Bijbel in Gewone Taal (BGT)
18

God oordeelt eerlijk

God beslist over het leven van alle mensen

181De Heer sprak opnieuw tegen mij. Hij zei: 2‘Jullie zeggen in Israël: ‘Kinderen worden gestraft voor de fouten van hun ouders.’ Waarom zeggen jullie dat toch? 3Jullie moeten daarmee ophouden. 4Want ik beslis over het leven van alle mensen: over het leven van de ouders, en ook over het leven van de kinderen. En alleen de mensen die zondigen, zullen sterven.

Goede mensen zullen in leven blijven

5Stel dat iemand een goed mens is. Hij leeft op een goede en eerlijke manier. 6Hij vereert geen afgoden, en doet niet mee aan feesten ter ere van die afgoden. Hij slaapt niet met de vrouw van een ander, of met een vrouw die ongesteld is.

7-8Arme mensen onderdrukt hij niet, en hij steelt nooit. Hij vraagt geen rente als hij geld uitleent. En als anderen hem iets geven als bewijs dat ze het geleende geld zullen terugbetalen, dan geeft hij dat altijd terug.

Hij geeft eten aan mensen die honger hebben, en kleren aan mensen die naakt zijn. Hij doet geen onrecht. En als er ruzie is tussen twee personen, geeft hij altijd een eerlijk oordeel. 9Hij houdt zich aan mijn wetten, en leeft volgens mijn regels.

Zo iemand is goed en eerlijk. Zo iemand zal zeker in leven blijven.

Slechte mensen zullen sterven

10-11Maar stel dat die man een slechte zoon krijgt. Die zoon doet allerlei dingen die zijn vader nooit gedaan heeft. Hij pleegt geweld en vermoordt mensen. Hij doet mee aan feesten ter ere van de afgoden, en hij slaapt met de vrouw van een ander.

12-13Hij steelt, en hij onderdrukt arme en machteloze mensen. Hij vraagt rente als hij geld uitleent. En als anderen hem iets kostbaars geven als bewijs dat ze hem terug zullen betalen, dan geeft hij dat niet terug. Hij vereert afgoden en pleegt de meest afschuwelijke misdaden.

Zal zo iemand in leven blijven? Nee, zeker niet! Iemand die zulke vreselijke dingen doet, zal zeker sterven. Hij zal gestraft worden voor zijn eigen misdaden.

Een kind wordt niet gestraft voor de fouten van zijn vader

14Stel dat die slechte man een zoon krijgt. Die zoon ziet alle fouten van zijn vader, maar wil niet zo leven als hij. 15Hij vereert de afgoden van de Israëlieten niet. Hij doet niet mee aan feesten ter ere van die afgoden. En hij slaapt niet met de vrouw van een ander.

16-17Hij vraagt geen rente als hij geld uitleent. En anderen hoeven hem niets te geven als bewijs dat ze hem terug zullen betalen. Hij doet arme mensen geen kwaad en onderdrukt niemand. Hij steelt nooit, maar geeft eten aan mensen die honger hebben, en kleren aan mensen die naakt zijn. Hij houdt zich aan mijn wetten, en leeft volgens mijn regels.

Zo iemand zal zeker in leven blijven. Hij hoeft niet te sterven voor de fouten van zijn vader. 18Alleen zijn vader zal sterven, want alleen die is schuldig. Zijn vader heeft gestolen, arme mensen onderdrukt, en mensen van zijn volk slecht behandeld.

Iedereen wordt zelf beoordeeld

19Jullie vragen: ‘Waarom wordt de zoon niet gestraft voor de fouten van zijn vader?’ Omdat de zoon altijd eerlijk geleefd heeft, en omdat hij zich steeds aan mijn regels gehouden heeft. Daarom zal hij in leven blijven.

