Bijbel in Gewone Taal (BGT)
26

Het lied ‘De Heer beschermt ons’

261Als die tijd komt, zullen de mensen in Juda dit lied zingen:

Wij hebben een sterke stad

‘Wij hebben een sterke stad!

Wij zijn veilig in onze stad,

want de Heer beschermt ons.

2Open de poorten van de stad!

Dan kunnen we naar binnen gaan,

want we vertrouwen op de Heer.

3Zoek steun bij de Heer,

dan ben je veilig.

Vertrouw op de Heer,

dan blijft het vrede.

4Vertrouw steeds op de Heer,

want hij is sterk en trouw,

hij zal er altijd zijn.

5Maar trotse mensen beschermt hij niet!

Hun hoge huizen breekt hij af.

Die mooie, veilige huizen,

hij verwoest ze allemaal.

Er blijft niets meer van over!

6Dan liggen die trotse mensen daar

en wordt er over hen heen gelopen.

Dan worden ze vertrapt

door mensen zonder bezit.

Wij verlangen naar u, Heer

7Heer, u helpt eerlijke mensen,

u zorgt dat hun leven goed is.

8Wij vertrouwen op u, Heer,

en we houden ons aan uw wet.

Wij verlangen naar u,

steeds noemen we uw naam.

9Wij verlangen naar u,

dag en nacht verlangen we naar uw komst.

Als u de aarde komt straffen,

leren de mensen hoe ze moeten leven.

10Maar slechte mensen leren dat nooit.

Zij leren niet om eerlijk te leven,

ook al bent u goed voor hen.

Heer, ze doen kwaad,

ook al leven ze in uw land.

Ze zien niet hoe machtig u bent,

11ze zien niet hoe groot u bent.

Laat slechte mensen zien

dat u uw volk verdedigt.

Laat slechte mensen zien

dat u uw vijanden met vuur vernietigt.

Dan zullen ze zich vernederd voelen.

Geef ons vrede, Heer

12Heer, geef ons vrede.

Wij kunnen niets zonder u.

13Grote leiders hadden macht over ons,

maar alleen u bent onze God,

alleen u willen wij danken.

14U hebt die leiders gestraft,

u hebt hen vernietigd.

Ze zijn nu dood,

ze zullen nooit meer leven.

Het zijn nu geesten,

ze staan niet meer op.

Niemand zal nog aan hen denken.

Wij zijn uw volk, Heer

15Wij zijn uw volk, Heer.

U hebt ons groot gemaakt,

dat weten alle mensen.

U hebt ons volk groot gemaakt,

u hebt ons steeds meer land gegeven.

16Heer, toen wij in nood waren,

hebben wij u om hulp gevraagd.

Toen u ons strafte,

hebben wij om u geroepen.

Wij konden het land niet redden

17-18Wij leken op een zwangere vrouw

die bijna ging bevallen,

en het uitschreeuwde van de pijn.

Maar er kwam geen kind,

er gebeurde niets.

Ook bij ons gebeurde er niets,

ook wij hebben ons land niets gebracht.

We hebben het land niet gered

en we brachten het ook geen hoop.

Zo zijn we bij u gekomen, Heer.

De doden zullen weer leven

19Doden die in de aarde liggen,

word wakker en juich!

Heer, uw doden zullen weer leven,

de doden van uw volk zullen weer opstaan.

Heer, uw regen brengt leven op aarde,

en de aarde geeft de doden weer terug.’

God zal zijn vijanden doden

20De Heer zegt: ‘Mijn volk, jullie moeten nog even wachten. Wacht totdat ik niet meer woedend ben. Ga maar weer naar binnen, en doe de deur goed achter je dicht. 21Want ik verlaat mijn woning. Ik zal de mensen op aarde straffen, omdat ze onschuldige mensen gedood hebben. Hun misdaden zullen voor niemand geheim blijven. De aarde zelf zal laten zien wat er gebeurd is.’

27

271Als de Heer komt, zal hij zijn vijanden doden. Die vijanden zijn zo gevaarlijk als slangen en zeemonsters! De Heer zal zijn vijanden doden met zijn grote, scherpe zwaard.

De Heer zorgt voor zijn volk

Het lied over de wijngaard

2Als de Heer komt, moeten jullie dit lied zingen:

3‘Ik ben de Heer,

en mijn volk is mijn wijngaard.

