Bijbel in Gewone Taal (BGT)
25

De Heer beschermt zijn volk

Jesaja dankt God in een lied

251Heer, u bent mijn God!

Ik zal voor u zingen,

ik zal vertellen hoe machtig u bent.

Want u hebt wonderen gedaan.

Alles wat u ooit besloten hebt,

dat hebt u ook gedaan.

Op u kunnen wij vertrouwen.

2De steden van de vijanden hebt u verwoest,

er is niets meer van over.

Die sterke steden zijn vernield.

Niemand kan er meer wonen,

ze worden nooit meer opgebouwd.

3Daarom zullen de vijanden bang voor u zijn.

Die sterke volken zullen eerbied voor u hebben,

ze zullen niemand meer onderdrukken.

4-5Bij u zijn zwakke mensen veilig,

bij u kunnen arme mensen schuilen.

Onze vijanden hebben ons geslagen,

zoals hagel tegen een muur slaat.

Ze gingen tekeer als een zware storm,

ze waren zo fel als de brandende zon

in een droge woestijn.

Maar u hebt ons tegen hen beschermd,

bij u zijn we veilig.

U laat onze vijanden zwijgen,

u laat hun geschreeuw verdwijnen.

Net zoals u de hitte laat verdwijnen

door de schaduw van een wolk.

De Heer zal alle volken bevrijden

6Op de berg Sion maakt de machtige Heer een maaltijd klaar. Het wordt een feestmaal voor alle volken, met heerlijk eten en drinken: vet en kruidig vlees, en goede wijnen met een krachtige smaak.

7Op die berg zal de Heer een eind maken aan de dood. De dood heeft nu nog macht over alle volken, 8maar hij zal voor altijd verdwijnen. God, de Heer, zal alle tranen van de gezichten vegen. En niemand zal zijn volk nog slecht behandelen. Dat heeft de Heer zelf beloofd.

9Als die dag komt, zullen de mensen zeggen: ‘De Heer is onze God! We wisten dat hij ons zou bevrijden. Hij is de Heer! We kunnen blij zijn en juichen, want de Heer heeft ons bevrijd.’

Het volk van Moab wordt vernietigd

10De Heer beschermt de berg Sion. Maar de Moabieten worden door legers aangevallen en vertrapt. 11Ze slaan met hun armen om zich heen, alsof ze zullen verdrinken. Maar hoe wild ze hun armen ook bewegen, ze worden niet gered.

De Heer maakt een eind aan de trots van de Moabieten. 12Hij haalt hun hoge muren omver, hun sterke stad zakt in elkaar. Er blijft niets van over.

26

Het lied ‘De Heer beschermt ons’

261Als die tijd komt, zullen de mensen in Juda dit lied zingen:

Wij hebben een sterke stad

‘Wij hebben een sterke stad!

Wij zijn veilig in onze stad,

want de Heer beschermt ons.

2Open de poorten van de stad!

Dan kunnen we naar binnen gaan,

want we vertrouwen op de Heer.

3Zoek steun bij de Heer,

dan ben je veilig.

Vertrouw op de Heer,

dan blijft het vrede.

4Vertrouw steeds op de Heer,

want hij is sterk en trouw,

hij zal er altijd zijn.

5Maar trotse mensen beschermt hij niet!

Hun hoge huizen breekt hij af.

Die mooie, veilige huizen,

hij verwoest ze allemaal.

Er blijft niets meer van over!

6Dan liggen die trotse mensen daar

en wordt er over hen heen gelopen.

Dan worden ze vertrapt

door mensen zonder bezit.

Wij verlangen naar u, Heer

7Heer, u helpt eerlijke mensen,

u zorgt dat hun leven goed is.

8Wij vertrouwen op u, Heer,

en we houden ons aan uw wet.

Wij verlangen naar u,

steeds noemen we uw naam.

9Wij verlangen naar u,

dag en nacht verlangen we naar uw komst.

Als u de aarde komt straffen,

leren de mensen hoe ze moeten leven.

10Maar slechte mensen leren dat nooit.

Zij leren niet om eerlijk te leven,

ook al bent u goed voor hen.

Heer, ze doen kwaad,

ook al leven ze in uw land.

Ze zien niet hoe machtig u bent,

11ze zien niet hoe groot u bent.

Laat slechte mensen zien

dat u uw volk verdedigt.

Laat slechte mensen zien

dat u uw vijanden met vuur vernietigt.

Dan zullen ze zich vernederd voelen.

Geef ons vrede, Heer

12Heer, geef ons vrede.

Wij kunnen niets zonder u.

13Grote leiders hadden macht over ons,

maar alleen u bent onze God,

alleen u willen wij danken.