20Mensen die zondigen, zullen sterven. Maar kinderen worden niet gestraft voor de fouten van hun ouders. En ouders worden ook niet gestraft voor de fouten van hun kinderen. Als iemand misdaden pleegt, wordt alleen hijzelf daarvoor gestraft. En als iemand goed en eerlijk is, wordt alleen hijzelf daarvoor beloond.

Wie spijt krijgt, blijft leven

21Stel dat iemand verkeerde dingen doet. Maar hij krijgt spijt, en stopt met zijn verkeerde gedrag. Hij gaat zich aan mijn regels houden en zich goed en eerlijk gedragen. Dan zal hij zeker in leven blijven. Hij hoeft niet te sterven. 22Al zijn misdaden zullen hem vergeven worden. Hij mag in leven blijven omdat hij nu goede dingen doet.

23Of denken jullie soms dat ik blij ben met de dood van een slecht mens? Nee, ik wil veel liever dat hij ophoudt met zijn verkeerde gedrag, zodat hij in leven blijft.

Wie zondigt, moet sterven

24Maar stel dat een goed mens ophoudt met goed te leven. Stel dat hij verschrikkelijke dingen gaat doen, en een misdadiger wordt. Dan zullen de goede dingen die hij vroeger gedaan heeft, hem niet redden van de straf. Hij zal sterven omdat hij nu zondigt en misdaden pleegt.

Wat de Heer doet, is eerlijk

25Jullie zeggen: ‘Wat de Heer doet, is oneerlijk!’ Maar luister eens, Israëlieten! Jullie zijn zelf oneerlijk!

26Als een goed mens ophoudt met goed te leven, en slechte dingen gaat doen, dan zal hij sterven. 27-28En als een slecht mens spijt krijgt van zijn misdaden, en zich goed gaat gedragen, dan zal hij blijven leven. Hij hoeft niet te sterven.

29Hoe durven jullie te zeggen dat ik oneerlijke dingen doe, Israëlieten! Jullie zijn zelf oneerlijk!

Ga op een goede manier leven

30Luister, Israëlieten. Ik zal ieder van jullie beoordelen op zijn eigen gedrag. Maak daarom een einde aan het kwaad dat jullie doen! Zorg ervoor dat jullie niet voor je fouten gestraft worden. 31Houd op met jullie misdaden. En begin een nieuw leven, zodat jullie niet hoeven te sterven. 32Want de dood van een mens maakt mij niet blij. Ga dus op een goede manier leven, zodat jullie in leven blijven!’

19

Klaaglied over Israël

191-2De Heer gaf mij de opdracht om een klaaglied te zingen over de koningen van Israël.

De koningen worden vergeleken met leeuwen

‘Vroeger leek Israël op een prachtige leeuwin,

die tussen de andere leeuwen lag,

en voor haar jongen zorgde.

3Die leeuwin koos één van haar jongen uit

en zorgde dat hij groot en sterk werd.

Hij leerde om op andere dieren te jagen,

en doodde zelfs mensen.

4Toen de mensen hoorden hoe gevaarlijk hij was,

vingen ze hem in een kuil.

Ze bonden hem vast met kettingen

en brachten hem naar Egypte.

5De leeuwin wachtte tot haar jong terug zou komen,

maar na een tijd gaf ze de moed op.

Ze koos één van haar andere jongen uit,

en zorgde dat ook hij groot en sterk werd.

6Ook die jonge leeuw werd volwassen,

en liep trots rond tussen de andere leeuwen.

Hij leerde om op andere dieren te jagen,

en doodde zelfs mensen.

7Hij verwoestte hun paleizen

en vernietigde hun steden.

Als mensen de leeuw hoorden brullen,

dan beefden ze van angst.

8Daarom besloten ze om hem te vangen.

Ze kwamen overal vandaan om hem te grijpen.

Ze vingen hem in een kuil,

en gooiden een net over hem heen.

9Ze bonden hem vast met kettingen

en brachten hem naar de koning van Babel.

