Bijbel in Gewone Taal (BGT)
4

41Dan zullen zeven vrouwen vechten om één man. Ze zullen tegen hem zeggen: ‘We kunnen zelf wel voor ons eten en voor onze kleren zorgen. Maar trouw met ons. Dan zijn we niet alleen en hoeven we ons niet te schamen.’

De Heer maakt Jeruzalem weer nieuw

2Maar er komt een dag waarop alles er weer prachtig uitziet. Daar zal de Heer voor zorgen. Iedere Israëliet die dan nog leeft, zal trots zijn op zijn land en op alles wat op de akkers groeit. 3Alle mensen die nog in Jeruzalem wonen, zullen bij God horen. Hun namen staan opgeschreven in Gods boek, het boek van het leven.

4De Heer zal Jeruzalem weer schoonmaken. Hij zal al het kwaad uit de stad verwijderen. Er zal geen geweld meer zijn. De Heer zal zorgen dat alles weer schoon en goed is, en dat er weer eerlijke rechters zijn.

5-6De Heer zal de berg Sion beschermen en ook alle mensen die op de berg bij elkaar komen. De Heer is daar steeds aanwezig. Overdag in een grote wolk en ’s nachts in een vuur dat licht geeft, met rook en vlammen. Hij zal de inwoners van Jeruzalem steeds beschermen. Net zoals een dak je steeds beschermt tegen de hete zon, en tegen regen en storm.

5

Het lied over de wijngaard

51Ik wil een lied zingen over mijn vriend, een lied over mijn vriend en zijn wijngaard:

‘Mijn vriend had een wijngaard,

op een heuvel met goede grond.

2Hij werkte hard op die grond.

Hij haalde de stenen eruit

en plantte er de mooiste soorten druiven.

Hij bouwde er een toren

voor het bewaken van de wijngaard.

Hij maakte er een plek

om de druiven te persen.

Toen verwachtte hij goede druiven,

maar hij kreeg alleen maar slechte druiven.’

De Heer en zijn wijngaard

3De Heer zegt: ‘Inwoners van Juda en Jeruzalem, weten jullie waarom de druiven slecht zijn? Komt dat door mij of door mijn wijngaard? Wat denken jullie? 4Had ik nog meer aan mijn wijngaard kunnen doen? Ben ik iets vergeten? Waarom verwachtte ik goede druiven, maar kreeg ik alleen slechte druiven?

5Luister! Ik zal vertellen wat ik met mijn wijngaard ga doen. Ik breek de muren af en ik haal de heg eromheen weg. Dan wordt mijn wijngaard niet meer beschermd, maar dan wordt hij vertrapt door dieren. Die zullen alles verwoesten.

6Ik zal mijn wijngaard niet meer verzorgen, zodat er overal onkruid komt. En ik zal tegen de wolken zeggen dat ze geen regen meer moeten laten vallen.

7Volk van Israël, jullie zijn de wijngaard uit het lied. En volk van Juda, jullie zijn de planten die ik gekozen heb. En die vriend, dat ben ik, de machtige Heer. Ik dacht dat jullie goed bestuurd zouden worden, maar jullie worden alleen maar slecht bestuurd.’

God straft ontrouwe mensen

Mensen die steeds meer huizen kopen

8-9De machtige Heer zei tegen mij: ‘Jesaja, luister. Er zijn mensen die steeds meer huizen en land kopen. Straks is het hele land van hen. Dan is er geen plaats meer voor anderen.

Het zal slecht aflopen met die mensen! Al hun huizen zullen verwoest worden. Ook in de grootste en mooiste huizen zal niemand meer wonen. 10Zelfs een grote wijngaard brengt bijna geen wijn meer op. En akkers waarin veel gezaaid is, brengen maar één zak graan op.

Dronken mensen

11Er zijn mensen die al vroeg in de ochtend op zoek gaan naar drank. Die tot laat in de nacht wijn drinken en dronken worden. 12Bij al hun feesten is er vrolijke muziek. Er wordt gezongen en gedanst. Maar ze vergeten dat ik hen geholpen heb. Ze zien niet wat ik voor hen gedaan heb.

Het zal slecht aflopen met die mensen!

De dood is overal

13Omdat de mensen zo slecht zijn, zal mijn volk door vijanden naar een ver land gebracht worden. Iedereen zal dorst en honger hebben, zelfs de rijkste mensen. 14De dood is overal. De leiders van het volk zullen sterven. En ook alle anderen, alle mensen die feestvieren en lawaai maken. 15Al die mensen die zo trots waren, zullen hun hoofd buigen. Ze durven niemand meer aan te kijken, omdat ze vernederd zijn.

16Ik ben de Heer, de machtige en heilige God. Ik ben rechtvaardig, ik spreek eerlijk recht. 17Overal waar vroeger de rijke mensen hun feesten vierden, zullen schapen lopen. Die schapen zullen gras eten op de resten van de verwoeste stad.

Mensen die ongeduldig zijn

18Sommige mensen hopen dat er rampen komen. Ze willen dat God zo snel mogelijk straft. 19Ze roepen: ‘Waar blijft de Heer toch? Laat hij opschieten! Laat hij zijn werk afmaken! De heilige God van Israël moet zijn plannen snel uitvoeren. Dan weten we wat er gaat gebeuren.’

Het zal slecht aflopen met die mensen!

