Bijbel in Gewone Taal (BGT)
36

Koning Sanherib valt Juda aan

Sanherib stuurt zijn leger naar Jeruzalem

361Toen Hizkia veertien jaar koning van Juda was, werd zijn land aangevallen door Sanherib, de koning van Assyrië. Sanherib veroverde veel steden in Juda. 2-3Eén van die steden was Lachis. Vanuit die stad stuurde Sanherib zijn belangrijkste legerleider op weg met een groot leger. Hij moest naar koning Hizkia gaan, in Jeruzalem.

Sanheribs legerleider maakte een kamp bij het veld waar de was gedroogd wordt. Dat is op de plaats waar het water van het kanaal in de bovenste vijver stroomt.

Sanherib wil dat Hizkia zich overgeeft

Koning Hizkia stuurde drie dienaren naar het kamp van Sanheribs legerleider. Ze heetten Eljakim, Sebna en Joach. Eljakim, de zoon van Chilkia, had de leiding in het paleis. Sebna was schrijver van de koning. En Joach, de zoon van Asaf, was secretaris van de koning.

4De legerleider zei tegen die dienaren van de koning: ‘Ik ben hier namens Sanherib, de grote koning van Assyrië. Hij heeft een boodschap voor jullie koning Hizkia. Hij zegt: ‘Koning Hizkia, waarom voelt u zich zo zeker? 5Op wie vertrouwt u eigenlijk? Hoe durft u tegen mij in opstand te komen? Denkt u dat u met woorden een oorlog kunt winnen? Nee, daar hebt u een sterk leger en een goed plan voor nodig. 6U vertrouwt op de Egyptenaren. Maar hun farao is net zo onbetrouwbaar als een rietstengel. Als je daarop leunt, dan snijdt de stengel door je hand! Nee, op de farao kun je zeker niet vertrouwen.’’

Sanherib zegt dat Hizkia te zwak is

7Daarna zei de legerleider van Sanherib tegen de dienaren van Hizkia: ‘Jullie zeggen dat je vertrouwt op de Heer, jullie God. Maar koning Hizkia heeft zelf de offerplaatsen en altaren van die God laten weghalen! Hij heeft gezegd dat er alleen in Jeruzalem een altaar mag staan. Hij heeft gezegd dat de mensen alleen daar mogen knielen voor hun God.

8Nu wil koning Sanherib iets tegen jullie koning zeggen. Hij zegt: ‘Koning Hizkia, uw leger is zwak. Stel dat ik u tweeduizend paarden zou geven voor de strijd. Dan zou u niet eens genoeg soldaten hebben om op die paarden te rijden!

9Waarom vertrouwt u nog steeds op de Egyptenaren? Waarom denkt u dat u paarden, wagens en soldaten van hen zult krijgen? Door dat vertrouwen blijft u zwak. Zo zwak dat zelfs mijn onbelangrijkste legerleider nog van u kan winnen.

10En denkt u dat ik Juda aanval zonder toestemming van de Heer? Natuurlijk niet! De Heer heeft zelf tegen mij gezegd dat ik Juda moet aanvallen en verwoesten.’’

Het bericht is voor iedereen

11Toen zeiden Eljakim, Sebna en Joach tegen de legerleider: ‘Spreek alstublieft geen Hebreeuws tegen ons, want dan kunnen de mensen op de stadsmuur meeluisteren. Spreek maar Aramees, dat kunnen we ook goed verstaan.’

12Maar de legerleider zei: ‘Het bericht van koning Sanherib is niet alleen bestemd voor jullie en voor Hizkia. Iedereen mag horen wat ik te zeggen heb. Want binnenkort gaat het met iedereen slecht, met jullie en ook met die mensen daar op de muur. Dan moeten jullie allemaal je eigen stront eten en je eigen pis drinken.’

De legerleider zegt dat Hizkia liegt

13Daarna deed de legerleider nog een stap naar voren, en hij riep zo hard mogelijk in het Hebreeuws: ‘Luister allemaal goed! Dit zegt Sanherib, de grote koning van Assyrië, tegen jullie: 14‘Koning Hizkia kan jullie niet redden! Ook al zegt hij van wel. 15Hij zegt dat de Heer jullie zal redden. Hij zegt dat mijn aanval op de stad zal mislukken. Maar jullie moeten dat allemaal niet geloven!’’