Daar hielden ze hem gevangen,

zodat de mensen in Israël zijn gebrul nooit meer zouden horen.

Israël wordt vergeleken met een druivenplant

10Vroeger leek Israël op een druivenplant

die bij het water groeide.

Die plant kreeg veel vruchten en had veel takken,

omdat er meer dan genoeg water was.

11Sommige van de takken waren heel sterk,

sterk genoeg om de staf van een koning te kunnen zijn.

Eén ervan groeide en groeide, tot hoog in de wolken.

Hij werd heel hoog en kreeg veel bladeren,

vanuit de verte was hij al te zien.

12Maar toen trok iemand de plant uit de grond.

Kwaad gooide hij die zomaar ergens neer.

De druiven verdroogden door de hete oostenwind,

de takken braken af en verdorden.

En de grootste tak vloog in brand.

13En nu staat de druivenplant in de woestijn,

in een dor en droog land.

14De druiven zijn verbrand

door vuur uit de plant.

De druivenplant heeft geen sterke takken meer.

Geen enkele tak is sterk genoeg

om de staf van een koning te kunnen zijn.’

Dit klaaglied wordt nog steeds gezongen.

20

De voorouders van het volk

De leiders van het volk vragen raad

201Op een dag kwamen er een paar leiders van mijn volk bij mij. Dat gebeurde op de tiende dag van de vijfde maand. Mijn volk en ik woonden toen zeven jaar in Babylonië. Die leiders wilden dat ik de Heer om raad zou vragen.

Toen de leiders tegenover mij zaten, 2zei de Heer tegen mij: 3‘Mensenkind, zeg tegen deze leiders: ‘Dit zegt God, de Heer: Zijn jullie gekomen om raad van mij te krijgen? Ik zal jullie beslist geen raad geven! Dat is zo zeker als ik leef.’

4Mensenkind, jij moet deze leiders veroordelen. Herinner hen aan de afschuwelijke dingen die hun voorouders hebben gedaan.

In Egypte deed God een belofte

5Vertel deze leiders namens mij het volgende. Toen de Israëlieten in Egypte waren, heb ik, de Heer, hen uitgekozen om mijn volk te zijn. Ik vertelde hun wie ik was, en deed hun een plechtige belofte. Want ik zei tegen hen: ‘Ik ben de Heer! Ik zal jullie God zijn!’ 6Ik beloofde dat ik hen zou bevrijden uit Egypte. Ik zou hen naar een land brengen dat ik zelf voor hen uitgezocht had. Het mooiste land op aarde, waar meer dan genoeg te eten en te drinken is voor iedereen.

7Maar ik zei ook tegen hen: ‘Jullie moeten al die afschuwelijke afgodsbeelden wegdoen. Jullie mogen je niet onrein maken door de Egyptische goden te vereren. Want alleen ik, de Heer, ben jullie God.’

Het volk was ongehoorzaam in Egypte

8Maar de Israëlieten waren ongehoorzaam. Ze wilden niet naar mij luisteren. Ze deden hun afschuwelijke afgodsbeelden niet weg, en ze bleven doorgaan met het vereren van de Egyptische goden. Daarom werd ik woedend op hen. Ik wilde hen straffen, daar in Egypte.

9Maar toch deed ik dat niet. Want als ik mijn eigen volk kwaad zou doen, zouden de andere volken met mij gaan spotten. Daarom strafte ik de Israëlieten niet, maar bevrijdde hen uit Egypte. Zo liet ik aan de volken zien hoe machtig ik ben.

In de woestijn kreeg het volk wetten

10Toen ik de Israëlieten uit Egypte bevrijd had, bracht ik hen naar de woestijn. 11Daar gaf ik hun mijn wetten, en maakte hun mijn regels bekend. Iedereen die zich aan die wetten en regels hield, zou in leven blijven.

12Ik gaf hun ook de opdracht om steeds de sabbat te vieren. Want zo konden ze laten zien dat ze een bijzonder volk voor mij zijn. En zo zouden ze er steeds aan blijven denken dat ze heilig voor mij zijn.

