Bijbel in Gewone Taal (BGT)
17

Aram en Israël verliezen hun macht

De Arameeërs zullen hun macht verliezen

171Volk van Aram, dit zegt de Heer tegen jullie: ‘Over een tijd zal Damascus niet meer bestaan. Jullie stad zal helemaal verwoest worden, er blijft alleen een hoop stenen over. 2Ook de steden in het gebied Aroër zullen verlaten zijn, er zullen geen mensen meer wonen. Er lopen dan alleen nog koeien en schapen rond, en geen mens zal ze wegjagen.

3-4Nu is Damascus nog de belangrijkste stad van een groot rijk. Maar die stad zal verdwijnen. Het land Aram zal zijn macht verliezen.’ Dat zegt de machtige Heer.

De Israëlieten zullen hun macht verliezen

Volk van Israël, dit zegt de Heer tegen jullie: ‘Over een tijd zal ook Israël zijn macht verliezen. Nu is het land nog rijk, maar die rijkdom zal verdwijnen.

5Alle rijkdom van Israël zal verdwijnen. Vergelijk het maar met het Refaïm-dal in de tijd van de oogst. Dan maait de boer het koren van het land. Zelfs het allerlaatste koren maait hij weg, waardoor het land echt helemaal kaal wordt.

6Of vergelijk het met de oogst van olijven. Na de oogst blijven er in de boom maar heel weinig olijven over. In de top van de boom maar twee, of misschien drie. En aan de takken van de boom vier, of misschien vijf.’ Dat zegt de Heer, de God van Israël.

De mensen zullen God weer gaan zoeken

7Als die tijd komt, zoeken alle mensen weer steun bij de heilige God, de God van Israël. Ze zoeken weer hulp bij de God die de mensen gemaakt heeft. 8Ze zullen geen hulp meer vragen aan de goden die ze zelf bedacht hebben. Ze brengen geen offers meer op altaren die ze zelf gebouwd hebben. En ze vertrouwen niet langer op beelden die ze voor hun goden gemaakt hebben.

De mensen in Israël zijn God vergeten

9-11Volk van Israël, jullie zijn vergeten dat God jullie helpt. Hij beschermt jullie, bij hem ben je veilig. Maar jullie zijn hem vergeten.

Jullie vereren nu allemaal andere goden. Voor hen hebben jullie prachtige tuinen gemaakt, met mooie planten erin. Die planten groeien heel snel. Meteen nadat ze gezaaid zijn, bloeien ze al.

Maar straks komt er een tijd van rampen en groot verdriet. Dan hebben jullie niets aan die goden. Dan zal alles wat jullie geplant hebben, verdwijnen. En dan zullen jullie sterke steden helemaal leeg zijn. Dan woont er niemand meer, net als in een woestijn. Het zal er stil zijn, zo stil als in een groot bos.

De volken maken veel lawaai

12-14Volk van Israël, luister! Het lawaai van de andere volken is al te horen! Het klinkt als de zee die buldert met zijn hoge golven. Op een avond zullen die volken komen! Ze zullen naar Israël komen, ze komen met veel geweld.

Maar als God gaat spreken, vluchten al die volken weg. Ze vluchten alle kanten op. Ze lijken op stof dat wegwaait door de wind uit de bergen. Ze lijken op bladeren die rondvliegen in een storm. Dan zullen die volken snel vernietigd worden, nog voor het ochtend wordt!

Zo loopt het af met de volken die Israël komen leegroven.

Nubië wordt gestraft

Het zal slecht aflopen met Nubië

181Het zal slecht aflopen met Nubië, het land tussen de rivieren, het land met zijn snelle boten. 2Het land dat boodschappers stuurt over zee, in hun boten van riet.

Snelle boodschappers, luister! Ga terug naar Nubië, naar jullie volk. Ga terug naar die lange mensen met hun glanzende huid, die mensen voor wie iedereen bang is. Ga terug naar jullie sterke en machtige volk, dat woont in het land van de rivieren.

Kijk hoe de Nubiërs gestraft worden

3Let op, iedereen! Let op, bewoners van de aarde! Op de bergen zullen jullie een vlag zien staan. En jullie zullen het geluid van trompetten horen. 4De Heer zegt: ‘Ik kijk vanuit mijn woning naar de aarde. Ik kijk heel stil naar jullie. Zo stil als de hete zon, die midden op de dag aan de hemel staat. Zo stil als de warme lucht, die in de zomer boven het land hangt.’

5Straks gaan de druiven groeien. Straks worden ze rijp. Maar ze zullen al vernietigd worden voordat het tijd is voor de oogst. Dan worden de druivenplanten afgesneden en de jonge takken afgebroken.

6Straks lijken de Nubiërs op de stengels en takken die blijven liggen. Want hun lichamen zullen op het land liggen als voer voor de dieren. In de zomer worden de lichamen opgegeten door de roofvogels uit de bergen. En in de winter eten wilde dieren alle resten op.

De Nubiërs komen naar Jeruzalem

7Na die straf zullen de Nubiërs die overgebleven zijn, geschenken brengen aan de machtige Heer. En dan komt dat volk uit Nubië naar Jeruzalem. Dat volk waar iedereen bang voor is, dat sterke en machtige volk uit het land van de rivieren, die lange mensen met hun glanzende huid. Dan komen ze naar de berg Sion, waar de machtige Heer woont.

