Bijbel in Gewone Taal (BGT)
49

De opdracht van Gods dienaar

God heeft zijn dienaar uitgekozen

491Gods dienaar zegt: ‘Luister goed, volken van de wereld. Luister naar mij, mensen uit verre streken! De Heer had mij al uitgekozen toen ik nog niet eens geboren was. Hij had mijn naam al genoemd voordat ik uit de buik van mijn moeder kwam. 2Hij beschermde mij, bij hem was ik veilig. Hij leerde me om als profeet te spreken. Hij maakte mijn woorden zo scherp als een zwaard, zo scherp als de punt van een pijl. Maar eerst hield hij me nog veilig bij zich.

3De Heer heeft tegen mij gezegd dat ik zijn dienaar ben. Hij zei: ‘Jij zult de wereld laten zien hoe machtig ik ben.’ 4Ik zei: ‘Ik heb al zo veel gedaan, maar het heeft niets geholpen. Mijn werk is helemaal voor niets geweest. Ik heb geen kracht meer over. Maar u zult mij helpen om uw plannen uit te voeren, Heer. En u zult mijn werk belonen.’

Gods dienaar moet een voorbeeld zijn

5Toen zei de Heer tegen mij: ‘Jij bent mijn dienaar. Dat was je al toen je nog in de buik van je moeder zat. En dit is je opdracht: jij moet mijn volk bij me terugbrengen, jij moet het volk weer bij elkaar brengen. Ik zal je kracht geven en ik zal je beschermen.

6Ja, jij moet de stammen van Israël weer bij elkaar brengen. En je moet de Israëlieten die in andere landen zijn, terughalen. Maar dat is niet genoeg, dat is niet je enige opdracht. Nee, ik heb je uitgekozen om een redder te zijn voor alle volken. Met jouw hulp zal ik alle mensen op aarde bevrijden.’’

Koningen zullen buigen voor Gods volk

7De Heer zegt tegen zijn volk: ‘Israël, ik ben de heilige God. Ik zal je bevrijden. Andere volken hebben nu nog een hekel aan je, ze vinden dat je niets waard bent. Hun koningen zijn de baas over je.

Maar later zullen die koningen respect voor je hebben. Want dan weten ze dat ik, de Heer, de heilige God, jou bevrijd heb. Dan weten ze dat ik betrouwbaar ben. En als ze zien dat ik jou uitgekozen heb, zullen ze diep voor je buigen.’

God zal zijn volk bevrijden

8De Heer zegt tegen zijn volk: ‘Israël, er zal een nieuwe tijd komen. Dan zal ik weer naar je luisteren. Ik zal je bevrijden en helpen. Ik zal je beschermen. Ik zal zorgen dat je de mensen vrede brengt. Je zult een voorbeeld worden voor alle volken.

En ik geef je deze opdracht: bouw het verwoeste land weer op. Dan zal het land weer van jou zijn. 9Tegen de gevangenen zul je zeggen: ‘Jullie zijn vrij! Jullie hoeven niet langer in het donker te zitten.’’

Gods volk zal veilig thuiskomen

De Heer zegt: ‘Als mijn volk terugkomt, zullen ze overal voedsel vinden. Ook op de kale bergen zullen ze iets te eten vinden. 10Ze zullen geen honger of dorst meer hebben. Ze zullen geen last hebben van de hitte en de brandende zon. Want ik zorg voor hen. Ik wijs hun de weg en ik breng hen naar vruchtbare grond. 11Ik maak de bergen vlak. Zo komt er een weg voor mijn volk, een pad waarover ze kunnen lopen.

12Kijk, daar komen ze al! Ze komen uit verre landen, uit het noorden en uit het westen. En ook uit het zuiden, uit het verre land Syene.’

God heeft zijn volk getroost

13Juich allemaal! Hemel en aarde, juich! Bergen en heuvels, doe mee! Want de Israëlieten moesten lijden, maar de Heer had medelijden en heeft hen getroost.

