Bijbel in Gewone Taal (BGT)
15

Moab wordt verwoest

Het gaat slecht met de Moabieten

151Volk van Moab, dit zegt de Heer tegen jullie: ‘Jullie steden Ar en Kir zijn in één nacht verwoest. Het is afgelopen met jullie land Moab!

2De inwoners van de stad Dibon gaan naar de tempel en naar de offerplaatsen om te huilen en te klagen. Alle Moabieten huilen om de steden Nebo en Medeba. Iedereen heeft zijn hoofd kaalgeschoren en zijn baard afgeknipt, als teken van rouw. 3Op straat draagt iedereen rouwkleren. Overal huilen de mensen: op de daken van de huizen, op de pleinen van de stad. Iedereen is in tranen. 4De inwoners van Chesbon en Elale schreeuwen om hulp, zelfs in Jahas kun je hen horen huilen. Ook de soldaten van Moab beven van angst. Ze hebben alle moed verloren.’

Jesaja heeft medelijden met Moab

5Ik heb medelijden met de Moabieten. Ik weet dat ze zullen vluchten! Ze zullen vluchten naar het zuiden, helemaal naar de steden Soar en Eglat-Selisia. Huilend en jammerend gaan ze verder, de weg omhoog naar de steden Luchit en Choronaïm.

6Het land van de Moabieten is leeg en dood, nergens groeit meer iets. Het gras is geel geworden. En zelfs in de rivier de Nimrim staat geen water meer. 7De Moabieten hebben bijna niets meer. Maar de paar dingen die ze nog hebben, nemen ze mee naar de overkant van de Wilgenrivier. Alleen daar is het veilig.

8In heel het land Moab hoor je mensen huilen. Van het zuiden tot het noorden hoor je hen klagen en jammeren. 9Het water in de rivier de Dimon is al rood van het bloed. Maar de Heer zal zorgen dat het nog erger wordt. Hij stuurt leeuwen op de Moabieten af. Die leeuwen zullen hen aanvallen en het hele land verwoesten.

16

Jeruzalem zal de Moabieten beschermen

161Volk van Moab, stuur boodschappers met een geschenk naar de koning van Juda in Jeruzalem. Stuur als geschenk een ram naar hem toe door de woestijn, vanuit Sela naar de berg Sion.

2Jullie boodschappers moeten het volgende zeggen: ‘Koning van Juda, laat onze vrouwen vluchten. Ze zijn zo bang als vogels die uit hun nest weggejaagd zijn. Geef onze vrouwen alstublieft toestemming om de rivier de Arnon over te steken. 3Koning van Juda, neem snel een besluit! U moet iets voor ons volk doen. Bescherm ons als we vluchten uit Moab, geef ons een veilige plek. Verraad ons niet aan onze vijanden, 4maar geef ons een thuis. Bescherm ons tegen de vijanden die het land verwoesten.’

Moab zal weer goed bestuurd worden

Op een dag zullen die vijanden verdwenen zijn. Dan wordt Moab niet meer verwoest. De koning die het volk van Moab onderdrukt, zal weggejaagd worden. 5Dan zal er een koning komen uit de familie van David. Die koning zal eerlijk zijn en trouw. Hij zal regeren als een goede rechter, die het recht kent en rechtvaardig is.

De Moabieten huilen

6Iedereen weet dat de Moabieten trots zijn. Ze zijn erg tevreden met zichzelf. Ze vinden hun volk beter dan andere volken. En ze denken dat ze sterker zijn dan anderen. Maar dat zijn ze niet.

7-8En nu hebben de Moabieten medelijden met zichzelf. Overal in Moab huilen de mensen. Ze zijn bedroefd, omdat er geen wijngaarden meer zijn. Vroeger groeiden er overal druiven, zelfs helemaal tot in het noorden van het land. Er waren zelfs wijngaarden in de woestijn, en aan de overkant van de Dode Zee.

Maar koningen van andere volken hebben de wijngaarden in Moab verwoest. En nu groeien er nergens druiven meer. Niet in de stad Chesbon, en ook niet in de steden Sibma of Kir-Chareset. Daar wordt geen wijn meer gemaakt, en er zijn ook geen rozijnenkoeken meer.

