Bijbel in Gewone Taal (BGT)
5

Het lied over de wijngaard

51Ik wil een lied zingen over mijn vriend, een lied over mijn vriend en zijn wijngaard:

‘Mijn vriend had een wijngaard,

op een heuvel met goede grond.

2Hij werkte hard op die grond.

Hij haalde de stenen eruit

en plantte er de mooiste soorten druiven.

Hij bouwde er een toren

voor het bewaken van de wijngaard.

Hij maakte er een plek

om de druiven te persen.

Toen verwachtte hij goede druiven,

maar hij kreeg alleen maar slechte druiven.’

De Heer en zijn wijngaard

3De Heer zegt: ‘Inwoners van Juda en Jeruzalem, weten jullie waarom de druiven slecht zijn? Komt dat door mij of door mijn wijngaard? Wat denken jullie? 4Had ik nog meer aan mijn wijngaard kunnen doen? Ben ik iets vergeten? Waarom verwachtte ik goede druiven, maar kreeg ik alleen slechte druiven?

5Luister! Ik zal vertellen wat ik met mijn wijngaard ga doen. Ik breek de muren af en ik haal de heg eromheen weg. Dan wordt mijn wijngaard niet meer beschermd, maar dan wordt hij vertrapt door dieren. Die zullen alles verwoesten.

6Ik zal mijn wijngaard niet meer verzorgen, zodat er overal onkruid komt. En ik zal tegen de wolken zeggen dat ze geen regen meer moeten laten vallen.

7Volk van Israël, jullie zijn de wijngaard uit het lied. En volk van Juda, jullie zijn de planten die ik gekozen heb. En die vriend, dat ben ik, de machtige Heer. Ik dacht dat jullie goed bestuurd zouden worden, maar jullie worden alleen maar slecht bestuurd.’

God straft ontrouwe mensen

Mensen die steeds meer huizen kopen

8-9De machtige Heer zei tegen mij: ‘Jesaja, luister. Er zijn mensen die steeds meer huizen en land kopen. Straks is het hele land van hen. Dan is er geen plaats meer voor anderen.

Het zal slecht aflopen met die mensen! Al hun huizen zullen verwoest worden. Ook in de grootste en mooiste huizen zal niemand meer wonen. 10Zelfs een grote wijngaard brengt bijna geen wijn meer op. En akkers waarin veel gezaaid is, brengen maar één zak graan op.

Dronken mensen

11Er zijn mensen die al vroeg in de ochtend op zoek gaan naar drank. Die tot laat in de nacht wijn drinken en dronken worden. 12Bij al hun feesten is er vrolijke muziek. Er wordt gezongen en gedanst. Maar ze vergeten dat ik hen geholpen heb. Ze zien niet wat ik voor hen gedaan heb.

Het zal slecht aflopen met die mensen!

De dood is overal

13Omdat de mensen zo slecht zijn, zal mijn volk door vijanden naar een ver land gebracht worden. Iedereen zal dorst en honger hebben, zelfs de rijkste mensen. 14De dood is overal. De leiders van het volk zullen sterven. En ook alle anderen, alle mensen die feestvieren en lawaai maken. 15Al die mensen die zo trots waren, zullen hun hoofd buigen. Ze durven niemand meer aan te kijken, omdat ze vernederd zijn.

16Ik ben de Heer, de machtige en heilige God. Ik ben rechtvaardig, ik spreek eerlijk recht. 17Overal waar vroeger de rijke mensen hun feesten vierden, zullen schapen lopen. Die schapen zullen gras eten op de resten van de verwoeste stad.

Mensen die ongeduldig zijn

18Sommige mensen hopen dat er rampen komen. Ze willen dat God zo snel mogelijk straft. 19Ze roepen: ‘Waar blijft de Heer toch? Laat hij opschieten! Laat hij zijn werk afmaken! De heilige God van Israël moet zijn plannen snel uitvoeren. Dan weten we wat er gaat gebeuren.’

Het zal slecht aflopen met die mensen!

Mensen die goed noemen wat slecht is

20Sommige mensen noemen alles wat goed is, slecht. En alles wat slecht is, noemen ze goed. Die mensen veranderen het licht in duisternis. En van het donker maken ze licht. Alles wat bitter is, maken ze zoet. En alles wat zoet is, maken ze bitter.

Het zal slecht aflopen met die mensen!

Mensen die alleen aan zichzelf denken

21Sommige mensen denken dat ze erg wijs zijn. Ze vinden dat alleen zij heel verstandig zijn. Het zal slecht aflopen met die mensen!

22Sommige mensen drinken te veel wijn. Ze worden dronken en dan durven ze alles. Het zal slecht aflopen met die mensen!

23Sommige rechters spreken alleen iemand vrij als ze er geld voor krijgen. Ze geven onschuldige mensen geen eerlijk proces. Het zal slecht aflopen met die rechters!