14U hebt die leiders gestraft,

u hebt hen vernietigd.

Ze zijn nu dood,

ze zullen nooit meer leven.

Het zijn nu geesten,

ze staan niet meer op.

Niemand zal nog aan hen denken.

Wij zijn uw volk, Heer

15Wij zijn uw volk, Heer.

U hebt ons groot gemaakt,

dat weten alle mensen.

U hebt ons volk groot gemaakt,

u hebt ons steeds meer land gegeven.

16Heer, toen wij in nood waren,

hebben wij u om hulp gevraagd.

Toen u ons strafte,

hebben wij om u geroepen.

Wij konden het land niet redden

17-18Wij leken op een zwangere vrouw

die bijna ging bevallen,

en het uitschreeuwde van de pijn.

Maar er kwam geen kind,

er gebeurde niets.

Ook bij ons gebeurde er niets,

ook wij hebben ons land niets gebracht.

We hebben het land niet gered

en we brachten het ook geen hoop.

Zo zijn we bij u gekomen, Heer.

De doden zullen weer leven

19Doden die in de aarde liggen,

word wakker en juich!

Heer, uw doden zullen weer leven,

de doden van uw volk zullen weer opstaan.

Heer, uw regen brengt leven op aarde,

en de aarde geeft de doden weer terug.’

God zal zijn vijanden doden

20De Heer zegt: ‘Mijn volk, jullie moeten nog even wachten. Wacht totdat ik niet meer woedend ben. Ga maar weer naar binnen, en doe de deur goed achter je dicht. 21Want ik verlaat mijn woning. Ik zal de mensen op aarde straffen, omdat ze onschuldige mensen gedood hebben. Hun misdaden zullen voor niemand geheim blijven. De aarde zelf zal laten zien wat er gebeurd is.’

27

271Als de Heer komt, zal hij zijn vijanden doden. Die vijanden zijn zo gevaarlijk als slangen en zeemonsters! De Heer zal zijn vijanden doden met zijn grote, scherpe zwaard.

De Heer zorgt voor zijn volk

Het lied over de wijngaard

2Als de Heer komt, moeten jullie dit lied zingen:

3‘Ik ben de Heer,

en mijn volk is mijn wijngaard.

Ik zorg voor mijn wijngaard,

ik geef hem steeds weer water.

Dag en nacht bewaak ik hem,

ik zorg dat niemand hem vernielt.

4Als ik onkruid in mijn wijngaard vind,

dan haal ik het woedend weg,

en ik steek het in brand.

Dat onkruid is de vijand.

Maar ik zal niet altijd kwaad zijn.

5Als de vijand echt vrede wil,

en door mij beschermd wil worden,

zal ik hem niet vernietigen.

6Want als de vijand vrede wil,

dan zal het goed gaan met mijn volk,

dan zullen ze gelukkig zijn.

Dan groeien er zo veel vruchten op het land,

dat ze de hele aarde bedekken.’

De Heer heeft zijn volk gestraft

7Heeft de Heer de Israëlieten net zo zwaar gestraft als hun vijanden? Heeft hij zijn volk net zo hard geslagen als hun vijanden? 8Nee, maar hij heeft zijn volk opgejaagd en weggestuurd. Hij heeft hen weggeblazen met een hete wind uit het oosten. Zo wilde hij hen straffen. 9De Heer vernietigde alle godenbeelden. Zonder moeite sloeg hij de altaren kapot. Hij hakte elke paal om, hij sloeg alle stenen stuk. Zo heeft de Heer zijn volk gestraft, zo kwam er een eind aan hun schuld.

De sterke steden zijn verdwenen

10De sterke steden zijn verdwenen. Er woont bijna niemand meer. Het is er leeg en verlaten. Het is er zo dood als in de woestijn. Er lopen alleen koeien rond, en die vreten alle takken kaal. 11Vrouwen breken de takken af om vuur te maken.

God heeft dit volk gemaakt. Maar zijn volk doet niet wat hij vraagt. Daarom heeft God geen medelijden, hij zal zijn volk niet beschermen.

Het volk komt terug naar Jeruzalem

12Later zal de Heer zijn volk weer bij elkaar brengen. Hij zal de Israëlieten verzamelen, zoals je het koren verzamelt van een gemaaid stuk land. Hij zal de Israëlieten bij elkaar brengen, één voor één. Hij haalt ze overal vandaan: helemaal uit het oosten, bij de rivier de Eufraat, en ook helemaal uit het westen, bij de grens met Egypte.

13Dan wordt er op de grote trompet geblazen. De Israëlieten die meegenomen waren naar Assyrië of Egypte, zullen terugkomen naar Jeruzalem. En daar zullen ze buigen voor de Heer, op zijn heilige berg.