Jesaja huilt om Moab

9Ik huil ook, net als de Moabieten. Ik huil om de wijngaarden die verdwenen zijn. Ik huil om de wijngaarden bij de steden Jazer en Sibma, en bij de steden Chesbon en Elale. Niemand is meer vrolijk. Want er zijn geen vruchten meer in de zomer, en er is geen wijn meer in de herfst. 10-11Ik huil om Moab, ik huil van verdriet. Niemand juicht meer bij de fruitbomen, niemand zingt meer in de wijngaard. Er zijn geen druiven meer om wijn of koeken van te maken. Niemand is meer vrolijk, er wordt niet meer gelachen.

12Nu gaan de inwoners van Moab steeds vaker naar de offerplaatsen. Ze komen steeds vaker naar de tempel om te bidden. Maar het helpt allemaal niet.

Moab zal zijn macht verliezen

13Volk van Moab, dat heeft de Heer allemaal over jullie gezegd. 14En hij zegt ook nog het volgende: ‘Over precies drie jaar zal er een eind komen aan jullie macht. Er zal weinig overblijven van jullie land.’

17

Aram en Israël verliezen hun macht

De Arameeërs zullen hun macht verliezen

171Volk van Aram, dit zegt de Heer tegen jullie: ‘Over een tijd zal Damascus niet meer bestaan. Jullie stad zal helemaal verwoest worden, er blijft alleen een hoop stenen over. 2Ook de steden in het gebied Aroër zullen verlaten zijn, er zullen geen mensen meer wonen. Er lopen dan alleen nog koeien en schapen rond, en geen mens zal ze wegjagen.

3-4Nu is Damascus nog de belangrijkste stad van een groot rijk. Maar die stad zal verdwijnen. Het land Aram zal zijn macht verliezen.’ Dat zegt de machtige Heer.

De Israëlieten zullen hun macht verliezen

Volk van Israël, dit zegt de Heer tegen jullie: ‘Over een tijd zal ook Israël zijn macht verliezen. Nu is het land nog rijk, maar die rijkdom zal verdwijnen.

5Alle rijkdom van Israël zal verdwijnen. Vergelijk het maar met het Refaïm-dal in de tijd van de oogst. Dan maait de boer het koren van het land. Zelfs het allerlaatste koren maait hij weg, waardoor het land echt helemaal kaal wordt.

6Of vergelijk het met de oogst van olijven. Na de oogst blijven er in de boom maar heel weinig olijven over. In de top van de boom maar twee, of misschien drie. En aan de takken van de boom vier, of misschien vijf.’ Dat zegt de Heer, de God van Israël.

De mensen zullen God weer gaan zoeken

7Als die tijd komt, zoeken alle mensen weer steun bij de heilige God, de God van Israël. Ze zoeken weer hulp bij de God die de mensen gemaakt heeft. 8Ze zullen geen hulp meer vragen aan de goden die ze zelf bedacht hebben. Ze brengen geen offers meer op altaren die ze zelf gebouwd hebben. En ze vertrouwen niet langer op beelden die ze voor hun goden gemaakt hebben.

De mensen in Israël zijn God vergeten

9-11Volk van Israël, jullie zijn vergeten dat God jullie helpt. Hij beschermt jullie, bij hem ben je veilig. Maar jullie zijn hem vergeten.

Jullie vereren nu allemaal andere goden. Voor hen hebben jullie prachtige tuinen gemaakt, met mooie planten erin. Die planten groeien heel snel. Meteen nadat ze gezaaid zijn, bloeien ze al.

Maar straks komt er een tijd van rampen en groot verdriet. Dan hebben jullie niets aan die goden. Dan zal alles wat jullie geplant hebben, verdwijnen. En dan zullen jullie sterke steden helemaal leeg zijn. Dan woont er niemand meer, net als in een woestijn. Het zal er stil zijn, zo stil als in een groot bos.

De volken maken veel lawaai

12-14Volk van Israël, luister! Het lawaai van de andere volken is al te horen! Het klinkt als de zee die buldert met zijn hoge golven. Op een avond zullen die volken komen! Ze zullen naar Israël komen, ze komen met veel geweld.

Maar als God gaat spreken, vluchten al die volken weg. Ze vluchten alle kanten op. Ze lijken op stof dat wegwaait door de wind uit de bergen. Ze lijken op bladeren die rondvliegen in een storm. Dan zullen die volken snel vernietigd worden, nog voor het ochtend wordt!

Zo loopt het af met de volken die Israël komen leegroven.