Het volk bleef ongehoorzaam

13Maar ook in de woestijn waren de Israëlieten ongehoorzaam. Als ze mijn wetten en regels volgden, zouden ze in leven blijven. Maar ze hielden zich niet aan mijn wetten, en van mijn regels wilden ze niets weten. Ze hielden zich ook niet aan de regels voor de sabbat.

Daarom werd ik woedend op hen. Ik wilde hen vernietigen, daar in de woestijn. 14Maar toch deed ik dat niet. Want als ik mijn eigen volk kwaad zou doen, zouden de andere volken met mij gaan spotten. Want die volken hadden zelf gezien dat ik de Israëlieten uit Egypte bevrijd had.

15Maar ik nam in de woestijn wel een besluit. Ik besloot om mijn volk niet naar het land te brengen dat ik hun beloofd had. Dat mooiste land op aarde, waar meer dan genoeg te eten en te drinken is voor iedereen. 16Ik nam dat besluit omdat ze niets wilden weten van mijn regels, en zich niet hielden aan mijn wetten. Ze hielden zich zelfs niet aan de regels voor de sabbat. Nee, ze dachten alleen maar aan hun afgoden.

17Toch vernietigde ik de Israëlieten niet in de woestijn. Want ik had medelijden met hen.

God waarschuwde de kinderen

18Toen zei ik in de woestijn tegen de kinderen van de Israëlieten: ‘Jullie mogen niet leven volgens de wetten en regels van jullie ouders. En jullie mogen ook hun afgoden niet vereren. 19Want ik, de Heer, ben jullie God. Daarom moeten jullie je alleen aan mijn wetten en regels houden. 20En jullie moeten de sabbat vieren als een heilige dag. Want zo laten jullie zien dat jullie mijn volk zijn, en dat ik jullie God ben.’

Ook de kinderen waren ongehoorzaam

21Maar ook de kinderen van de Israëlieten waren ongehoorzaam. Als ze mijn wetten en regels volgden, zouden ze in leven blijven. Maar ze hielden zich niet aan mijn wetten, en van mijn regels wilden ze niets weten. Ze hielden zich ook niet aan de regels voor de sabbat.

Daarom werd ik woedend op hen. Ik wilde hen straffen, daar in de woestijn. 22Maar toch deed ik dat niet. Want ik wilde niet dat de andere volken met mij zouden gaan spotten als ik mijn eigen volk kwaad deed. Want die volken hadden zelf gezien dat ik de Israëlieten uit Egypte bevrijd had.

23Maar ik nam in de woestijn wel het besluit dat ik de Israëlieten zou wegjagen naar verre landen. Daar zouden ze moeten leven bij volken die ze niet kenden. 24Ik nam dat besluit omdat ze zich niet aan mijn regels hielden, en omdat ze niets wilden weten van mijn wetten. Ze hielden zich zelfs niet aan de regels voor de sabbat. Nee, ze dachten alleen maar aan de afgoden van hun voorouders.

God gaf zijn volk slechte wetten

25Toen gaf ik de Israëlieten wetten die niet goed voor hen waren, en regels waardoor ze zouden sterven. 26Ik liet toe dat ze offers brachten aan afgoden, en zich op die manier onrein maakten. Ik liet zelfs toe dat ze hun oudste kind offerden aan de afgoden.

Ik hoopte dat ze uiteindelijk zouden schrikken van hun afschuwelijke daden. Dan zouden ze begrijpen dat ik de Heer ben.’

Ook in Israël was het volk ontrouw

27Toen zei de Heer tegen mij: ‘Vertel de mensen van je volk dat hun voorouders mij bleven beledigen, en steeds ontrouw aan mij waren. 28Ook toen ik hen naar het land gebracht had dat ik hun beloofd had. Want ook daar brachten ze offers aan afgoden. Ze offerden hun dieren op elke heuvel en onder elke groene boom. Ze brachten daar ook wijnoffers en offers met een heerlijke geur. Door dat te doen hebben ze mij diep beledigd.