De Heer zal al die mensen straffen

24Ik zal ze allemaal straffen, die mensen die zich tegen mij verzetten! Er blijft niets van hen over. Zoals er niets overblijft van droog gras dat verbrandt in het vuur.

Ik, de machtige Heer, heb tegen die mensen gesproken. Ik, de heilige God van Israël, heb die mensen geleerd hoe ze moeten leven. Maar zij hebben niet naar mij geluisterd!’

Vijanden vallen het land aan

25De Heer is woedend op zijn volk, en hij straft hen. De bergen beginnen te beven, en dode mensen liggen als vuil op straat. Maar nog is het niet genoeg! De Heer blijft kwaad op zijn volk.

26Zodra de Heer een teken geeft, vallen volken uit verre streken het land aan. Ze komen heel snel dichterbij met hun legers. 27Hun soldaten worden nooit moe. Ze struikelen niet en ze vallen niet in slaap. Ze zijn overal goed op voorbereid. 28Ze hebben scherpe pijlen en hun bogen zijn gespannen. Hun paarden en wagens gaan zo snel als de wind.

29Die soldaten zullen schreeuwen, ze zullen brullen als leeuwen. Ze brullen als een leeuw die een ander dier pakt en het meesleept. Niemand kan die soldaten nog tegenhouden. 30Iedereen zal ze horen schreeuwen. Hun geschreeuw zal klinken als het gebulder van de zee.

Als de vijanden komen, wordt het donker. Dan verdwijnt de zon achter dikke wolken, en dan wordt iedereen bang.

6

Jesaja krijgt een opdracht

Jesaja ziet de Heer

61In het jaar dat koning Uzzia stierf, zag ik de Heer. Hij zat op een hoge troon. De onderkant van zijn mantel vulde de hele tempel. 2Boven hem stonden engelen. Die engelen hadden allemaal zes vleugels. Twee vleugels om hun gezicht te bedekken. Twee vleugels om hun lichaam te bedekken. En twee vleugels om te kunnen vliegen.

3De engelen riepen tegen elkaar: ‘Heilig is hij, heilig! Heilig is de machtige Heer! Overal op de aarde kun je zien hoe machtig hij is!’ 4De engelen riepen zo hard dat de deuren van de tempel begonnen te schudden. En overal in de tempel was rook.

Jesaja denkt dat hij moet zwijgen

5Toen werd ik bang en ik schreeuwde: ‘Vanaf nu moet ik zwijgen! Ik mag niet meer spreken als profeet. Want ik heb met mijn eigen ogen de machtige Heer gezien, onze koning. En dat mag niet, want ik ben schuldig. Ik doe verkeerde dingen, net als de mensen om mij heen.’

6Maar één van de engelen pakte met een tang een gloeiend kooltje van het altaar. Hij vloog met dat kooltje naar me toe, 7en raakte daarmee mijn lippen aan. Toen zei hij: ‘Nu ben je niet meer schuldig. Alles wat je verkeerd gedaan hebt, is je vergeven.’

De Heer stuurt Jesaja naar zijn volk

8Toen hoorde ik de stem van de Heer. Hij zei: ‘Wie zal ik naar mijn volk sturen? Wie kan er namens mij spreken?’ En ik zei: ‘Ik! U kunt mij sturen.’

9De Heer zei: ‘Dit moet je tegen het volk zeggen: ‘Jullie moeten goed luisteren, ook al zullen jullie mijn woorden niet begrijpen. Jullie moeten goed kijken, ook al zullen jullie niet zien wat ik bedoel.’

10Jesaja, jij moet ervoor zorgen dat het volk niet zal begrijpen wat je zegt. Zorg ervoor dat hun oren en ogen dichtzitten. Zodat ze niets kunnen zien en niets kunnen horen. En zorg ervoor dat hun hart koud en hard is. Zodat ze niets meer voelen en mijn woorden hen niet raken. Ze zullen niet naar mij terug willen gaan, ze zullen niet beter gaan leven.’

De Heer zal de mensen uit het land weghalen

11Ik vroeg aan de Heer: ‘Hoe lang moet ik zo tegen hen blijven spreken?’ De Heer zei: ‘Totdat de steden in het land verlaten zijn en de huizen leeg zijn. Totdat er niemand meer woont en het hele land verwoest is. 12Want ik, de Heer, zal de mensen uit het land weghalen. Het hele land zal leeg en verlaten zijn.

13Misschien blijft er nog een kleine groep mensen over. Maar ook die mensen verdwijnen, ze zullen door vuur vernietigd worden. Uiteindelijk zal er maar een heel kleine groep overblijven. Net zoals van een boom alleen de wortels overblijven. En met die mensen zal ik opnieuw beginnen.’

