Bijbel in Gewone Taal (BGT)
16

Jeruzalem zal de Moabieten beschermen

161Volk van Moab, stuur boodschappers met een geschenk naar de koning van Juda in Jeruzalem. Stuur als geschenk een ram naar hem toe door de woestijn, vanuit Sela naar de berg Sion.

2Jullie boodschappers moeten het volgende zeggen: ‘Koning van Juda, laat onze vrouwen vluchten. Ze zijn zo bang als vogels die uit hun nest weggejaagd zijn. Geef onze vrouwen alstublieft toestemming om de rivier de Arnon over te steken. 3Koning van Juda, neem snel een besluit! U moet iets voor ons volk doen. Bescherm ons als we vluchten uit Moab, geef ons een veilige plek. Verraad ons niet aan onze vijanden, 4maar geef ons een thuis. Bescherm ons tegen de vijanden die het land verwoesten.’

Moab zal weer goed bestuurd worden

Op een dag zullen die vijanden verdwenen zijn. Dan wordt Moab niet meer verwoest. De koning die het volk van Moab onderdrukt, zal weggejaagd worden. 5Dan zal er een koning komen uit de familie van David. Die koning zal eerlijk zijn en trouw. Hij zal regeren als een goede rechter, die het recht kent en rechtvaardig is.

De Moabieten huilen

6Iedereen weet dat de Moabieten trots zijn. Ze zijn erg tevreden met zichzelf. Ze vinden hun volk beter dan andere volken. En ze denken dat ze sterker zijn dan anderen. Maar dat zijn ze niet.

7-8En nu hebben de Moabieten medelijden met zichzelf. Overal in Moab huilen de mensen. Ze zijn bedroefd, omdat er geen wijngaarden meer zijn. Vroeger groeiden er overal druiven, zelfs helemaal tot in het noorden van het land. Er waren zelfs wijngaarden in de woestijn, en aan de overkant van de Dode Zee.

Maar koningen van andere volken hebben de wijngaarden in Moab verwoest. En nu groeien er nergens druiven meer. Niet in de stad Chesbon, en ook niet in de steden Sibma of Kir-Chareset. Daar wordt geen wijn meer gemaakt, en er zijn ook geen rozijnenkoeken meer.

Jesaja huilt om Moab

9Ik huil ook, net als de Moabieten. Ik huil om de wijngaarden die verdwenen zijn. Ik huil om de wijngaarden bij de steden Jazer en Sibma, en bij de steden Chesbon en Elale. Niemand is meer vrolijk. Want er zijn geen vruchten meer in de zomer, en er is geen wijn meer in de herfst. 10-11Ik huil om Moab, ik huil van verdriet. Niemand juicht meer bij de fruitbomen, niemand zingt meer in de wijngaard. Er zijn geen druiven meer om wijn of koeken van te maken. Niemand is meer vrolijk, er wordt niet meer gelachen.

12Nu gaan de inwoners van Moab steeds vaker naar de offerplaatsen. Ze komen steeds vaker naar de tempel om te bidden. Maar het helpt allemaal niet.

Moab zal zijn macht verliezen

13Volk van Moab, dat heeft de Heer allemaal over jullie gezegd. 14En hij zegt ook nog het volgende: ‘Over precies drie jaar zal er een eind komen aan jullie macht. Er zal weinig overblijven van jullie land.’

17

Aram en Israël verliezen hun macht

De Arameeërs zullen hun macht verliezen

171Volk van Aram, dit zegt de Heer tegen jullie: ‘Over een tijd zal Damascus niet meer bestaan. Jullie stad zal helemaal verwoest worden, er blijft alleen een hoop stenen over. 2Ook de steden in het gebied Aroër zullen verlaten zijn, er zullen geen mensen meer wonen. Er lopen dan alleen nog koeien en schapen rond, en geen mens zal ze wegjagen.

3-4Nu is Damascus nog de belangrijkste stad van een groot rijk. Maar die stad zal verdwijnen. Het land Aram zal zijn macht verliezen.’ Dat zegt de machtige Heer.

De Israëlieten zullen hun macht verliezen

Volk van Israël, dit zegt de Heer tegen jullie: ‘Over een tijd zal ook Israël zijn macht verliezen. Nu is het land nog rijk, maar die rijkdom zal verdwijnen.

