Bijbel in Gewone Taal (BGT)
12

Een lied voor de Heer

De Heer zal zijn volk bevrijden

121Als de nieuwe koning komt, zal iemand van Gods volk zeggen:

‘Ik wil u danken, Heer.

U bent kwaad op mij geweest,

maar dat is nu voorbij.

U geeft mij weer moed.

2God, u bent mijn redder,

op u vertrouw ik.

Ik ben niet bang meer,

want u geeft mij kracht, Heer.

U beschermt me,

u hebt me bevrijd.’

Het volk zal blij zijn

3Het volk van de Heer zal blij zijn als de Heer hen bevrijd heeft. Dan genieten de mensen weer van het leven, zoals iemand geniet van fris water uit een bron. 4Als de nieuwe koning komt, zullen ze zeggen:

‘Dank de Heer!

Maak overal bekend wie hij is.

Vertel aan alle volken wat hij gedaan heeft.

5Zing een lied voor de Heer!

Want hij heeft grote dingen gedaan.

De hele aarde moet het weten.

6Inwoners van Jeruzalem, juich!

Want de God van Israël is machtig,

de heilige God die bij jullie woont.’

13

Babylonië verliest zijn macht

131Jesaja, de zoon van Amos, zag in een droom wat er met het land Babylonië zou gebeuren. Hij maakte de volgende boodschap bekend.

De Heer stuurt een leger naar Babel

Volk van Babylonië, luister. De Heer zegt: 2‘Soldaten van alle volken, zet een vlag neer op een kale berg! Geef zo het teken dat de strijd begint. Kom naar de poorten van Babel, de stad met haar machtige leiders!’

3De Heer heeft al zijn dappere soldaten bij elkaar geroepen. Zij moeten de stad Babel straffen. De Heer geeft bevelen, en zijn soldaten juichen over zijn macht! 4Er doen veel volken mee aan de strijd. Je hoort ze over de bergen komen, er komen steeds meer soldaten bij. Ze komen allemaal naar Babel, met veel lawaai komen ze dichterbij. De machtige Heer heeft zijn soldaten verzameld. 5Hij heeft ze overal vandaan gehaald, uit de verste landen. Daar komen ze al!

De Heer is woedend op de Babyloniërs. Daarom zullen zijn soldaten heel Babylonië verwoesten.

De dag dat de Heer komt, is dichtbij

6Iedereen moet huilen! Want de verschrikkelijke dag dat de Heer komt, is dichtbij. De machtige God brengt een tijd van grote rampen.

7De mensen zijn geschrokken en hun handen trillen. 8Ze zijn zo bang dat hun hele lichaam pijn doet! Ze kijken elkaar angstig aan, hun gezichten zijn wit van schrik.

9De dag dat de Heer komt, is dichtbij. Het zal een verschrikkelijke dag zijn, want de Heer is woedend. Hij zal alle slechte mensen doden. En hij zal het hele land veranderen in een woestijn. 10Dan geven de sterren aan de hemel geen licht meer. Overdag blijft de zon donker. En ’s nachts zal het licht van de maan verdwenen zijn.

De Heer zal de wereld straffen

11De Heer zegt: ‘Ik zal de wereld straffen, omdat de mensen slecht zijn en verkeerde dingen doen. Ik straf alle trotse leiders. Zij voelen zich groot en sterk, maar ik maak hen klein en zwak. 12Als ik de wereld gestraft heb, zal er bijna niemand meer leven. Er blijven zo weinig mensen over, dat je ze bijna niet kunt vinden. Je vindt nog eerder goud uit het land Ofir.

13Er komt een dag waarop ik mijn woede laat zien! Dan zal ik de aarde laten beven. Ik zal zelfs de hemel laten beven! Want ik ben de machtige Heer.’

Niemand is veilig als de Heer komt

14Op die dag zullen de mensen vluchten. Ze vluchten weg naar hun eigen land en naar hun eigen volk. Ze rennen weg als herten die op de vlucht zijn. Ze rennen door elkaar als schapen die opgejaagd worden. 15De meeste mensen worden gepakt en meteen gedood. Anderen worden eerst gevangengenomen. Maar ook zij zullen sterven.