7

God geeft zijn volk een teken

Twee koningen vallen Jeruzalem aan

71Het gebeurde in de tijd dat Achaz koning van Juda was. Achaz was een zoon van Jotam en een kleinzoon van Uzzia. In die tijd leefden ook de koningen Resin en Pekach. Resin was koning van Aram. Pekach, de zoon van Remaljahu, was koning van Israël. Die twee koningen gingen met hun legers naar Jeruzalem. Ze vielen Jeruzalem aan, maar het lukte hun niet om de stad te veroveren.

2Koning Achaz hoorde dat de twee koningen samenwerkten, en hij werd bang. Ook het volk beefde van angst. De koning en zijn volk beefden als bomen die heen en weer schudden in een storm.

Jesaja moet naar koning Achaz gaan

3Toen zei de Heer tegen Jesaja: ‘Ga naar koning Achaz toe en neem je zoon Sear-Jasub mee. Je zult de koning ontmoeten bij het veld waar de was gedroogd wordt. Je zult hem zien op de plaats waar het water van het kanaal in de bovenste vijver stroomt.

4Zeg tegen koning Achaz: ‘Blijf rustig. Laat u niet bang maken door Resin en Pekach, die twee woedende koningen. Ze lijken heel gevaarlijk, maar dat zijn ze niet. 5Ze hebben wel slechte bedoelingen, 6want ze willen oorlog tegen u gaan voeren. Ze denken dat ze het land snel kunnen veroveren. Ze willen het land in stukken verdelen. En dan willen ze de zoon van Tabeal koning maken.

7Maar dat zal niet gebeuren, zo zal het niet gaan. Dat zegt God, de Heer. 8-9Want koning Resin is alleen maar de baas over de hoofdstad van Aram. En koning Pekach is alleen maar de baas over de hoofdstad van Israël. En het volk van Israël zal niet zo heel lang meer bestaan. Maar uw volk, het volk van Juda, zal wel blijven bestaan. Maar alleen als u vertrouwt op de Heer.’’

De Heer zal een teken geven

10Jesaja moest van de Heer ook nog het volgende tegen koning Achaz zeggen: 11‘U moet een teken vragen aan de Heer, uw God. Een teken van beneden, uit het land van de dood. Of een teken van boven, uit de hemel.’ 12Maar Achaz zei: ‘Nee, dat doe ik niet. De Heer mag niet denken dat ik hem niet vertrouw.’

13Toen zei Jesaja tegen Achaz: ‘Luister! U zorgt ervoor dat de mensen ongeduldig worden. Wilt u dat mijn God ook ongeduldig wordt? 14De Heer zelf zal u een teken geven. Een jonge vrouw zal zwanger worden en ze zal een zoon krijgen. Ze zal haar kind Immanuel noemen. 15-16De jongen zal boter en honing eten totdat hij geleerd heeft om te kiezen. Hij moet leren om te kiezen voor het goede, en niet voor het kwade. Maar voordat hij dat geleerd heeft, zal er een verschrikkelijke tijd komen voor Resin en Pekach. Voor die twee koningen hoeft u dan niet meer bang te zijn. Want hun land zal verwoest worden, er zal niemand meer wonen.

17Maar ook voor u, voor uw volk en voor uw familie zal er een afschuwelijke tijd komen. Het is lang geleden dat er zo’n slechte tijd geweest is. De laatste keer was toen Israël en Juda gescheiden werden. Die afschuwelijke tijd begint als de Heer de koning van Assyrië op u afstuurt!’

De vijanden zullen snel komen

18-19Als die tijd komt, stuurt de Heer een leger vanuit Egypte. En hij stuurt ook een leger vanuit Assyrië. Die legers zullen overal komen! Net zoals vliegen en bijen overal komen: bij de rivieren, tussen de rotsen in de bergen, en zelfs tussen de planten, en op alle plaatsen waar water is.

20Als de koning van Assyrië met zijn leger in het land Juda komt, zal hij alle mensen uit het land weghalen. Zoals je met een mes alle haren van iemands lichaam weghaalt. Daar zal de Heer voor zorgen.

Er zullen weinig mensen overblijven

21-22Dan zullen de mensen die overgebleven zijn, alleen nog een koe en een paar schapen hebben. Toch krijgen ze daar veel melk van. Voor die mensen zal er genoeg boter en honing zijn. Zij zullen genoeg hebben om in leven te blijven.

23-25Maar alle wijngaarden zullen dichtgroeien. Ook de wijngaarden waarin veel druiven groeien en die veel geld waard zijn. Want overal groeien dan doornstruiken. Mensen zullen er alleen nog komen om te jagen.

Ook de akkers op de heuvels zullen dichtgroeien. De mensen zullen daar niet meer op werken. Ze kunnen er alleen nog hun koeien en schapen laten rondlopen.