Heer, waarom doet u niets? Waarom blijft u zwijgen? Waarom laat u ons zo lijden?’

65

Gods dienaren worden niet gestraft

Het volk blijft zich verzetten

651De Heer zegt: ‘Mijn volk heeft mij niet om raad gevraagd, maar toch ben ik er voor hen. Mijn volk bidt niet tot mij, maar toch zeg ik tegen hen: ‘Hier ben ik, hier!’ 2Ik sta elke dag voor hen klaar.

Maar mijn volk blijft zich tegen mij verzetten. Ze doen wat ze zelf willen, ze kiezen de verkeerde weg. 3Ze maken mij steeds weer kwaad. Want ze brengen offers in tuinen waar afgoden vereerd worden, en ze branden wierook op altaren van afgoden. 4’s Nachts gaan ze naar de begraafplaats om contact te krijgen met de doden. Ze eten varkensvlees en ander onrein voedsel.

5Tegen andere mensen zeggen ze: ‘Blijf waar je bent, kom niet te dicht bij ons. Want wij zijn te heilig voor jullie.’ Zo beledigen ze mij de hele tijd, ze maken me woedend!’

De Heer zal zijn volk straffen

6De Heer zegt tegen zijn volk: ‘Ik ga jullie straffen, dat staat vast. En ik houd pas op als jullie voor al je misdaden gestraft zijn.

7Ik zal jullie ook straffen voor de misdaden van jullie voorouders. Want ook zij hebben afgoden vereerd, en offers aan hen gebracht op bergen en heuvels. Ook zij hebben mij beledigd. Lang geleden heb ik al bepaald welke straf ze zouden krijgen.’

Gods dienaren zullen in het land wonen

8De Heer zegt: ‘Ik zal niet het hele volk straffen. Want er zijn ook goede mensen bij. Die goede mensen zijn mijn dienaren, hen zal ik in leven laten. Het is net als met een druiventros waar nog een paar goede druiven aan zitten. Die gooi je niet weg, want je kunt er nog sap uit halen.

9In Israël en in de bergen van Juda zal een nieuwe generatie geboren worden. Daar zal ik voor zorgen. Zij worden de dienaren die ik zelf uitgekozen heb. Zij zullen het land in bezit nemen en er gaan wonen. 10In het hele land, van het westen tot het oosten, zullen hun schapen gras vinden en zullen hun koeien rusten. Want zij zijn mijn volk, zij zijn het volk dat mij om raad gevraagd heeft.’

Veel mensen laten de Heer in de steek

11-12De Heer zegt tegen iedereen die hem in de steek gelaten heeft: ‘Maar jullie zal ik straffen. Jullie zullen sterven! De vijanden zullen jullie verslaan en jullie doden in de strijd. Want jullie hebben mij niet vereerd op mijn heilige berg. Nee, jullie hebben andere goden vereerd. Jullie hebben offers gebracht aan de god van het geluk en aan de god van het geld!

Ik heb jullie vaak geroepen, maar jullie gaven nooit antwoord. Ik heb tegen jullie gesproken, maar jullie luisterden niet. Jullie wisten wat ik wilde, maar jullie bleven slechte dingen doen.

Gods dienaren zullen het goed hebben

Jullie hebben mij in de steek gelaten. 13Daarom zal ik verschil maken tussen jullie en mijn dienaren: Mijn dienaren zullen genoeg te eten hebben, maar jullie zullen honger hebben. Mijn dienaren zullen genoeg te drinken hebben, maar jullie zullen dorst hebben. Mijn dienaren zullen vrolijk zijn, maar jullie zullen uitgelachen worden. 14Mijn dienaren zullen juichen van vreugde, maar jullie zullen schreeuwen van verdriet. Jullie zullen klagen omdat jullie niet meer weten wat je moet doen.

15Mijn dienaren zullen jullie naam alleen gebruiken om mensen iets slechts toe te wensen, als ze hen dood willen hebben. Maar mijn dienaren zullen zelf een nieuwe naam krijgen. 16Die naam zullen ze gebruiken als ze mensen zegenen. Of als ze iets plechtig beloven en zeggen: ‘Dat beloof ik plechtig. Zo zeker als God leeft, de God die betrouwbaar is!’ En dan denkt niemand meer aan de ellende van vroeger. Ook ik zal er niet meer aan terugdenken.’

Een nieuwe hemel en een nieuwe aarde

17De Heer zegt tegen zijn volk: ‘Let op wat ik ga doen. Ik ga een nieuwe hemel en een nieuwe aarde maken! Iedereen zal het verleden vergeten, niemand zal meer aan vroeger denken. 18Jullie zullen allemaal blij zijn met mijn nieuwe schepping. Iedereen zal juichen!

Ik maak van Jeruzalem een nieuwe stad. Een stad waar de mensen vrolijk zijn en juichen. 19En ik zal zelf ook juichen. Ik zal blij zijn met Jeruzalem en met mijn volk.

In de stad zal niemand meer klagen, niemand zal er nog huilen van verdriet. 20Er zullen geen pasgeboren baby’s of jonge mensen meer sterven. De mensen zullen pas sterven als ze honderd jaar zijn. Alleen mensen die slecht leven, zullen eerder doodgaan.

In Jeruzalem zal iedereen gelukkig zijn

21De mensen in Jeruzalem zullen huizen bouwen en er zelf in gaan wonen. Ze zullen wijngaarden aanleggen en zelf de druiven opeten. 22Niemand anders zal in hun huizen wonen, niemand anders zal van hun druiven eten. Iedereen zal zelf kunnen genieten van alles wat hij met zijn eigen handen gemaakt heeft. Want de inwoners van Jeruzalem zullen lang leven. Mijn volk zal oud worden, zo oud als een sterke boom.

23Hun harde werken zal niet voor niets zijn. En hun kinderen zullen niet sterven aan vreselijke ziektes. Ze zullen een volk zijn dat door mij gezegend is, zij en al hun nakomelingen.

24Nog voordat ze mij roepen, zal ik antwoord geven. Terwijl ze nog aan het bidden zijn, doe ik al wat ze vragen.’

Er zal een tijd van vrede komen

25De Heer zegt: ‘Er komt een tijd dat niemand meer kwaad doet. Dat beloof ik. Geen mens zal nog iets slechts doen op mijn heilige berg. Dan eet een wolf samen met een lam. Een leeuw eet gras, net als een koe. En een slang eet geen levende dieren meer.’