De Heer laat Jeruzalem niet in de steek

De Heer zal Jeruzalem nooit vergeten

14Jeruzalem zegt: ‘De Heer heeft mij verlaten, hij is mij vergeten.’

15-16Maar de Heer zegt: ‘Jeruzalem, ik heb je naam in mijn hart bewaard. Ik zal altijd aan je denken. Een moeder zorgt toch ook goed voor het kind dat ze in haar buik gedragen heeft? Ze vergeet haar kind nooit. En zelfs al zou een moeder haar kind vergeten, ik zal jou nooit vergeten!

17Jeruzalem, je inwoners komen gauw naar huis. En de vijanden die jou verwoest hebben, zullen weggaan. 18Doe je ogen maar open, kijk om je heen. Je inwoners komen er al aan, ze komen allemaal naar je toe. Je zult trots op hen zijn. Door hen zul je weer een prachtige stad worden. Zo prachtig als een bruid die haar mooiste sieraden draagt. Dat beloof ik!

19Nu ben je nog een verwoeste stad. Overal ligt puin, het hele land is vernield. Maar het duurt niet lang meer, dan komen er weer mensen wonen. Het land zal te klein zijn voor iedereen. En de vijanden die je land verwoest hebben, zullen ver bij je vandaan blijven.

20Jeruzalem, je dacht dat je je inwoners verloren had. Maar straks wonen er weer veel mensen binnen je muren. Zo veel dat ze zullen zeggen: ‘Het is hier te vol. Geef ons meer ruimte om te wonen.’

Jeruzalem krijgt haar inwoners terug

21Jeruzalem, je zegt tegen jezelf: ‘Wie kan mijn inwoners terugbrengen, wie kan ze aan mij teruggeven? Mijn inwoners zijn mijn kinderen! Ze zijn bij me weggehaald, ze zijn meegenomen naar verre landen. Wie zal er voor ze zorgen? Ik heb geen kinderen meer, en ik zal ook geen kinderen meer krijgen. Ik zal altijd alleen blijven!’

22Maar luister naar mij, Jeruzalem. Ik, de Heer, zal de volken een teken geven. Ik zal ze mijn macht laten zien. En dan zullen zij je inwoners veilig terugbrengen. Ze nemen hen als kinderen op hun arm, ze dragen hen op hun schouders. 23Koningen zullen hen verzorgen, koninginnen zullen hun de borst geven. Die koningen en koninginnen zullen voor je knielen. Ze zullen diep voor je buigen en je dienen.

En dan zul je zeker weten dat ik de Heer ben. Want als je op mij vertrouwt, dan word je niet teleurgesteld.

De Heer zal Jeruzalem beschermen

24Jeruzalem, jij zegt: ‘De vijanden houden mijn inwoners gevangen. Wie kan hen bevrijden? De vijanden zullen hen echt niet vrijlaten!’

25Maar luister! Gevangenen zullen bevrijd worden. En je vijanden zullen alles kwijtraken wat ze veroverd hadden. Ik zal zelf tegen je vijanden vechten. En ik zal je inwoners redden. 26Jouw vijanden zullen elkaar doden. Ze zullen elkaars bloed drinken alsof het wijn is.

En dan zal iedereen weten dat ik de Heer ben, en dat ik je bevrijd. Ik ben de machtige God van Jakob, ik zal je beschermen.’

50

De Heer heeft zijn volk niet verlaten

501De Heer zegt: ‘Israëlieten, denken jullie dat ik ontrouw aan jullie was? Denken jullie dat ik jullie in de steek wilde laten? Hebben jullie daar bewijs voor? Denken jullie dat ik jullie zomaar weggegeven heb? Nee, ik heb jullie aan de vijanden uitgeleverd omdat jullie alles verkeerd gedaan hebben. Ik heb jullie weggestuurd omdat jullie mij niet langer gehoorzaamden.

2Nu kom ik bij jullie terug, ik roep jullie. Maar er is niemand, niemand geeft antwoord. Waarom niet? Denken jullie dat ik jullie niet kan bevrijden? Twijfelen jullie aan mijn macht?

