Bijbel in Gewone Taal (BGT)

Het lied van Habakuk

31Hier volgt een lied van de profeet Habakuk. Het is een gebed.

Heer, wacht niet te lang

2‘Heer, ik heb eerbied voor alles wat u doet.

Ik heb gehoord wat u wilt doen.

Doe het snel, wacht niet te lang,

laat vandaag zien wie u bent.

Heer, heb medelijden, denk aan ons,

ook al bent u kwaad.

Habakuk ziet God in een droom

3De heilige God komt uit het verre zuiden,

hij is de God van de Paran-bergen.

Het licht van zijn macht straalt aan de hemel,

zijn glans verlicht de hele aarde.

4Licht is rondom hem, zo fel als de zon.

Bliksemstralen schieten weg,

ze komen uit zijn sterke hand.

5De pest gaat voor God uit,

de dood volgt hem, waar hij ook gaat.

6Als God stil blijft staan, schudt de aarde.

Als hij rondkijkt, vluchten de volken.

Eeuwenoude bergen storten in

bij elke voetstap die hij zet.

God komt dichterbij,

7hij is al in Kusan, in Midjan.

Iedereen beeft van angst.

Habakuk ziet hoe kwaad God is

8Heer, u bent woedend.

Bent u misschien kwaad op de rivieren,

of op het water van de zee?

U komt met uw paarden en wagens.

9U spant uw boog met pijlen.

U schiet ze weg wanneer u maar wilt.

U scheurt de aarde open

met stromende rivieren.

10De bergen beven als u komt.

De regen stort naar beneden.

De zee klinkt wild en woest,

en duwt de golven omhoog.

11De zon en de maan worden donker.

U schiet uw pijlen af,

uw speren vliegen weg.

Uw bliksem verlicht de wereld.

12Woedend gaat u over de aarde,

woedend vertrapt u de volken.

De Heer komt zijn volk redden

13U komt uw volk bevrijden,

u wilt uw koning beschermen.

U vernietigt de vijanden,

hun leider wordt gedood.

14Eerst jaagden de vijanden ons weg.

Schreeuwend kwamen ze op ons af,

angstig kropen we weg.

Maar u zult hen doden met hun eigen pijlen.

15Met uw paarden rijdt u over de zee,

u gaat dwars door de woedende golven.

Habakuk vertrouwt op de Heer

16Toen de Heer mij zijn plannen liet weten,

beefde ik, mijn lippen trilden.

Ik voelde me slap, ik kon niet meer staan.

Nu wacht ik af totdat hij komt.

Hij komt onze vijanden verslaan.

17Misschien zijn er straks geen vijgen meer,

misschien geen olijven of druiven.

Misschien mislukt de graanoogst,

of gaan de schapen dood, of de koeien.

18Toch zal ik dan juichen van blijdschap.

Want ik weet dat de Heer mij redt!

19De Heer is God, hij geeft mij kracht.

Hij redt me als er gevaar dreigt,

hij helpt me als ik in nood ben.’

Voor de zangleider. Bij dit lied wordt op een harp gespeeld.