29Ik zei tegen hen: ‘Wat zijn dat toch voor plaatsen waar jullie heen gaan om te offeren?’ Daarom wordt zo’n plaats sinds die tijd ‘offerplaats’ genoemd.

Het volk is nog steeds ongehoorzaam

30Mensenkind, zeg namens mij tegen de mensen van je volk: ‘Jullie gedragen je nog steeds net zo slecht als jullie voorouders! Jullie vereren die afschuwelijke afgoden, net als zij. 31En jullie maken je onrein door aan al die afgoden offers te brengen. Jullie offeren zelfs jullie eigen kinderen aan hen! Zou ik dan raad geven aan jullie, Israëlieten? Natuurlijk niet! Dat is zo zeker als ik leef.

32Jullie willen net zo worden als de andere volken. Want jullie willen afgoden van hout en steen dienen. Maar dat zal beslist niet gebeuren! 33Dat is zo zeker als ik leef. Want ikzelf zal als een strenge en machtige koning over jullie heersen. En ik zal jullie mijn woede laten voelen!

God zal rechtspreken over zijn volk

34Ik zal jullie laten zien hoe machtig ik ben, en hoe groot mijn woede is. Want ik zal jullie weghalen uit de landen waar jullie naartoe zijn gejaagd. 35Dan zal ik jullie naar de woestijn brengen, waar heel veel volken bij elkaar gekomen zijn. Daar zullen jullie tegenover mij staan, en ik zal over jullie rechtspreken. 36Ik zal over jullie rechtspreken, net zoals ik in de woestijn van Egypte over jullie voorouders rechtgesproken heb.

37-38Ik zal jullie één voor één beoordelen. De mensen die ongehoorzaam zijn aan mij, zal ik apart zetten van de rest. Ik zal hen weghalen uit de landen waar ze naartoe zijn gejaagd, maar ze mogen niet terugkeren naar Israël. Iedereen die mij wel gehoorzaam is, moet zich blijven houden aan mijn wetten en regels.

Als dat gebeurd is, zullen jullie begrijpen dat ik de Heer ben.

God zal het volk terugbrengen

39Luister, Israëlieten! Ga maar door met het vereren van die afgoden. Maar bedenk dat jullie uiteindelijk toch moeten luisteren naar mij. En dat jullie uiteindelijk wel moeten ophouden mij te beledigen. 40Want op het laatst zullen alle Israëlieten mij vereren op mijn heilige berg in het land Israël. Op die hoge berg zal ik jullie aannemen als mijn eigen volk. Daar zal ik jullie vragen om offers aan mij te brengen. En ik zal jullie vragen kostbare geschenken aan mij te geven, het beste wat jullie hebben.

41Want ik zal jullie weghalen uit de landen waar jullie naartoe zijn gejaagd. Ik zal jullie aannemen als mijn eigen volk, net zoals ik een offer met een heerlijke geur graag aanneem. Als de andere volken dat zien, zullen ze begrijpen dat ik een heilige God ben.

42Ik zal jullie terugbrengen naar het land dat ik aan jullie voorouders beloofd heb. Dan zullen jullie begrijpen dat ik de Heer ben.

God zal het volk vergeven

43In Israël zullen jullie terugdenken aan alles wat jullie verkeerd hebben gedaan. Jullie zullen terugdenken aan de misdaden waardoor jullie je onrein hebben gemaakt. En jullie zullen jezelf haten vanwege al die dingen.

44Maar ook al verdienen jullie straf voor die misdaden, toch zal ik jullie niet straffen. Ik zal jullie vergeven, zodat iedereen eerbied voor mij zal hebben.

Dan zullen jullie begrijpen dat ik de Heer ben.’’