Bijbel in Gewone Taal (BGT)
1

De schepping

Het begin

11In het begin maakte God de hemel en de aarde.

2De aarde was leeg en verlaten. Overal was water, en alles was donker. En er waaide een hevige wind over het water.

De eerste dag

3Toen zei God: ‘Er moet licht komen.’ En er kwam licht. 4God zag hoe mooi het licht was. Hij scheidde het licht en het donker. 5Het licht noemde hij ‘dag’ en het donker noemde hij ‘nacht’.

Toen werd het avond en het werd ochtend. Dat was de eerste dag.

De tweede dag

6God zei: ‘Er moet in het midden van het water een koepel komen om het water te verdelen.’ 7En zo gebeurde het. God maakte de koepel. Zo verdeelde hij het water in tweeën: water boven de koepel en water onder de koepel. 8Die koepel noemde God ‘hemel’.

Toen werd het avond en het werd ochtend. Dat was de tweede dag.

De derde dag

9God zei: ‘Het water onder de hemel moet naar één plaats stromen. Dan komt er droge grond tevoorschijn.’ En zo gebeurde het. 10God noemde de droge grond ‘land’, en het water noemde hij ‘zee’. En God zag hoe mooi het was.

11God zei: ‘Er moet van alles groeien op het land. Planten met zaad en bomen met vruchten.’ En zo gebeurde het. 12Op het land kwamen allerlei planten met zaad en allerlei bomen met vruchten. En God zag hoe mooi het was.

13Toen werd het avond en het werd ochtend. Dat was de derde dag.

De vierde dag

14God zei: ‘Er moeten lichten aan de hemel komen om verschil te maken tussen de dag en de nacht. Die lichten moeten laten zien welk seizoen het is, en welke dag en welk jaar. 15En ze moeten licht geven op aarde.’ En zo gebeurde het. 16God maakte de twee grote lichten. De zon om overdag te schijnen, en de maan om ’s nachts te schijnen. God maakte ook de sterren. 17Hij zette de zon en de maan aan de hemel om licht te geven op de aarde. 18En om het verschil aan te geven tussen dag en nacht, en tussen licht en donker. God zag hoe mooi het was.

19Toen werd het avond en het werd ochtend. Dat was de vierde dag.

De vijfde dag

20God zei: ‘Het water moet vol leven zijn, vol met allerlei dieren. En boven de aarde, in de lucht, moeten vogels vliegen.’ 21God maakte de grote zeedieren en alle kleine waterdieren. Het water was vol dieren. Hij maakte ook alle soorten vogels. En God zag hoe mooi het was.

22God zegende de dieren. Hij zei: ‘Jullie moeten jongen krijgen. Overal in de zee moeten dieren komen, en overal op aarde vogels.’

23Toen werd het avond en het werd ochtend. Dat was de vijfde dag.

De zesde dag

24God zei: ‘Ook op het land moeten allerlei dieren komen: wilde en tamme dieren, en heel kleine dieren.’ En zo gebeurde het. 25God maakte de dieren, alle wilde en tamme dieren en alle kleine dieren. En God zag hoe mooi het was.

26God zei: ‘Nu wil ik mensen maken. Ze moeten op mij lijken. Ze zullen de baas zijn over de vissen in de zee en de vogels in de lucht. En ook over het vee, over alle kleine dieren en over de hele aarde.’ 27Toen maakte God de mensen. Hij maakte ze zo dat ze op hem leken. Hij maakte ze als man en als vrouw.

28God zegende de mensen. Hij zei: ‘Jullie moeten kinderen krijgen. Zorg ervoor dat er overal op aarde mensen komen. Jullie moeten de baas zijn over de aarde. En ook over de vissen in de zee, over de vogels in de lucht en over alle dieren op het land.’

29God zei ook: ‘Alle planten en bomen op aarde zijn voor jullie. Jullie mogen de zaden en de vruchten eten. 30De bladeren en het gras zijn voor de dieren.’ En zo gebeurde het.

31God keek naar alles wat hij gemaakt had en zag dat het heel mooi was.