Ik zorg voor mijn wijngaard,

ik geef hem steeds weer water.

Dag en nacht bewaak ik hem,

ik zorg dat niemand hem vernielt.

4Als ik onkruid in mijn wijngaard vind,

dan haal ik het woedend weg,

en ik steek het in brand.

Dat onkruid is de vijand.

Maar ik zal niet altijd kwaad zijn.

5Als de vijand echt vrede wil,

en door mij beschermd wil worden,

zal ik hem niet vernietigen.

6Want als de vijand vrede wil,

dan zal het goed gaan met mijn volk,

dan zullen ze gelukkig zijn.

Dan groeien er zo veel vruchten op het land,

dat ze de hele aarde bedekken.’

De Heer heeft zijn volk gestraft

7Heeft de Heer de Israëlieten net zo zwaar gestraft als hun vijanden? Heeft hij zijn volk net zo hard geslagen als hun vijanden? 8Nee, maar hij heeft zijn volk opgejaagd en weggestuurd. Hij heeft hen weggeblazen met een hete wind uit het oosten. Zo wilde hij hen straffen. 9De Heer vernietigde alle godenbeelden. Zonder moeite sloeg hij de altaren kapot. Hij hakte elke paal om, hij sloeg alle stenen stuk. Zo heeft de Heer zijn volk gestraft, zo kwam er een eind aan hun schuld.

De sterke steden zijn verdwenen

10De sterke steden zijn verdwenen. Er woont bijna niemand meer. Het is er leeg en verlaten. Het is er zo dood als in de woestijn. Er lopen alleen koeien rond, en die vreten alle takken kaal. 11Vrouwen breken de takken af om vuur te maken.

God heeft dit volk gemaakt. Maar zijn volk doet niet wat hij vraagt. Daarom heeft God geen medelijden, hij zal zijn volk niet beschermen.

Het volk komt terug naar Jeruzalem

12Later zal de Heer zijn volk weer bij elkaar brengen. Hij zal de Israëlieten verzamelen, zoals je het koren verzamelt van een gemaaid stuk land. Hij zal de Israëlieten bij elkaar brengen, één voor één. Hij haalt ze overal vandaan: helemaal uit het oosten, bij de rivier de Eufraat, en ook helemaal uit het westen, bij de grens met Egypte.

13Dan wordt er op de grote trompet geblazen. De Israëlieten die meegenomen waren naar Assyrië of Egypte, zullen terugkomen naar Jeruzalem. En daar zullen ze buigen voor de Heer, op zijn heilige berg.

28

De leiders zijn opscheppers

Samaria zal verdwijnen

281Samaria is nu nog een prachtige stad, boven op een heuvel in een vruchtbaar dal. Nu zijn de leiders van Samaria nog trots op hun stad. Terwijl ze dronken zijn, vertellen ze aan iedereen hoe mooi hun stad is. Maar het zal slecht aflopen met Samaria! De stad zal haar schoonheid verliezen, net als een bloem die op een dag uitgebloeid is.

2Want de Heer zal een koning sturen die sterk en krachtig is. Een koning die zo sterk is als een hevige storm of een felle hagelbui, en zo krachtig als de zee. Die koning zal Samaria aanvallen en met geweld veroveren. 3Die prachtige stad met haar dronken leiders zal verwoest worden. Er zal niets van overblijven.

4Samaria is nu nog een prachtige stad, boven op een heuvel in een vruchtbaar dal. Maar op een dag zal de stad haar schoonheid verliezen. Net als een bloem die op een dag uitgebloeid is. De stad zal zomaar verdwijnen, ineens zal ze weg zijn.

De Heer zelf wordt koning van Samaria

5Ooit zal de machtige Heer zelf koning zijn van Samaria. Voor de inwoners die overgebleven zijn, zal hij een goede heerser zijn. Zij zullen trots op hem zijn. 6De Heer zal zorgen dat er eerlijke rechters komen. En hij zal kracht en moed geven aan de inwoners die de stad verdedigen.