16Op die dag zullen mensen zien hoe hun kinderen gedood worden. Ze zullen zien hoe hun huizen leeggehaald worden. En ze zullen zien hoe hun vrouwen verkracht worden.

De Meden zullen Babel aanvallen

17De Heer zegt: ‘Ik stuur het leger van de Meden naar de stad Babel. Dan hebben de inwoners van Babel niets meer aan hun rijkdom. Want de Meden laten zich niet omkopen, niet met zilver en niet met goud.

18De Meden zullen jonge mannen neerschieten met hun pijlen. Ze zullen geen medelijden hebben, zelfs niet met kinderen en baby’s.’

Babel wordt volledig verwoest

19Babel zal verwoest worden. Babel, de mooiste stad op aarde. De stad waar de Babyloniërs zo trots op zijn. God zal die stad volledig verwoesten, net zoals hij deed met de steden Sodom en Gomorra.

20In Babel zullen nooit meer mensen wonen, de stad blijft voor altijd leeg. Niemand zal er nog in de buurt komen, zelfs geen herder met zijn schapen. 21In de straten van de stad lopen dan dieren uit de woestijn. In de verwoeste huizen leven uilen en andere vogels. En overal springen bokken rond. 22In de lege huizen hoor je het gehuil van wilde honden. En in de paleizen die vroeger zo mooi waren, hoor je wolven huilen.

Zo zal er een eind komen aan Babel. Het is afgelopen met die stad!

14

Het volk zal weer in Israël wonen

141-2Er komt een tijd dat de Heer weer medelijden krijgt met het volk van Israël. Dan zal hij weer voor hen kiezen. Nu wonen er andere volken in Israël. Maar zij zullen de Israëlieten weer terughalen. En dan zullen ze allemaal samen in Israël wonen.

En daarna zullen de Israëlieten heersen over die andere volken, en ze als slaven laten werken. Eerst zullen de Israëlieten onderdrukt worden. Maar daarna worden die andere volken onderdrukt!

De Heer zal voor vrede zorgen

3Als die tijd komt, zal de Heer zorgen dat er vrede is. Dan hoeven de Israëlieten niet meer als slaven te werken. Er komt een eind aan alle ellende die ze meegemaakt hebben.

4-6Dan zullen de Israëlieten de koning van Babylonië uitlachen. Ze zullen zeggen: ‘Het is afgelopen met die onderdrukker, afgelopen met die aanvaller! Het is afgelopen met alle slechte koningen. Altijd hebben ze andere volken aangevallen. Maar nu heeft de Heer een eind gemaakt aan hun macht.’

7Dan is er overal op aarde weer vrede. De mensen zijn vrolijk en ze juichen. 8Alle koningen en heersers juichen. Ze zeggen: ‘De koning van Babylonië is verslagen. Nu zal er niemand meer komen om ons te straffen.’

De koning van Babylonië zal sterven

9Koning van Babylonië, de geesten in het land van de dood maken zich klaar om jou te ontvangen. Ze wachten al op je. Alle geesten die vroeger leider waren van een volk, zullen voor jou opstaan. Ze zullen opstaan van hun troon 10en tegen je zeggen: ‘Welkom! Nu ben jij net zo zwak als wij. Je bent nu ook een geest, net als wij. 11Je komt hier binnen als een trotse koning, maar je hebt hier niets aan je rijkdom. Je hebt hier geen prachtig bed met mooie dekens. Je ligt hier tussen de wormen en de maden.’

De koning is diep gevallen

12Je schitterde als een ster aan de hemel, koning van Babylonië. Als een ster die straalde in de vroege ochtend. Maar je bent heel diep gevallen. Jij hebt zo veel volken overwonnen! Maar nu lig je daar, machteloos.