Toen werd het avond en het werd ochtend. Dat was de zesde dag.

2

God rust op de zevende dag

21Zo werden de hemel en de aarde gemaakt, en alle prachtige dingen die daarbij horen.

2Op de zevende dag was God klaar met zijn werk. Toen rustte hij uit. 3God zegende de zevende dag. Hij maakte van die dag een bijzondere dag. Want op die dag was hij klaar met de schepping en rustte hij uit van al zijn werk.

4Dat is het verhaal van de schepping van de hemel en de aarde. Zo zijn de hemel en de aarde ontstaan.

De mensen in de tuin van Eden

Een ander verhaal over de schepping

Op een dag maakte God, de Heer, de hemel en de aarde. 5-6Er groeide toen nog niets op de aarde. Er waren nog geen planten, want God had het nog niet laten regenen. Maar er kwam wel water uit de aarde omhoog. Zo werd het land vochtig.

Er waren ook nog geen mensen die op het land konden werken. 7Toen maakte God, de Heer, de mens. Hij maakte hem van aarde. Hij blies adem in zijn neus, en toen ging de mens leven.

De tuin van Eden

8God, de Heer, maakte in het oosten, in het land Eden, een tuin. Hij bracht de mens die hij gemaakt had, naar die tuin. 9Hij liet er allerlei bomen groeien. Het waren mooie bomen met lekkere vruchten. Midden in de tuin stonden twee bijzondere bomen. Als je van de ene boom gegeten had, bleef je altijd leven. En als je van de andere boom gegeten had, wist je wat goed was en wat kwaad was.

10Er stroomde in Eden een rivier die voor water in de tuin zorgde. Verderop werden het vier rivieren. 11-12Eén van die rivieren is de Pison, die om het land Chawila heen stroomt. In Chawila zit zuiver goud in de grond, en er komen edelstenen en parfums vandaan. 13De tweede rivier heet de Gichon. Die stroomt om het land Nubië heen. 14De derde rivier heet de Tigris. Die stroomt ten oosten van het land Assyrië. En de vierde rivier is de Eufraat.

De boom van goed en kwaad

15God, de Heer, had de mens dus naar de tuin van Eden gebracht. De mens moest voor de tuin zorgen en erop passen. 16God zei tegen de mens: ‘Je mag eten van alle bomen in de tuin. 17Maar niet van de boom die je leert wat goed is en wat kwaad is. Als je van die boom eet, zul je sterven.’

De mens moet niet alleen zijn

18Daarna dacht God, de Heer: Het is niet goed dat de mens alleen is. Ik zal iemand maken die bij hem past. 19-20Toen maakte hij alle wilde en alle tamme dieren en alle vogels. Hij maakte ze van aarde. Hij bracht de dieren naar de mens, want de mens moest ze een naam geven. Dan zou elk dier voortaan zo heten als de mens het noemde. De mens gaf elk dier een naam. Maar hij vond geen enkel dier dat goed bij hem paste.

21Toen zorgde God, de Heer, ervoor dat de mens in een diepe slaap viel. En terwijl de mens sliep, haalde God één van zijn ribben weg. De plaats waar de rib gezeten had, maakte hij weer dicht. 22Van die rib maakte God, de Heer, een vrouw.

Toen bracht God de vrouw naar de mens. 23De mens riep: ‘Eindelijk een mens, net als ik! Ze is mijn eigen vlees en bloed, want ze is gemaakt uit een deel van mij. Ik noem haar ‘vrouw’.’

24Zo komt het dat een man niet bij zijn vader en moeder blijft. Hij gaat met zijn vrouw leven en ze worden samen helemaal één.

25De man en zijn vrouw waren naakt. Maar ze schaamden zich niet voor elkaar.

3

De slang praat met de vrouw

31De slang was een slim dier, het slimste van alle dieren die God, de Heer, gemaakt had. De slang vroeg aan de vrouw: ‘God heeft zeker gezegd dat je van geen enkele boom in de tuin mag eten?’