De priesters en profeten zijn dronken

7Ook in Jeruzalem is iedereen dronken, zelfs de priesters en de profeten. Ze staan niet stevig meer op hun benen. Door de wijn zijn ze helemaal in de war. Ze voorspellen rare dingen. 8Ze zijn zo dronken dat ze steeds moeten overgeven. Al hun tafels zijn vuil en vies.

De mensen begrijpen niet wat God wil

9De priesters en de profeten zeggen: ‘Wil Jesaja ons soms iets leren? Wil hij ons vertellen wat God wil? Maar het lijkt wel of hij in babytaal praat! Denkt hij soms dat we baby’s zijn? 10Hoor hoe hij praat: ‘Ta ta ta, ma ma ma. Beetje dit, beetje dat.’’

11-13De Heer heeft eens tegen zijn volk gezegd: ‘Hier in Jeruzalem vinden jullie rust, hier in Jeruzalem kan iedereen uitrusten.’ Maar toen wilden de mensen niet naar hem luisteren. Daarom zal de Heer tegen zijn volk spreken in een vreemde taal, een taal die niemand verstaat. En daarom zegt de Heer nu tegen zijn volk: ‘Ta ta ta, ma ma ma. Beetje dit, beetje dat.’

De mensen begrijpen niet wat God wil. Daarom zullen ze steeds weer struikelen en vallen. Ze zullen ernstig gewond raken of door de vijanden gevangen worden genomen.

De leiders denken dat ze veilig zijn

14-16Leiders van Israël, jullie vinden jezelf zo goed! Jullie hebben gezegd: ‘Wij hoeven niet bang te zijn voor onze vijanden. We vertrouwen op leugens en bedrog. We zijn veilig, want we hebben een afspraak gemaakt met de dood. Wij zullen beschermd worden tegen onverwachte rampen.’

Maar luister goed naar de woorden van God, de Heer. Want hij zegt: ‘Vertrouw niet op leugens en bedrog, vertrouw op mij. Ik heb op de berg Sion de eerste steen gelegd voor mijn tempel. Die tempel wordt heel stevig en sterk. Bij mijn tempel zijn jullie veilig, op mij kunnen jullie vertrouwen.

17Ik zal die tempel bouwen als een plaats van eerlijkheid en recht. Maar alle plaatsen van leugens en bedrog zullen door hagel vernield worden. Al die plaatsen waar jullie nu op vertrouwen, zullen door water weggespoeld worden.’

18Opeens zal het gebeuren. De rampen zullen heel plotseling komen. Dan kunnen jullie niet meer gered worden. Jullie afspraak met de dood is dan niets meer waard. 19Jullie zullen die rampen steeds opnieuw meemaken, elke dag en elke nacht. En jullie zullen heel erg bang zijn voor nieuwe rampen. 20Overal zullen jullie je onveilig voelen. Dan is het alsof je bed te klein is om op te liggen, en alsof je dekens te kort zijn om je warm te houden.

De Heer zal zijn volk straffen

21De Heer zal iets bijzonders gaan doen. Hij zal doen wat niemand verwacht. De Heer zal gaan strijden, zoals hij deed op de berg Perasim, en in het dal bij de stad Gibeon. 22Leiders van Israël, schep toch niet zo op! Houd daarmee op, anders krijgen jullie het nog moeilijker. Want de machtige Heer heeft besloten dat jullie land vernietigd wordt. Ik heb het zelf gehoord.

God leert de boer zaaien en oogsten

23Luister goed! Luister naar wat ik te zeggen heb. 24Wat doet een boer voordat hij gaat oogsten? Ploegt hij dan elke dag het land? Is dat het enige wat hij moet doen? 25Nee, want als hij het land geploegd heeft, moet hij zaaien. Dan zaait hij kruiden, tarwe en gerst. Alles moet op de juiste plek gezaaid worden. 26God leert de boer hoe hij dat allemaal moet doen.

27Bij de oogst moeten sommige kruiden platgeslagen worden met zwaar gereedschap. Andere kruiden worden fijngeslagen met een stok. 28Ook de graankorrels uit het koren moeten fijngeslagen worden. Daarvoor gebruikt de boer ander gereedschap. Dat gereedschap maakt het graan niet helemaal plat, anders kun je er geen brood van bakken. 29Ook dat weet de boer omdat de machtige Heer het hem geleerd heeft.

Niemand is zo wijs als de Heer. Hij heeft voor alles een plan.