Bijbel in Gewone Taal (BGT)
10

De leiders beschermen het volk niet

101De Heer zegt: ‘Het zal slecht aflopen met leiders die slechte wetten maken. Die leiders schrijven in de wet dat mensen slecht behandeld mogen worden. 2Ze geven zwakke mensen geen rechten. En ze stelen. Ze stelen van de armen, van weduwen, en van kinderen zonder vader.

3Leiders, wat doen jullie als de dag komt dat ik ga straffen? Die dag komt heel snel dichterbij. Waar kunnen jullie je dan verbergen? Waar laten jullie dan al die gestolen spullen? 4Nergens! Want jullie zullen gevangen worden genomen, of sterven in de strijd.’

De Heer heeft zijn volk gestraft. Maar nog steeds is het niet genoeg. De Heer blijft kwaad op zijn volk.

De Heer straft Assyrië

De koning van Assyrië is ongehoorzaam

5De Heer zegt tegen de koning van Assyrië: ‘Het zal slecht met je aflopen! Ik heb jou gebruikt om mijn volk te straffen. Want ik was kwaad op hen. 6Ik heb jou en je leger gestuurd, want mijn volk doet slechte dingen. Mijn volk heeft mij kwaad gemaakt. Ik heb jou naar hun land gestuurd om daar te stelen en te roven. En om alles te vertrappen, zoals je het vuil op straat vertrapt.

7Maar jij was iets anders van plan. Jij wilde nog veel meer volken vernietigen. 8Je zei: ‘Mijn legerleiders zijn zo machtig als koningen. 9Ze hebben al veel steden veroverd! Niet alleen Kalno, maar ook Karkemis, Hamat, Arpad, Samaria en Damascus. 10Ik heb veel landen veroverd, landen die vol stonden met beelden van afgoden. In die landen stonden nog meer afgoden dan in Jeruzalem en Samaria. 11Ik heb Samaria veroverd, en ik zal zeker ook Jeruzalem veroveren!’’

De koning van Assyrië is te trots

12De Heer zegt: ‘Ik zal eerst de inwoners van Jeruzalem straffen. Maar daarna zal ik ook de koning van Assyrië straffen. Want die koning is erg trots op zichzelf, hij denkt dat hij alles kan. 13Hij zei: ‘Ik heb dit helemaal zelf gedaan, omdat ik zo wijs ben. Ik heb de grenzen tussen landen veranderd. Ik heb leiders en koningen weggejaagd. Zo machtig ben ik!

14Ik heb de rijkdommen van die volken weggehaald. Ik roofde de hele aarde leeg, zoals je een vogelnest met eieren leegrooft. De mensen durfden zich niet te verzetten, ze beefden als bange vogeltjes.’

15Maar de koning van Assyrië kan niets doen zonder mij, de Heer. Een bijl kan toch ook niets zonder de houthakker? Een zaag speelt toch ook niet de baas over de timmerman? Een stok geeft toch ook geen opdrachten aan de man die hem vasthoudt?’

De Heer zal Assyrië straffen

16De machtige Heer zal het volk van Assyrië straffen. Dat volk heeft zich vol gegeten. Maar ze zullen honger lijden, en een groot vuur zal al hun rijkdom verwoesten. 17-19De heilige God, het licht van Israël, zal heel Assyrië verwoesten. Als een groot vuur zal de Heer alles in één dag verbranden. Er zal bijna niets overblijven van dat prachtige land. De bossen van Assyrië zullen één voor één verdwijnen. Zo zal er van Assyrië steeds minder overblijven, alsof het land ziek is en sterft.

Israël vertrouwt niet meer op Assyrië

20Als de Assyriërs gestraft zijn, zullen de Israëlieten hen niet meer vertrouwen. De paar Israëlieten die nog over zijn, zullen geen vertrouwen meer hebben in de koning van Assyrië. Ze zullen alleen vertrouwen op de Heer, de heilige God van Israël. 21Die kleine groep zal terugkomen bij de Heer, de sterke God.

22Het volk van Israël was een groot volk. Er waren zo veel Israëlieten als er zand is bij de zee. Maar van hen zal maar een kleine groep bij de Heer terugkomen. Want het besluit van de Heer staat vast: het kwaad moet gestraft worden. Daarom zullen veel Israëlieten gedood worden. 23De machtige Heer heeft besloten dat hij hun land zal verwoesten. En alle volken zullen dat zien.

Israël hoeft niet bang te zijn

24God, de machtige Heer, zegt: ‘Je hoeft niet bang te zijn, mijn volk. Jullie die wonen op de berg Sion, wees niet bang voor de Assyriërs. Wees niet bang als Assyrië jullie onderdrukt, zoals Egypte jullie onderdrukt heeft. 25Want nog even, dan ben ik niet meer kwaad op jullie, maar dan ben ik kwaad op de Assyriërs.

26Ik zal de Assyriërs straffen! Net zoals ik het volk van Midjan eens gestraft heb bij de rots van Oreb. Ik zal de Assyriërs doden. Net zoals ik de Egyptenaren gedood heb bij de Rietzee.

27Op die dag zal ik jullie bevrijden van de Assyriërs. De zware last op jullie schouders wordt dan weggenomen. Jullie worden niet meer onderdrukt.’

Het leger van Assyrië gaat naar Jeruzalem

28Maar eerst zal dit gebeuren: Het leger van Assyrië valt de stad Ajjat aan. Daarna gaan ze via Migron naar de stad Michmas. En daar blijft een deel van het leger achter. 29Een kleine groep soldaten steekt het dal over en blijft ’s nachts in Geba.