Mensen die goed noemen wat slecht is

20Sommige mensen noemen alles wat goed is, slecht. En alles wat slecht is, noemen ze goed. Die mensen veranderen het licht in duisternis. En van het donker maken ze licht. Alles wat bitter is, maken ze zoet. En alles wat zoet is, maken ze bitter.

Het zal slecht aflopen met die mensen!

Mensen die alleen aan zichzelf denken

21Sommige mensen denken dat ze erg wijs zijn. Ze vinden dat alleen zij heel verstandig zijn. Het zal slecht aflopen met die mensen!

22Sommige mensen drinken te veel wijn. Ze worden dronken en dan durven ze alles. Het zal slecht aflopen met die mensen!

23Sommige rechters spreken alleen iemand vrij als ze er geld voor krijgen. Ze geven onschuldige mensen geen eerlijk proces. Het zal slecht aflopen met die rechters!

De Heer zal al die mensen straffen

24Ik zal ze allemaal straffen, die mensen die zich tegen mij verzetten! Er blijft niets van hen over. Zoals er niets overblijft van droog gras dat verbrandt in het vuur.

Ik, de machtige Heer, heb tegen die mensen gesproken. Ik, de heilige God van Israël, heb die mensen geleerd hoe ze moeten leven. Maar zij hebben niet naar mij geluisterd!’

Vijanden vallen het land aan

25De Heer is woedend op zijn volk, en hij straft hen. De bergen beginnen te beven, en dode mensen liggen als vuil op straat. Maar nog is het niet genoeg! De Heer blijft kwaad op zijn volk.

26Zodra de Heer een teken geeft, vallen volken uit verre streken het land aan. Ze komen heel snel dichterbij met hun legers. 27Hun soldaten worden nooit moe. Ze struikelen niet en ze vallen niet in slaap. Ze zijn overal goed op voorbereid. 28Ze hebben scherpe pijlen en hun bogen zijn gespannen. Hun paarden en wagens gaan zo snel als de wind.

29Die soldaten zullen schreeuwen, ze zullen brullen als leeuwen. Ze brullen als een leeuw die een ander dier pakt en het meesleept. Niemand kan die soldaten nog tegenhouden. 30Iedereen zal ze horen schreeuwen. Hun geschreeuw zal klinken als het gebulder van de zee.

Als de vijanden komen, wordt het donker. Dan verdwijnt de zon achter dikke wolken, en dan wordt iedereen bang.

6

Jesaja krijgt een opdracht

Jesaja ziet de Heer

61In het jaar dat koning Uzzia stierf, zag ik de Heer. Hij zat op een hoge troon. De onderkant van zijn mantel vulde de hele tempel. 2Boven hem stonden engelen. Die engelen hadden allemaal zes vleugels. Twee vleugels om hun gezicht te bedekken. Twee vleugels om hun lichaam te bedekken. En twee vleugels om te kunnen vliegen.

3De engelen riepen tegen elkaar: ‘Heilig is hij, heilig! Heilig is de machtige Heer! Overal op de aarde kun je zien hoe machtig hij is!’ 4De engelen riepen zo hard dat de deuren van de tempel begonnen te schudden. En overal in de tempel was rook.

Jesaja denkt dat hij moet zwijgen

5Toen werd ik bang en ik schreeuwde: ‘Vanaf nu moet ik zwijgen! Ik mag niet meer spreken als profeet. Want ik heb met mijn eigen ogen de machtige Heer gezien, onze koning. En dat mag niet, want ik ben schuldig. Ik doe verkeerde dingen, net als de mensen om mij heen.’

6Maar één van de engelen pakte met een tang een gloeiend kooltje van het altaar. Hij vloog met dat kooltje naar me toe, 7en raakte daarmee mijn lippen aan. Toen zei hij: ‘Nu ben je niet meer schuldig. Alles wat je verkeerd gedaan hebt, is je vergeven.’

De Heer stuurt Jesaja naar zijn volk

8Toen hoorde ik de stem van de Heer. Hij zei: ‘Wie zal ik naar mijn volk sturen? Wie kan er namens mij spreken?’ En ik zei: ‘Ik! U kunt mij sturen.’

9De Heer zei: ‘Dit moet je tegen het volk zeggen: ‘Jullie moeten goed luisteren, ook al zullen jullie mijn woorden niet begrijpen. Jullie moeten goed kijken, ook al zullen jullie niet zien wat ik bedoel.’

10Jesaja, jij moet ervoor zorgen dat het volk niet zal begrijpen wat je zegt. Zorg ervoor dat hun oren en ogen dichtzitten. Zodat ze niets kunnen zien en niets kunnen horen. En zorg ervoor dat hun hart koud en hard is. Zodat ze niets meer voelen en mijn woorden hen niet raken. Ze zullen niet naar mij terug willen gaan, ze zullen niet beter gaan leven.’

De Heer zal de mensen uit het land weghalen

11Ik vroeg aan de Heer: ‘Hoe lang moet ik zo tegen hen blijven spreken?’ De Heer zei: ‘Totdat de steden in het land verlaten zijn en de huizen leeg zijn. Totdat er niemand meer woont en het hele land verwoest is. 12Want ik, de Heer, zal de mensen uit het land weghalen. Het hele land zal leeg en verlaten zijn.

13Misschien blijft er nog een kleine groep mensen over. Maar ook die mensen verdwijnen, ze zullen door vuur vernietigd worden. Uiteindelijk zal er maar een heel kleine groep overblijven. Net zoals van een boom alleen de wortels overblijven. En met die mensen zal ik opnieuw beginnen.’