16Toen riep de legerleider: ‘Luister dus niet naar koning Hizkia! Luister in plaats daarvan naar Sanherib, de koning van Assyrië. Hij zegt: ‘Ik wil vrede met jullie sluiten. Als jullie je overgeven, kan iedereen straks weer druiven en vijgen eten. En dan kan iedereen weer water drinken. 17Later zal ik jullie naar een land brengen waar jullie het nog beter zullen hebben dan hier! Want daar zijn korenvelden en wijngaarden. Er is volop brood en wijn. 18-19Luister dus niet naar Hizkia. Hij liegt tegen jullie, want hij zegt dat de Heer jullie zal redden.

De steden en landen die ik aangevallen heb, zijn allemaal verwoest. Ze zijn niet door hun goden gered. Kijk maar naar Hamat, Arpad en Sefarwaïm. Ik heb ze aangevallen, en ze zijn niet gered! En ook Samaria is niet gered! 20Geen enkele god heeft een land kunnen redden. Dan kan de Heer toch ook Jeruzalem niet redden?’’

De dienaren gaan terug naar Hizkia

21-22Toen de legerleider dat allemaal gezegd had, zwegen de drie dienaren. Want koning Hizkia had gezegd dat ze de legerleider geen antwoord mochten geven. Daarna scheurden ze van verdriet hun kleren en gingen terug naar het paleis. Daar vertelden ze aan koning Hizkia wat de legerleider gezegd had.

37

Hizkia vraagt Jesaja om raad

371Toen koning Hizkia hoorde wat er gezegd was, scheurde hij van verdriet zijn kleren. Hij trok rouwkleren aan en ging naar de tempel van de Heer. 2Toen liet hij Eljakim en Sebna bij zich komen, samen met de belangrijkste priesters. En hij zei dat zij ook rouwkleren moesten aantrekken.

Daarna stuurde Hizkia hen naar de profeet Jesaja, de zoon van Amos, 3met het volgende bericht: ‘Jesaja, het gaat niet goed met mij en mijn volk. We worden bang gemaakt, vernederd en gestraft. En ik kan mijn volk niet redden, hoe graag ik dat ook wil. Ik voel me als een vrouw die moet bevallen, maar er niet de kracht voor heeft.

4Maar misschien heeft de Heer, de levende God, gehoord hoe Sanherib hem beledigd heeft. En misschien zal hij Sanherib daarom straffen. Bid daarom voor ons volk, Jesaja, bid voor de mensen die nog in leven zijn.’

5Met dat bericht kwamen de dienaren van Hizkia bij Jesaja. 6En Jesaja antwoordde: ‘Dit zegt de Heer tegen koning Hizkia: ‘U hoeft niet bang te zijn voor de koning van Assyrië, die mij beledigd heeft. 7Want ik zal hem bang maken. Ik zal hem zulk slecht nieuws brengen, dat hij teruggaat naar zijn eigen land. En ik zal ervoor zorgen dat hij daar gedood wordt.’’

Sanherib stuurt boodschappers naar Hizkia

8Intussen was de legerleider weer teruggegaan naar koning Sanherib. Die had de stad Lachis alweer verlaten. Hij was nu met zijn leger op weg naar de stad Libna.

9Maar toen kreeg Sanherib een bericht over Tirhaka, de koning van Nubië. Die was met zijn leger op weg gegaan om Sanherib aan te vallen. Daarom stuurde Sanherib opnieuw boodschappers met een brief naar Hizkia.

In die brief stond: 10‘Hizkia, u moet zich niet laten bedriegen door uw God. Hij heeft gezegd dat Jeruzalem niet door mij veroverd zal worden. En u vertrouwt op hem. 11Maar u weet toch wat er gebeurd is? Alle landen die door mijn volk aangevallen zijn, zijn verwoest. Waarom zou u dan wel gered worden?

12Mijn voorouders hebben de steden Gozan, Charan en Resef aangevallen. En ook Telassar, waar de mensen uit Eden woonden. Ze hebben die steden helemaal verwoest. De inwoners werden dus niet door hun goden gered. 13En ook de koningen van de steden Hamat, Arpad, Sefarwaïm, Hena en Iwwa zijn niet door hun goden gered.’