In de stad Rama zijn de mensen heel erg bang. En in Gibea, de stad waar koning Saul geboren is, vluchten de mensen weg.

30Schreeuw maar zo hard je kunt, inwoners van Bat-Gallim! Laat je horen, inwoners van Laïs en Anatot! Laat maar horen hoe bang jullie zijn.

31De inwoners van Madmena vluchten weg, de inwoners van Gebim verbergen zich. 32Het leger is al bijna in Nob aangekomen. Straks vertrekken ze naar de berg Sion, en dan vallen ze Jeruzalem aan!

De Heer zal de Assyriërs verslaan

33-34Maar de machtige Heer zal de Assyriërs verslaan. Hij zal hun land met grote kracht vernietigen, en hij zal er alles weghalen. Zoals iemand met grote kracht een boom omhakt en alle takken weghaalt. Alle Assyriërs zullen verslagen worden.

11

Er komt een koning die vrede brengt

Er zal een nieuwe koning komen

111Zoals uit een oude, omgehakte boom

een kleine, nieuwe tak kan groeien,

zo zal uit de oude familie van David

een nieuwe koning komen.

2-3De geest van God zal in hem zijn.

Die koning zal wijs zijn en verstandig,

hij zal sterk zijn en machtig.

Hij weet wat God van hem wil

en hij heeft eerbied voor de Heer.

Die koning is een goede rechter.

Hij luistert goed naar iedereen

voordat hij een oordeel geeft.

4Hij oordeelt eerlijk over zwakke mensen,

en arme mensen behandelt hij goed.

Die koning straft mensen streng voor hun fouten,

met zijn woorden doodt hij mensen die kwaad doen.

5Die koning is altijd rechtvaardig,

hij is eerlijk en trouw.

Er zal een tijd van vrede komen

6Als die koning komt, zal er vrede zijn.

Een wolf speelt met een lammetje,

en een panter ligt naast een bokje.

Een kalf eet samen met een leeuw,

en een klein kind past op beide dieren.

7Een koe en een beer lopen in één wei,

en hun jongen liggen bij elkaar.

Een leeuw eet gras,

net als een koe.

8En een kind speelt zonder angst

bij het nest van een gevaarlijke slang.

Niemand zal meer kwaad doen

9Als die koning komt, doet niemand meer kwaad.

Geen mens doet kwaad op de heilige berg van de Heer.

Want de aarde is vol met mensen die de Heer kennen,

zoals de zee overal gevuld is met water.

10De nieuwe koning zal een voorbeeld zijn.

Alle volken zullen naar hem toe gaan,

iedereen zal bij hem komen.

De stad waar hij woont, zal schitterend zijn.

De Israëlieten zullen terugkeren

11Als de nieuwe koning komt, zal de Heer de Israëlieten opnieuw helpen. Hij zal de Israëlieten die nog leven, terughalen uit verre landen. Hij zal ze terughalen uit Assyrië, Egypte, Patros, Nubië, Elam, Babylonië en Hamat. Hij zal ze terughalen van de eilanden in de Middellandse Zee.

12Als de nieuwe koning komt, zal de Heer alle volken een teken geven. Dan zullen ze alle Israëlieten laten gaan. De Heer zal de Israëlieten die eens gevlucht waren, weer bij elkaar brengen. Hij zal hen terughalen naar Israël en Juda, ook al wonen ze aan de andere kant van de wereld.

Israël en Juda zullen geen vijanden meer zijn

13Israël en Juda zullen dan geen vijanden van elkaar meer zijn. Israël is niet meer jaloers op Juda, en Juda maakt geen ruzie meer met Israël. 14Ze zullen samen hun gebied groter maken. Ze zullen het uitbreiden naar het westen, tot aan de kust waar de Filistijnen wonen. Ze zullen ook het gebied veroveren van de stammen in het oosten. En ze zullen de baas zijn in Edom en Moab, en in het gebied van de Ammonieten.

De Heer zal zijn volk terugbrengen

15Als de nieuwe koning komt, zal de Heer een pad maken door de zee van Egypte. En het water van de rivier de Eufraat zal hij door een hevige storm laten wegstromen. Die grote rivier zal veranderen in zeven kleine rivieren. De Israëlieten kunnen die rivieren met droge voeten oversteken.

16Zo kunnen de Israëlieten die nog leven, vluchten uit Assyrië. Net zoals de Israëlieten vroeger gevlucht zijn uit Egypte.

12

Een lied voor de Heer

De Heer zal zijn volk bevrijden

121Als de nieuwe koning komt, zal iemand van Gods volk zeggen:

‘Ik wil u danken, Heer.

U bent kwaad op mij geweest,

maar dat is nu voorbij.

U geeft mij weer moed.

2God, u bent mijn redder,

op u vertrouw ik.

Ik ben niet bang meer,

want u geeft mij kracht, Heer.

U beschermt me,

u hebt me bevrijd.’

Het volk zal blij zijn

3Het volk van de Heer zal blij zijn als de Heer hen bevrijd heeft. Dan genieten de mensen weer van het leven, zoals iemand geniet van fris water uit een bron. 4Als de nieuwe koning komt, zullen ze zeggen:

‘Dank de Heer!

Maak overal bekend wie hij is.

Vertel aan alle volken wat hij gedaan heeft.

5Zing een lied voor de Heer!

Want hij heeft grote dingen gedaan.

De hele aarde moet het weten.

6Inwoners van Jeruzalem, juich!

Want de God van Israël is machtig,

de heilige God die bij jullie woont.’