2‘Nee,’ zei de vrouw. ‘We mogen de vruchten eten van alle bomen, 3behalve van de boom in het midden van de tuin. Als we van die boom eten, of hem alleen maar aanraken, zullen we sterven. Dat heeft God gezegd.’

4‘Sterven?’ zei de slang. ‘Jullie zullen helemaal niet sterven! 5Maar God weet wat er gebeurt als jullie van die boom eten: Dan zullen jullie alles begrijpen. Jullie zullen dan net zo zijn als God. Net als hij zullen jullie weten wat goed en wat kwaad is.’

De vrouw en de man eten van de boom

6De vrouw keek naar de boom. De vruchten zagen er mooi en lekker uit, en de vrouw wilde graag alles weten. Ze pakte een paar vruchten en at ervan. Ze gaf er ook één aan haar man, die bij haar was. En hij at er ook van.

7Toen begrepen ze dat ze naakt waren. Daarom pakten ze grote bladeren van een vijgenboom, en die bonden ze om hun heupen.

God loopt door de tuin

8Aan het eind van de middag begon er een frisse wind te waaien. God liep door de tuin. Toen de man en de vrouw hem hoorden, verstopten ze zich tussen de bomen.

9Maar God riep de mens: ‘Waar ben je?’ 10‘Ik heb me verstopt,’ antwoordde de man. ‘Toen ik u hoorde in de tuin, werd ik bang. Want ik ben naakt.’

11God vroeg: ‘Hoe weet je dat je naakt bent? Heb je gegeten van de boom waarvan je niet mocht eten?’ 12‘Het komt door de vrouw die u mij gegeven hebt,’ zei de man. ‘Zij gaf mij een vrucht en toen heb ik ervan gegeten.’

13‘Waarom heb je dat gedaan?’ vroeg God, de Heer, aan de vrouw. ‘Het komt door de slang,’ zei ze. ‘Die heeft tegen me gelogen en toen heb ik van de boom gegeten.’

God straft de slang

14Toen zei God, de Heer, tegen de slang: ‘Omdat je dat gedaan hebt, zal het slecht met je gaan. De andere dieren willen niets meer met je te maken hebben. Je zult op je buik over de aarde kruipen en van de grond eten, je hele leven lang. 15Jij en de vrouw zullen vijanden van elkaar zijn, en jullie nakomelingen ook. Mensen zullen jou op je kop trappen en jij zult in hun voet bijten.’

God straft de vrouw

16God zei tegen de vrouw: ‘Als je zwanger bent, zul je het moeilijk hebben. Je zult pijn hebben als je kinderen geboren worden. Je zult verlangen naar je man, en hij zal de baas over jou zijn.’

God straft de man

17God zei tegen de man: ‘Je hebt gedaan wat je vrouw vroeg. Je hebt gegeten van de boom waarvan je niet mocht eten. Daarom zal het slecht gaan met de grond waarop je werkt. Je hele leven lang zul je hard moeten werken om genoeg te eten te hebben. 18Je zult koren zaaien om te eten, maar er zal ook veel onkruid groeien. 19Je zult hard moeten werken voor je eten, je leven lang. Daarna keer je terug naar de aarde waarvan je gemaakt bent. Je was aarde en je zult weer aarde worden.’

God stuurt de man en de vrouw weg

20De man noemde zijn vrouw Eva. Zij is de moeder van iedereen die na haar leefde. 21God, de Heer, maakte voor de man en zijn vrouw kleren van dierenvellen. Die kleren moesten ze aantrekken.

22God dacht: Nu zijn de mensen net zoals ik. Ze weten nu wat goed is en wat kwaad is. Maar ik wil niet dat ze ook eten van de boom van het leven. Als ze vruchten van die boom eten, blijven ze altijd leven. 23Daarom stuurde God de mensen weg uit de tuin van Eden. Hij had de mens gemaakt van aarde. Nu moesten de mensen voortaan op die aarde gaan werken.

24Toen God de mensen weggejaagd had, zette hij engelen bij de ingang van de tuin. Er was ook een brandend zwaard dat heen en weer ging. De engelen en het zwaard moesten de weg naar de boom van het leven bewaken.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]