Hizkia leest de brief van Sanherib

14Koning Hizkia las de brief die de boodschappers van Sanherib aan hem gaven. Daarna ging hij naar de tempel van de Heer, en legde de brief neer bij het altaar. 15Toen begon Hizkia te bidden. Hij zei: 16‘Heer, machtige God, God van Israël! U zit op een troon die door engelen gedragen wordt. U alleen bent de God van alle koninkrijken op aarde. U hebt de hemel en de aarde gemaakt. 17Luister naar mij, Heer. Kijk wat er met ons gebeurt! En hoor wat koning Sanherib allemaal over u zegt! Hij beledigt u, de levende God.

18Heer, wat Sanherib gezegd heeft, dat is waar. De koningen van Assyrië hebben alle landen verwoest. 19En zij hebben ook de goden van die landen vernietigd. Maar dat waren geen echte goden. Het waren alleen maar beelden van hout en steen, die de mensen zelf gemaakt hadden.

20Maar u bent onze Heer, u bent onze God! Daarom vraag ik u om ons te beschermen tegen de koning van Assyrië. Heer, red ons! Want dan zullen alle volken op aarde weten dat u de enige God bent.’

God heeft een bericht voor Sanherib

21-22Toen stuurde Jesaja, de zoon van Amos, het volgende bericht naar koning Hizkia: ‘De Heer, de God van Israël, heeft naar uw gebed geluisterd. Hoor wat de Heer nu zegt tegen Sanherib, de koning van Assyrië: ‘Sanherib, de inwoners van Jeruzalem hebben helemaal geen respect voor jou. Ze lachen je uit. 23Weet je niet wie ik ben? Ik ben de heilige God van Israël! En jij hebt mij belachelijk gemaakt, jij hebt mij beledigd!

24Je hebt je dienaren gestuurd om mij te beledigen. Je hebt gezegd: ‘Ik ben machtiger dan iedereen. Ik kom met mijn paarden en wagens op de hoogste toppen van de Libanon-bergen. En daar hak ik de hoogste en sterkste bomen om. Ik kom op de hoogste toppen en in de donkerste bossen. 25Ik kan overal water uit de grond halen. En ik kan ook alle rivieren in Egypte laten opdrogen.’

26Maar, Sanherib, ik ben de Heer! Ik heb jou dat allemaal laten doen! Dat had ik lang geleden al besloten. En nu heb ik het allemaal laten gebeuren. Sterke steden zijn door jou volledig verwoest. 27Alle inwoners van die steden zijn machteloos en bang. En ze schamen zich dat ze zo zwak zijn. Ze zijn net zo zwak als jonge plantjes op een akker, die doodgaan door de hete zon.

28Maar ik ken jou, Sanherib. Ik weet wat je zegt en ik zie alles wat je doet. Ik weet hoe je tegen mij tekeergaat. 29Ik weet hoe je tegen mij schreeuwt, en ik weet hoe geweldig je jezelf vindt. Maar ik zal zorgen dat je daarmee stopt. Ik zal je dwingen om te doen wat ik wil. Je zult weer teruggaan langs dezelfde weg als waarlangs je gekomen bent.’

God belooft dat het volk zal groeien

30En Hizkia, dit zegt de Heer tegen u: ‘De komende twee jaar zul je weinig te eten hebben. Want dan zal er maar weinig groeien, en wat er groeit is vooral onkruid. Maar in het derde jaar kun je zaaien en oogsten. Dan zullen er wijngaarden geplant worden en kunnen jullie druiven eten.

31Hizkia, er is nog maar een klein deel van je volk in leven. Maar je volk zal snel gaan groeien, net als een plant met sterke wortels. 32Want je volk zal zich vanuit Jeruzalem en vanaf de berg Sion verspreiden over het hele land. Ik, de machtige Heer, zal zorgen dat dat gebeurt.’

Sanherib zal Jeruzalem niet veroveren

33En dit zegt de Heer over Sanherib, de koning van Assyrië: ‘Sanherib zal Jeruzalem niet binnengaan, en hij zal ook geen pijlen over de stadsmuur schieten. Nee, Sanherib zal de stad niet kunnen aanvallen. 34Hij zal weer teruggaan langs dezelfde weg als waarlangs hij gekomen is. Hij zal de stad niet binnenkomen.

35Want ik zal de stad beschermen en ik zal haar inwoners bevrijden. Dat doe ik voor mijzelf en ook voor mijn dienaar David.’’

