Bijbel in Gewone Taal (BGT)
2

Israël wordt weer Gods volk

21Hier volgen de woorden van Hosea.

Er komt een dag dat het volk van Israël heel groot zal zijn. Dan zijn er net zo veel Israëlieten als er zand is bij de zee.

Nu zegt God tegen de Israëlieten: ‘Jullie zijn mijn volk niet meer.’ Maar later zullen ze kinderen van de levende God genoemd worden. 2Dan zullen Juda en Israël weer bij elkaar komen. Zij zullen één leider kiezen, en weer overal gaan wonen, in het hele land. Dat zal een belangrijke dag zijn. Want dan geeft God de overwinning aan zijn volk. Dat zal gebeuren in het Jizreël-dal. 3Dan kunnen alle Israëlieten weer tegen elkaar zeggen: ‘Wij zijn Gods volk,’ en: ‘God heeft medelijden met ons.’

Israël is een ontrouw volk

4De Heer zegt: ‘Volk van Israël, luister naar mij. Je bent niet langer mijn volk. Je lijkt op een vrouw die ontrouw is aan haar man, een moeder die zich gedraagt als een hoer.

Niemand van jullie mag andere goden vereren. Iedereen moet daarmee ophouden. 5En als jullie mij toch ontrouw blijven, volk van Israël, dan zal ik jullie straffen. Dan pak ik alles van jullie af. Jullie zullen niets meer hebben. In het hele land zal niets meer groeien, ik maak het overal zo droog als in een woestijn. Ik laat iedereen sterven van de dorst.

6Dan heb ik met niemand medelijden, ook niet met jullie nakomelingen. Want zij zijn jullie kinderen, volk van Israël. Ze zijn als de kinderen van een moeder die ontrouw is aan haar man, 7een moeder die achter andere mannen aan loopt. Een moeder die denkt: Die mannen zorgen goed voor mij. Ze geven me eten, drinken, mooie kleren, parfum en wijn.’

De Israëlieten worden gestraft

8De Heer zegt: ‘Ik zal zorgen dat de Israëlieten mij niet langer ontrouw zijn. Als ze andere goden willen vereren, zal ik hen tegenhouden. 9Dan lijkt Israël op een vrouw die andere mannen zoekt, maar die nergens kan vinden. En dan denkt ze: Ik ga terug naar mijn eigen man. Want toen ik bij hem was, had ik het beter dan nu.

10Kijk, de Israëlieten begrijpen niet dat ik het ben die zo goed voor hen zorgde. Ik gaf hun te eten en te drinken, ik gaf hun zelfs zilver en goud. Maar met dat zilver en goud vereerden ze de god Baäl!

11Daarom zal ik alles wat ik hun gegeven heb, terugnemen. Als het tijd is om te oogsten, zal ik alles wegnemen. Dan zullen ze niets meer te eten en te drinken hebben. Ze zullen ook niets meer hebben om kleren van te maken, ze zullen naakt rondlopen. 12En ik zal zorgen dat ze zich schamen voor hun gedrag. Niemand zal hen nog kunnen bevrijden uit mijn macht, ook hun afgoden niet. 13Ze zullen niet meer vrolijk zijn. Elke week, elke maand en elk jaar hadden ze feesten. Maar daar ga ik een eind aan maken.

14De Israëlieten zijn mij vergeten. Ze denken dat ze hun wijngaarden en vijgenbomen gekregen hebben van Baäl! Daarom zal ik alles vernietigen. Ik zal zorgen dat er alleen nog onkruid groeit. De wilde dieren mogen alles opeten.’

Alles moet weer worden zoals vroeger

15De Heer zegt: ‘Volk van Israël, ik zal jullie straffen. Want jullie vierden feest ter ere van de god Baäl. Voor hem hebben jullie je versierd met dure ringen en sieraden. Aan hem hebben jullie offers gebracht. Maar mij zijn jullie vergeten. 16Daarom zal ik jullie weghalen uit dit mooie land. Ik neem jullie mee naar de woestijn.

17Maar later zal ik jullie weer wijngaarden geven. Na een moeilijke tijd zal ik jullie weer hoop geven. Er komt een dag dat jullie weer mijn volk zijn, net zoals vroeger, toen jullie weggingen uit Egypte. 18Dan zullen jullie tegen mij zeggen: ‘U bent onze God,’ en niet: ‘U bent onze Baäl.’ 19Ik zal ervoor zorgen dat jullie de naam Baäl nooit meer zullen uitspreken.

God zal zijn volk altijd beschermen

20Op die dag zal ik de wilde dieren verbieden om jullie aan te vallen. Dan mogen ze jullie akkers niet meer vernielen. Er zal ook geen oorlog meer zijn, wapens bestaan niet meer. Dan zal iedereen veilig zijn.

21Volk van Israël, ik wil dat je voor altijd van mij bent. Je zult bij mij horen zoals een vrouw bij haar man hoort. Ik zal je beschermen, ik zal je verdedigen. Ik zal vol liefde voor je zorgen. 22Ik wil dat je voor altijd mijn volk bent. Je zult merken hoe trouw ik ben.’

De toekomst zal goed zijn

23De Heer zegt: ‘Op die dag zal ik de Israëlieten geven waar ze om gevraagd hebben. Ik zal regen uit de hemel geven, ik zal de aarde weer vruchtbaar maken. 24Dan zal er in het Jizreël-dal weer koren zijn, en er zullen weer druiven en olijven groeien.

25Ik zal de Israëlieten weer overal in het land laten wonen. Ik zal weer medelijden met hen hebben, ik zal hen weer mijn volk noemen. En zij zullen mij hun enige God noemen.’