Bijbel in Gewone Taal (BGT)
7

71Ik wil hen graag bevrijden van het kwaad. Maar steeds als ik dat wil gaan doen, zie ik weer hoe slecht ze zijn. Ze liegen en bedriegen. Ze stelen huizen leeg, ze beroven mensen op straat.

2Ze denken dat ik niet weet hoe slecht ze zijn. Maar overal waar ze zijn, daar zijn ook hun misdaden. Ik zie alles wat ze doen!’

Opstand tegen de koning

3De Heer zegt: ‘De dienaren in het paleis zijn verraders. Ze maken de koning vrolijk, maar intussen bedenken ze een plan om hem te doden. Ze maken de leiders aan het lachen, maar intussen liegen ze tegen hen. 4Ze zijn ontrouw aan de koning, omdat ze hem haten. Hun haat lijkt op een gloeiende oven. Een oven die blijft gloeien, zelfs als er geen hout meer op het vuur gegooid wordt.

5Op het jaarlijkse feest van de koning voeren de verraders hun plan uit. Dan zorgen ze ervoor dat alle leiders dronken worden. En de koning drinkt vrolijk mee! 6Intussen verbergen de verraders hun haat. Maar hun haat is als vuur in een oven, dat ’s nachts bijna dooft, maar in de ochtend weer fel begint te branden. 7Ja, na het feest begint hun haat te branden, en komt hun woede naar buiten. Dan vernietigen ze hun leiders, ze vermoorden hun koningen. En niemand van die leiders vraagt mij om hulp.’

Het volk vraagt de Heer niet om hulp

8De Heer zegt: ‘De Israëlieten hebben steun gezocht bij andere volken. Maar daar zijn ze alleen maar slechter van geworden. 9En zelf zien ze dat niet! Ze zien niet hoe zwak ze nu zijn. Ze zien niet dat die andere volken alles van hen afgepakt hebben.

10De Israëlieten zijn trots, ze denken dat ze alles mogen. Daardoor gaat het steeds slechter met hen. Maar toch komen ze niet terug bij mij, de Heer, hun God. Ze vragen mij niet om hulp. 11Ze gedragen zich als vogels die de weg kwijt zijn. De ene keer zoeken ze steun bij Egypte, de andere keer bij Assyrië. 12De volgende keer dat ze daar hulp zoeken, houd ik hen tegen! Dan neem ik hen gevangen, zoals vogels in een net. Dan zal ik hen straffen, zoals ik al tegen hen gezegd heb.’

Het loopt slecht af met het volk

13De Heer zegt: ‘Het zal slecht aflopen met de Israëlieten. Ze zullen vernietigd worden. Want ze hebben mij in de steek gelaten. Ze wilden niet naar mij luisteren. Toen ik hen wilde bevrijden, vertelden ze leugens over mij.

14De Israëlieten vragen mij om hulp. Ze liggen te huilen op hun bed. Maar ze bidden niet echt tot mij. Ze huilen alleen omdat het brood en de wijn op zijn. Ze doen alles om mijn aandacht te krijgen. Maar ze willen mij niet dienen! 15Terwijl ik hun zo veel geleerd heb! Ik heb hen sterk gemaakt. Door mij hebben ze hun vijanden verslagen. En toch bedenken ze steeds kwade plannen tegen mij.

16Soms lijkt het alsof ze naar mij terugkeren, maar dat is niet zo. Hun leiders blijven slechte dingen over mij zeggen, daarom zullen ze sterven in de oorlog. En in Egypte zal iedereen de Israëlieten bespotten.’

8

De Heer stuurt vijanden

81De Heer zegt: ‘Blaas op de trompet, waarschuw iedereen! Daar komen de vijanden!

De Israëlieten hebben zich niet gehouden aan mijn regels. Ze willen niet meer naar mij luisteren. 2Ze zeggen wel dat ik hun God ben, en dat zij mijn volk zijn. 3Maar ze weigeren om het goede te doen. Daarom stuur ik vijanden op hen af.’

Het is Israëls eigen schuld

4De Heer zegt: ‘De Israëlieten hebben een koning uitgekozen, en bestuurders. Maar zonder mijn toestemming! Ze hebben godenbeelden gemaakt van goud en zilver. Maar ik zal al hun goud en zilver vernietigen.

5In Samaria staat dat afschuwelijke stierenbeeld. Ik wil dat niet langer. Ik ben woedend op de Israëlieten die dat beeld vereren. Hoe lang nog blijven ze daarmee doorgaan? 6Het komt gewoon uit Israël, het is gemaakt door een kunstenaar. Het is helemaal geen god! Dat beeld in Samaria zal helemaal kapotgeslagen worden.

7De goden bij wie de Israëlieten hulp zoeken, kunnen niets. Ze zijn als slecht zaad, waaruit geen koren kan groeien. En als er toch koren komt, dan is het niet genoeg om er meel van te maken. En als er toch meel van gemaakt wordt, dan komen de vijanden dat allemaal stelen.

Omdat de Israëlieten bij zulke goden hulp zoeken, loopt het slecht met hen af.’

Israël betaalt voor vriendschap

8De Heer zegt: ‘Het is afgelopen met de Israëlieten. Niemand neemt hen nog serieus. 9Want ze willen vrienden zijn met Assyrië, en daar doen ze alles voor. Het volk van Israël lijkt wel een hoer die haar klanten opzoekt, en ze nog betaalt ook!