Sanherib gaat terug naar Nineve

36Toen kwam er een engel van de Heer. De engel doodde 185.000 soldaten in het legerkamp van de Assyriërs. De volgende ochtend lagen er overal dode soldaten. 37Toen maakte koning Sanherib een eind aan de aanval. Hij ging met zijn leger terug naar zijn land, naar de stad Nineve.

38In Nineve ging Sanherib naar de tempel van zijn god Nisroch. Maar toen hij voor die god knielde, werd hij vermoord door twee van zijn zonen, Adrammelech en Sareser. Zij konden ontsnappen en vluchtten naar het land Ararat. Toen werd Esarhaddon, een andere zoon van Sanherib, de nieuwe koning van Assyrië.

38

De genezing van Hizkia

Koning Hizkia wordt ziek

381In die tijd werd koning Hizkia ernstig ziek. De profeet Jesaja, de zoon van Amos, ging naar hem toe en zei: ‘De Heer zegt dat u zult sterven. U zult niet meer beter worden. Regel alvast wat er na uw dood moet gebeuren.’

2Toen draaide Hizkia zijn gezicht naar de muur en hij bad tot de Heer. 3Hij zei: ‘Heer, denk toch aan mij. Ik heb altijd goed en eerlijk geleefd, en ik heb steeds gedaan wat u wilde.’ En Hizkia huilde van verdriet.

Hizkia mag nog vijftien jaar leven

4-5De Heer stuurde Jesaja opnieuw naar Hizkia, met dit bericht: ‘Hizkia, ik ben de Heer, de God van je voorvader David. Ik heb je gebed gehoord en ik heb je tranen gezien. Ik geef je daarom nog vijftien jaar te leven. 6Nu heeft de koning van Assyrië nog de macht over Jeruzalem. Maar ik zal jou en alle inwoners bevrijden. En ik zal de stad beschermen.’

7Jesaja zei ook nog: ‘De Heer zal laten zien dat hij zich aan zijn belofte houdt. Hij zal u een teken geven. 8U kent de zonnewijzer van koning Achaz. De schaduw op die zonnewijzer zal niet vooruit gaan, maar achteruit.’ En zo gebeurde het.

Hizkia bidt tot God

9Toen Hizkia zo ziek was en toch weer beter werd, schreef hij dit gebed op:

10‘Ik dacht dat ik te jong zou sterven.

Ik dacht dat ik dood zou gaan

in het midden van mijn leven.

11Heer, ik dacht:

Ik zal u niet meer zien.

En ook de mensen, hier op aarde,

zal ik niet meer zien.

12Ik had me al voorbereid op mijn dood.

Ik dacht: Mijn leven is voorbij,

u breekt mijn leven af,

zoals een herder zijn tent afbreekt.

Heer, dag en nacht bracht u mij dichter bij de dood.

13Ik schreeuwde om hulp,

ik schreeuwde tot vroeg in de ochtend.

Want u viel mij aan als een leeuw,

al mijn botten leken gebroken.

Heer, dag en nacht bracht u mij dichter bij de dood.

14Ik piepte als een bange zwaluw,

ik zuchtte als een duif.

Mijn ogen waren moe,

maar ik keek omhoog en riep:

‘Heer, ik ben doodsbang.

Help mij toch!’

15Meer kon ik niet zeggen. Ik dacht:

De rest van mijn leven moet ik lijden.

Want wat u zegt, dat zal gebeuren.

16Heer, maar toch laat u mij weer leven!

Ja, u geeft mij weer kracht,

u maakt mij weer beter.

17Nu ben ik niet meer somber,

nu ben ik gelukkig.

Door u lig ik niet in het graf.

Al mijn schuld hebt u weggenomen.

18In het land van de dood kan niemand voor u zingen.

Mensen die dood zijn,

kunnen niet op u vertrouwen.

19Maar de mensen die leven,

zij kunnen voor u zingen.

Zij kunnen u danken,

zoals ik u vandaag dank.

Ouders vertellen hun kinderen hoe trouw u bent!

20De Heer heeft mij geholpen.

Laten we muziek maken in zijn tempel,

alle dagen van ons leven!’

Hizkia wordt weer beter

21Jesaja had tegen de dienaren van koning Hizkia gezegd dat ze zijn wonden moesten verzorgen. Ze moesten er gedroogde vijgen op leggen. Toen ze dat gedaan hadden, voelde Hizkia zich weer beter. 22En hij vroeg aan Jesaja: ‘Krijg ik een teken van de Heer als ik weer naar de tempel mag gaan?’