13Je zei tegen jezelf: ‘Ik word de machtigste koning van de wereld. Ik klim omhoog naar de hemel. Ik zet mijn troon boven de sterren. Ik ga regeren op de toppen van de berg Safon, waar de goden wonen. 14Ik wil tot boven de wolken komen, want dan ben ik net zo machtig als God.’

15Maar je bent helemaal niet omhooggeklommen, je bent helemaal niet machtig geworden! Je bent juist naar beneden gevallen. Je bent nu dood! Je ligt in een diepe, diepe put.

De koning krijgt geen eigen graf

16Dan zien de mensen jou, koning van Babylonië. En ze kijken nog eens goed en zeggen: ‘Is dit nu de man voor wie iedereen bang was, voor wie de hele wereld beefde? 17Is dit de man die van de wereld een woestijn maakte, en die alle steden verwoestte? Is dit de man die gevangenen nooit naar huis liet gaan?’

18Andere koningen krijgen een prachtig graf. Ze worden allemaal met veel eer begraven. 19Maar jij zult ver van je eigen graf liggen. Als een stuk afval, onder een heleboel andere doden. Die zijn allemaal gedood in de oorlog. Ze zijn in een diepe put gegooid en daarna met stenen bedekt. Daar zul jij tussen de andere doden liggen.

20Jij zult niet begraven worden met veel eer, zoals de andere koningen. Want je hebt je land verwoest en je volk vermoord. Je bent zo slecht geweest dat er nooit meer iemand over je zal spreken.

Babylonië zal alle macht verliezen

21Ook je opvolgers zullen gedood worden. Ze zullen gestraft worden voor jouw misdaden. De Babyloniërs zullen nooit meer heersen over de wereld. Ze zullen nooit meer steden bouwen in andere landen.

22-23De machtige Heer zegt: ‘Ik zal Babel straffen, ik zal die stad verwoesten. Ik zal alle inwoners laten verdwijnen, alsof ik ze wegveeg met een bezem. Er zullen alleen nog wilde dieren wonen. Want ik maak van Babel één groot moeras.’

Ook Assyrië zal zijn macht verliezen

24De machtige Heer zegt: ‘Wat ik van plan ben, dat zal zeker gebeuren. Ik heb het volgende besluit genomen: 25Ik maak een eind aan de macht van de Assyriërs. Ze zullen niet langer de baas zijn over mijn land, en ook niet over mijn volk. Want de Israëlieten zullen bevrijd worden. Ik zal de zware last van hun schouders weghalen. Ze zullen niet meer onderdrukt worden.’

Niemand kan Gods besluit tegenhouden

26Dat besluit van de Heer geldt voor de hele aarde. Alle volken op aarde zal hij straffen. 27En als de machtige Heer dat besloten heeft, kan niemand daar iets tegen doen. Als de Heer volken wil straffen, kan niemand hem tegenhouden.

De Filistijnen zijn in gevaar

28In het jaar dat koning Achaz stierf, maakte Jesaja de volgende boodschap bekend.

Het loopt slecht af met de Filistijnen

De Heer zegt: 29‘Juich niet te vroeg, Filistijnen. Jullie onderdrukkers zijn wel dood, maar het gevaar is nog niet weg! Want later zullen jullie nog zwaarder onderdrukt worden.

30Met mijn volk zal het goed gaan. Alle mensen die arm en ongelukkig zijn, zullen genoeg te eten hebben. Zij zullen veilig zijn. Maar met jullie volk zal het slecht gaan. Jullie kinderen zullen doodgaan van de honger. Iedereen zal sterven.

31Huil maar, bewoners van de steden, schreeuw maar! Beef maar van angst, Filistijnen! Want er komt een leger uit het noorden, en er komen steeds meer vijanden bij. Zij zullen alles verwoesten!

32Jullie hebben boodschappers naar Jeruzalem gestuurd. Die boodschappers vroegen om hulp, maar ze kregen alleen dit antwoord: ‘De Heer heeft van de berg Sion een veilige plek gemaakt. Daar beschermt hij de arme mensen van zijn volk.’’