Ik kan de zee laten verdwijnen door alleen maar te dreigen! Ik kan ook het water uit de rivieren laten verdwijnen. Dan blijven er alleen nog dode vissen over en gaat alles stinken. 3En ik kan het licht van de hemel laten verdwijnen. Dan wordt de hemel helemaal zwart, dan is het overal donker.’

Niemand luistert naar Gods dienaar

God zal zijn dienaar helpen

4-5Gods dienaar zegt: ‘God, de Heer, heeft mij een tong gegeven, waarmee ik goed kan spreken. Ik kan mensen die moe zijn, weer moed geven. En God heeft mij oren gegeven, waarmee ik altijd goed naar de mensen kan luisteren.

Ik heb me niet tegen Gods opdrachten verzet. Ik ben er niet voor weggelopen. 6Toen mijn vijanden mij pijn wilden doen, liet ik toe dat ze me op mijn rug sloegen. Toen ze mijn baard wilden uittrekken, heb ik mijn gezicht naar ze toe gekeerd. Toen ze me uitlachten en naar me spuugden, bleef ik ze aankijken.

7God, de Heer, zal mij helpen. Dat weet ik. Daarom heb ik geen pijn, en daarom schaam ik me niet. Mijn vijanden kunnen op mijn gezicht geen pijn of schaamte zien.

8God zal zorgen dat ik eerlijk behandeld word. Wie durft er een rechtszaak tegen mij te beginnen? Is er iemand die mijn tegenstander durft te zijn? Kom maar, dan gaan we samen naar de rechter. 9Maar niemand kan mij straffen! Want God, de Heer, zal mij helpen. Mijn vijanden zullen verdwijnen, als een oude jas die langzaam vergaat.’

Israël vertrouwt niet op God

10De Heer zegt: ‘Volk van Israël, hebben jullie echt eerbied voor mij? Luisteren jullie wel naar de stem van mijn dienaar? Jullie moeten altijd op mij vertrouwen. Ook als jullie in het donker lopen, ook als je geen licht meer ziet.

11Maar jullie vertrouwen niet op mij! Nee, jullie maken plannen om anderen te vernietigen. Wacht maar! Door die plannen zullen jullie zelf vernietigd worden. En jullie zullen vreselijke pijn lijden. Daar zal ik voor zorgen.’

51

De Heer geeft zijn volk hoop

De Heer troost de inwoners van Jeruzalem

511-2De Heer zegt: ‘Inwoners van Jeruzalem, luister naar mij. Jullie zijn het volk dat goed en eerlijk wil leven, het volk dat op mij vertrouwt. Denk aan de geschiedenis van jullie volk. Kijk naar jullie voorouders Abraham en Sara. Toen ik Abraham riep, was hij nog alleen. Maar ik heb hem gezegend en ik heb hem veel nakomelingen gegeven.

3Inwoners van Jeruzalem, ik zal jullie troosten. Ik zal jullie troosten omdat jullie stad verwoest is. Ik zal die verwoeste stad weer mooi maken. Ik maak van Jeruzalem een stad zo mooi als de tuin van Eden. Een stad waar overal muziek klinkt, een stad waar de mensen zingen en vrolijk zijn.

De Heer komt zijn volk bevrijden

4Luister naar mij, mijn volk. Luister goed! Ik heb jullie mijn wetten gegeven. De regels die ik gegeven heb, zijn een voorbeeld voor alle volken.

5Nog even, dan kom ik om jullie te helpen. Overal in de wereld wachten de mensen op mij. Ze wachten totdat ik kom en mijn kracht laat zien. Ik zal jullie heel snel bevrijden. En de andere volken zal ik straffen.

6Kijk eens omhoog naar de hemel. En kijk naar de aarde hier beneden. Misschien zal de hemel verdwijnen, zoals rook verdwijnt. Misschien zal de aarde vergaan, zoals een oude, versleten jas vergaat. En misschien zullen de mensen allemaal sterven. Maar de bevrijding die ik breng, zal altijd blijven. De overwinning die ik geef, zal nooit verdwijnen.