19

De Heer zal Egypte straffen

Het zal slecht aflopen met Egypte

191Volk van Egypte, dit zegt de Heer tegen jullie: ‘Let op, want ik kom snel op een wolk naar Egypte. Als ik kom, dan beven jullie goden van schrik. En jullie zullen zelf ook de moed verliezen.

2Ik zal zorgen dat iedereen ruzie met elkaar krijgt. Jullie zullen tegen elkaar vechten, jullie allemaal. Jullie zullen vechten tegen je eigen vrienden. De ene stad vecht tegen de andere, het ene deel van het land vecht tegen het andere. 3Jullie zullen in de war raken. Daar zal ik voor zorgen. Dan weten jullie niet meer wat je doet, en dan mislukken jullie plannen. Jullie zullen je goden en waarzeggers om raad vragen. Jullie zullen de geesten van de doden om raad vragen. 4Dan zorg ik ervoor dat er in Egypte een machtige koning komt. Een koning die streng is en met niemand medelijden heeft.’

Dat zegt God, de machtige Heer.

Er zal geen water meer zijn in de Nijl

5Er zal geen water meer zijn in de Nijl. De rivier stroomt leeg, hij wordt helemaal droog. 6-7En alle andere rivieren van Egypte gaan stinken. En ze worden steeds smaller, totdat ze helemaal opgedroogd zijn. Het riet en de planten langs de rivieren verdorren, het land langs de Nijl krijgt geen water meer. Alles wordt stof, en het stof waait weg. Er blijft niets over.

8De vissers zullen klagen en jammeren. Want ze kunnen geen vis meer vangen. Ze vangen niets meer met hun hengels, en ook niet met hun netten.

9-10Ook alle arbeiders die met kleren en stoffen werken, zullen somber zijn. Want er groeien nergens meer planten om stof voor kleding van te maken.

Dan zal iedereen wanhopig zijn, iedereen zal de moed verliezen.

De leiders van Egypte zijn onverstandig

11De leiders van de stad Soan denken dat ze de beste raadgevers zijn van de farao. Ze zeggen: ‘Wij zijn net zo wijs als onze voorouders. Wij zijn zonen van de wijze koningen van lang geleden.’ Hoe durven ze dat te zeggen? Want ze geven helemaal geen goede raad aan de farao! 12-13De leiders van de steden Soan en Memfis gebruiken hun verstand niet. Ze luisteren naar leugens. Ze moeten leiding geven aan Egypte, maar ze maken de mensen onzeker.

Volk van Egypte, jullie vinden je leiders toch zo verstandig? Maar zij kunnen jullie niet vertellen wat de machtige Heer met Egypte van plan is! 14De Heer heeft ervoor gezorgd dat jullie leiders in de war zijn. En daardoor zijn ze onzeker over alles wat ze doen. Jullie volk lijkt wel dronken!

15Er is geen mens in Egypte die nog iets kan bereiken. Geen mens, rijk of arm, belangrijk of onbelangrijk. Nergens in het hele land wordt nog iets goeds gedaan.

De Egyptenaren zullen bang zijn

16-17Er komt een tijd dat de Egyptenaren bang zullen zijn. Ze zullen zo bang zijn als vrouwen. Ze zullen bang zijn dat de machtige Heer hen zal straffen. Ze zullen al bang zijn als ze de naam Juda horen! Juda, het land dat de Heer zo streng gestraft heeft.

Vijf steden beloven trouw aan de Heer

18Er komt een tijd dat in Egypte de taal van het land Kanaän gesproken wordt. Dat zal gebeuren in vijf steden. De inwoners van die steden zullen trouw beloven aan de machtige Heer. En één van die steden zal Stad van de Zon genoemd worden.

De Heer zal de Egyptenaren redden

19Er komt een tijd dat er midden in Egypte een altaar voor de Heer zal staan. En bij de grens van Egypte zal een grote steen voor de Heer staan. 20Het altaar en de steen zullen daar staan als teken voor de machtige Heer. Dan zal hij aan de Egyptenaren denken als ze door vijanden onderdrukt worden. Als de Egyptenaren om hulp roepen, zal de Heer een redder sturen. Die zal voor hen vechten en hen bevrijden.

21Als die tijd komt, zal de Heer aan de Egyptenaren laten zien wie hij is. Dan weten de Egyptenaren wie de Heer is. Ze zullen hem offers brengen en ze zullen hem beloftes doen. En ze zullen doen wat ze beloofd hebben.

22Eerst zal de Heer de Egyptenaren straffen, maar daarna zullen ze weer bij hem terugkomen. Dan zal de Heer luisteren naar hun gebeden, en hij zal zorgen dat het weer goed met hen gaat.

De Heer zal drie landen zegenen

23Er komt een tijd dat er een weg is tussen Egypte en Assyrië. Dan gaan de Assyriërs naar Egypte, en de Egyptenaren gaan naar Assyrië. En samen zullen zij de Heer gaan vereren. 24-25Israël zal dan het derde land zijn dat gezegend wordt, na Egypte en Assyrië. De machtige Heer zal die drie landen zegenen. Hij zal zeggen: ‘Gezegend is Egypte, het land van mijn volk. Gezegend is Assyrië, het land dat ik gemaakt heb. En gezegend is Israël, het land dat ik uitgekozen heb.’ Dan zal Israël voor iedereen op aarde een voorbeeld zijn.