5Alle rijkdom van Israël zal verdwijnen. Vergelijk het maar met het Refaïm-dal in de tijd van de oogst. Dan maait de boer het koren van het land. Zelfs het allerlaatste koren maait hij weg, waardoor het land echt helemaal kaal wordt.

6Of vergelijk het met de oogst van olijven. Na de oogst blijven er in de boom maar heel weinig olijven over. In de top van de boom maar twee, of misschien drie. En aan de takken van de boom vier, of misschien vijf.’ Dat zegt de Heer, de God van Israël.

De mensen zullen God weer gaan zoeken

7Als die tijd komt, zoeken alle mensen weer steun bij de heilige God, de God van Israël. Ze zoeken weer hulp bij de God die de mensen gemaakt heeft. 8Ze zullen geen hulp meer vragen aan de goden die ze zelf bedacht hebben. Ze brengen geen offers meer op altaren die ze zelf gebouwd hebben. En ze vertrouwen niet langer op beelden die ze voor hun goden gemaakt hebben.

De mensen in Israël zijn God vergeten

9-11Volk van Israël, jullie zijn vergeten dat God jullie helpt. Hij beschermt jullie, bij hem ben je veilig. Maar jullie zijn hem vergeten.

Jullie vereren nu allemaal andere goden. Voor hen hebben jullie prachtige tuinen gemaakt, met mooie planten erin. Die planten groeien heel snel. Meteen nadat ze gezaaid zijn, bloeien ze al.

Maar straks komt er een tijd van rampen en groot verdriet. Dan hebben jullie niets aan die goden. Dan zal alles wat jullie geplant hebben, verdwijnen. En dan zullen jullie sterke steden helemaal leeg zijn. Dan woont er niemand meer, net als in een woestijn. Het zal er stil zijn, zo stil als in een groot bos.

De volken maken veel lawaai

12-14Volk van Israël, luister! Het lawaai van de andere volken is al te horen! Het klinkt als de zee die buldert met zijn hoge golven. Op een avond zullen die volken komen! Ze zullen naar Israël komen, ze komen met veel geweld.

Maar als God gaat spreken, vluchten al die volken weg. Ze vluchten alle kanten op. Ze lijken op stof dat wegwaait door de wind uit de bergen. Ze lijken op bladeren die rondvliegen in een storm. Dan zullen die volken snel vernietigd worden, nog voor het ochtend wordt!

Zo loopt het af met de volken die Israël komen leegroven.

18

Nubië wordt gestraft

Het zal slecht aflopen met Nubië

181Het zal slecht aflopen met Nubië, het land tussen de rivieren, het land met zijn snelle boten. 2Het land dat boodschappers stuurt over zee, in hun boten van riet.

Snelle boodschappers, luister! Ga terug naar Nubië, naar jullie volk. Ga terug naar die lange mensen met hun glanzende huid, die mensen voor wie iedereen bang is. Ga terug naar jullie sterke en machtige volk, dat woont in het land van de rivieren.

Kijk hoe de Nubiërs gestraft worden

3Let op, iedereen! Let op, bewoners van de aarde! Op de bergen zullen jullie een vlag zien staan. En jullie zullen het geluid van trompetten horen. 4De Heer zegt: ‘Ik kijk vanuit mijn woning naar de aarde. Ik kijk heel stil naar jullie. Zo stil als de hete zon, die midden op de dag aan de hemel staat. Zo stil als de warme lucht, die in de zomer boven het land hangt.’

5Straks gaan de druiven groeien. Straks worden ze rijp. Maar ze zullen al vernietigd worden voordat het tijd is voor de oogst. Dan worden de druivenplanten afgesneden en de jonge takken afgebroken.

6Straks lijken de Nubiërs op de stengels en takken die blijven liggen. Want hun lichamen zullen op het land liggen als voer voor de dieren. In de zomer worden de lichamen opgegeten door de roofvogels uit de bergen. En in de winter eten wilde dieren alle resten op.

De Nubiërs komen naar Jeruzalem

7Na die straf zullen de Nubiërs die overgebleven zijn, geschenken brengen aan de machtige Heer. En dan komt dat volk uit Nubië naar Jeruzalem. Dat volk waar iedereen bang voor is, dat sterke en machtige volk uit het land van de rivieren, die lange mensen met hun glanzende huid. Dan komen ze naar de berg Sion, waar de machtige Heer woont.