7Luister naar mij, mijn volk. Jullie kennen mijn regels. Jullie denken veel aan mijn wetten. Wees niet bang voor mensen die je beledigen en vernederen. 8Want zij zullen verdwijnen, als een oude jas die langzaam vergaat.

Maar de overwinning die ik geef, zal altijd blijven. De bevrijding die ik breng, zal nooit verdwijnen.’

Jesaja vraagt het volk om geduld

9Volk van Israël, jullie zeggen tegen de Heer: ‘Word wakker, Heer. Doe iets! Laat zien hoe machtig u bent! Gebruik uw macht, zoals u dat vroeger ook deed. U hebt toch lang geleden het grote monster in de zee gedood? 10U hebt toch een pad door de zee gemaakt? U zorgde dat het water verdween, en dat uw volk dwars door de zee kon gaan. Zo hebt u uw volk uit Egypte bevrijd!’

11Luister, volk van Israël. De Heer zal jullie opnieuw bevrijden. Dan komen de Israëlieten die gevangen zaten, weer terug naar Jeruzalem. Ze zullen blij zijn en juichen, de stad zal vol vreugde en blijdschap zijn. Niemand zal nog pijn of verdriet hebben.

De Heer zal zijn volk beschermen

12De Heer zegt: ‘Volk van Israël, ik zal jullie troosten, ik zal jullie beschermen. Je hoeft niet bang te zijn voor andere mensen. Want mensen zijn zwak, ze leven maar kort. Net als een bloem die maar even bloeit en dan doodgaat.

13-14Jullie hoeven ook niet bang te zijn voor jullie vijanden. Wees niet bang dat ze jullie vernietigen. Ze durven zich niet eens te laten zien!

Nog even, dan worden de gevangenen van jullie volk bevrijd. Ze zullen niet sterven, maar ze zullen leven. En ik geef hun alles wat ze nodig hebben.

Jullie mogen mij nooit vergeten, want ik heb jullie gemaakt. Ik heb de hemel als een koepel boven de aarde gezet. Ik heb de aarde stevig vastgezet. 15-16Ik laat het stormen op zee, ik zorg voor hoge golven. Ik ben de machtige Heer, jullie God.

Inwoners van Jeruzalem, luister. Jullie zijn mijn volk, jullie moeten mijn woorden doorgeven. En ik zal jullie steeds beschermen.’

Jeruzalem is genoeg gestraft

17Inwoners van Jeruzalem, word wakker! Word wakker en sta op! Jullie zijn genoeg gestraft. God was woedend op jullie. Hij heeft jullie zwaar en lang gestraft. Zijn straffen hebben van Jeruzalem een dode stad gemaakt.

18Jullie kunnen de stad niet meer helpen. Ook al is het jullie eigen stad, ook al hebben jullie er altijd gewoond. Jullie kunnen de stad niet redden. 19Want de stad is getroffen door grote rampen, ze is helemaal verwoest. Overal is honger en geweld. Niemand zal jullie troosten, er is niemand die nog medelijden met jullie heeft.

20Op alle hoeken van de straten liggen mensen, als dode dieren in een net. Ze bewegen niet meer, ze zijn gedood door de woede van God.

De Heer zal Jeruzalem verdedigen

21-22De Heer zegt: ‘Het gaat niet goed met Jeruzalem. Het lijkt wel of iedereen in die stad dronken is. Luister goed, inwoners van Jeruzalem. Ik ben jullie God, ik zal jullie verdedigen. Ik was woedend op jullie, ik strafte jullie lang en zwaar. Maar nu ben ik niet meer kwaad op jullie, maar op jullie vijanden!

23Ja, ik zal mijn woede nu op jullie vijanden richten. Zij hebben jullie mishandeld en vernederd. Ze zeiden tegen jullie: ‘Geef je over, dan zullen wij jullie stad in bezit nemen!’ En toen hebben jullie je overgegeven, zodat zij de stad in bezit konden nemen.’