10En zelfs als de Israëlieten veel vrienden maken, dan hebben ze daar niets aan. Want ik zal de Israëlieten allemaal straffen, waar ze ook zijn! Ze zullen onderdrukt worden door de koning van Assyrië. Ze zullen het zwaar krijgen!’

De Israëlieten worden gestraft

11De Heer zegt: ‘De Israëlieten hebben veel altaren gebouwd. Maar dat zijn geen altaren om mij te eren, maar om mij te beledigen! 12Want mijn volk houdt zich niet aan mijn regels, hoe vaak ik die ook opschrijf. Ze doen alsof ze mijn regels niet kennen. 13Ze brengen mij offers, maar alleen omdat ze dan vlees kunnen eten. Zulke offers hoef ik niet!

Ik zal niet vergeten wat voor slechts de Israëlieten allemaal doen. Ik zal ze daarvoor straffen. Ik zal ze terugsturen naar Egypte!

14De Israëlieten hebben prachtige paleizen en sterke steden gebouwd. Maar intussen zijn ze mij vergeten. Daarom zal ik al hun paleizen en steden in brand steken. Er zal niets van overblijven.’

9

De feesten zullen ophouden

91Volk van Israël, stop met feestvieren! Juich niet zoals de andere volken. Want jullie zijn ontrouw aan jullie God. Steeds als jullie een goede oogst hebben, bedanken jullie de god Baäl.

2Maar straks hebben jullie helemaal geen koren en olijfolie meer, en ook geen wijn! 3Want dan moeten jullie het land van de Heer verlaten. Jullie zullen terugkeren naar Egypte. En in Assyrië zullen jullie voedsel moeten eten dat de Heer verboden heeft. 4Dat voedsel maakt jullie allemaal onrein. Je kunt het wel eten als je honger hebt, maar je kunt het niet als offer aanbieden aan de Heer. Jullie kunnen de Heer dan dus niet blij maken met jullie offers. Jullie kunnen niets aan hem offeren, ook geen wijn.

5Wat gaan jullie dan doen op je feestdagen? Wat doen jullie dan op het Loofhuttenfeest?

Het land wordt verwoest

6Het land waar de Israëlieten wonen, zal verwoest worden. De mensen die nog kunnen vluchten, zullen in Egypte gaan wonen. Daar zullen ze ook begraven worden, in de stad Memfis.

Op de plaats waar ze hun kostbare bezittingen achterlieten, zullen brandnetels groeien. En doornstruiken zullen hun huizen vernielen.

God heeft de profeet Hosea gestuurd

7Volk van Israël, binnenkort zal de Heer jullie straffen. Jullie krijgen wat jullie verdienen. Dat zullen jullie nog wel merken!

Jullie roepen kwaad: ‘Die profeet is gek, die boodschapper van God is zijn verstand kwijt!’ Maar jullie zijn alleen maar boos op mij omdat jullie Gods boodschap niet willen horen. En dat is het bewijs dat jullie ontrouw zijn aan God.

8God heeft mij gestuurd als zijn profeet. Ik ben er om jullie te waarschuwen. Maar jullie doen alsof ik jullie vijand ben. Overal proberen jullie me te doden, zelfs in de tempel van God. 9Wat jullie doen, is verschrikkelijk! Jullie zijn net zo slecht als de mensen in de stad Gibea, lang geleden. God zal jullie misdaden niet vergeten, hij zal jullie daarvoor straffen!

De les van Israëls verleden

Israël is slecht geworden

10De Heer zegt: ‘Lang geleden was ik blij met de Israëlieten. Zij waren voor mij net zo bijzonder als druiven in de woestijn. En net zo bijzonder als de eerste vijg aan een vijgenboom. Maar toen de voorouders van de Israëlieten in de stad Baäl-Peor kwamen, gingen ze de god Baäl vereren. Vanaf toen zijn ze net zo afschuwelijk geworden als die god.

11Daarom zal alles waar ze trots op zijn, verdwijnen. Er zullen nooit meer kinderen geboren worden, vrouwen zullen nooit meer zwanger worden. 12En de kinderen die ze al hebben, zullen allemaal sterven. Niemand zal in leven blijven! Ik zal de Israëlieten verlaten, en dan zal het slecht met hen aflopen.

13Vroeger ging het zo goed met de Israëlieten! Net zo goed als met palmbomen in vruchtbare grond. Maar nu gaat het heel slecht. Nu nemen moordenaars al hun kinderen mee.’

Hosea vraagt om een lichtere straf

14Heer, u moet uw volk wel straffen, maar straf hen niet te zwaar. Zorg ervoor dat ze geen kinderen meer krijgen.

De Heer zal zijn volk wegjagen

15De Heer zegt: ‘In Gilgal werd al duidelijk hoe slecht de Israëlieten zijn. Toen begon ik hen al te haten. Nu luistert niemand van hun leiders nog naar mij. Daarom zal ik de Israëlieten wegjagen. Ik houd niet meer van hen.

16Het is afgelopen met het volk van Israël. Het lijkt op een boom met verdroogde wortels, een boom die geen vruchten meer krijgt. Want ik zorg ervoor dat de Israëlieten geen kinderen meer krijgen. En als er toch kinderen komen, zal ik die doden.’

17God wil de Israëlieten niet meer. Hij jaagt hen weg, ze zullen zwerven over de hele aarde. Want ze hebben niet naar hem geluisterd.