Bijbel in Gewone Taal (BGT)

De schepping

Het begin

11In het begin maakte God de hemel en de aarde.

2De aarde was leeg en verlaten. Overal was water, en alles was donker. En er waaide een hevige wind over het water.

De eerste dag

3Toen zei God: ‘Er moet licht komen.’ En er kwam licht. 4God zag hoe mooi het licht was. Hij scheidde het licht en het donker. 5Het licht noemde hij ‘dag’ en het donker noemde hij ‘nacht’.

Toen werd het avond en het werd ochtend. Dat was de eerste dag.

De tweede dag

6God zei: ‘Er moet in het midden van het water een koepel komen om het water te verdelen.’ 7En zo gebeurde het. God maakte de koepel. Zo verdeelde hij het water in tweeën: water boven de koepel en water onder de koepel. 8Die koepel noemde God ‘hemel’.

Toen werd het avond en het werd ochtend. Dat was de tweede dag.

De derde dag

9God zei: ‘Het water onder de hemel moet naar één plaats stromen. Dan komt er droge grond tevoorschijn.’ En zo gebeurde het. 10God noemde de droge grond ‘land’, en het water noemde hij ‘zee’. En God zag hoe mooi het was.

11God zei: ‘Er moet van alles groeien op het land. Planten met zaad en bomen met vruchten.’ En zo gebeurde het. 12Op het land kwamen allerlei planten met zaad en allerlei bomen met vruchten. En God zag hoe mooi het was.

13Toen werd het avond en het werd ochtend. Dat was de derde dag.

De vierde dag

14God zei: ‘Er moeten lichten aan de hemel komen om verschil te maken tussen de dag en de nacht. Die lichten moeten laten zien welk seizoen het is, en welke dag en welk jaar. 15En ze moeten licht geven op aarde.’ En zo gebeurde het. 16God maakte de twee grote lichten. De zon om overdag te schijnen, en de maan om ’s nachts te schijnen. God maakte ook de sterren. 17Hij zette de zon en de maan aan de hemel om licht te geven op de aarde. 18En om het verschil aan te geven tussen dag en nacht, en tussen licht en donker. God zag hoe mooi het was.

19Toen werd het avond en het werd ochtend. Dat was de vierde dag.

De vijfde dag

20God zei: ‘Het water moet vol leven zijn, vol met allerlei dieren. En boven de aarde, in de lucht, moeten vogels vliegen.’ 21God maakte de grote zeedieren en alle kleine waterdieren. Het water was vol dieren. Hij maakte ook alle soorten vogels. En God zag hoe mooi het was.

22God zegende de dieren. Hij zei: ‘Jullie moeten jongen krijgen. Overal in de zee moeten dieren komen, en overal op aarde vogels.’

23Toen werd het avond en het werd ochtend. Dat was de vijfde dag.

De zesde dag

24God zei: ‘Ook op het land moeten allerlei dieren komen: wilde en tamme dieren, en heel kleine dieren.’ En zo gebeurde het. 25God maakte de dieren, alle wilde en tamme dieren en alle kleine dieren. En God zag hoe mooi het was.

26God zei: ‘Nu wil ik mensen maken. Ze moeten op mij lijken. Ze zullen de baas zijn over de vissen in de zee en de vogels in de lucht. En ook over het vee, over alle kleine dieren en over de hele aarde.’ 27Toen maakte God de mensen. Hij maakte ze zo dat ze op hem leken. Hij maakte ze als man en als vrouw.

28God zegende de mensen. Hij zei: ‘Jullie moeten kinderen krijgen. Zorg ervoor dat er overal op aarde mensen komen. Jullie moeten de baas zijn over de aarde. En ook over de vissen in de zee, over de vogels in de lucht en over alle dieren op het land.’

29God zei ook: ‘Alle planten en bomen op aarde zijn voor jullie. Jullie mogen de zaden en de vruchten eten. 30De bladeren en het gras zijn voor de dieren.’ En zo gebeurde het.

31God keek naar alles wat hij gemaakt had en zag dat het heel mooi was.

Toen werd het avond en het werd ochtend. Dat was de zesde dag.