Bijbel in Gewone Taal (BGT)
19

Klaaglied over Israël

191-2De Heer gaf mij de opdracht om een klaaglied te zingen over de koningen van Israël.

De koningen worden vergeleken met leeuwen

‘Vroeger leek Israël op een prachtige leeuwin,

die tussen de andere leeuwen lag,

en voor haar jongen zorgde.

3Die leeuwin koos één van haar jongen uit

en zorgde dat hij groot en sterk werd.

Hij leerde om op andere dieren te jagen,

en doodde zelfs mensen.

4Toen de mensen hoorden hoe gevaarlijk hij was,

vingen ze hem in een kuil.

Ze bonden hem vast met kettingen

en brachten hem naar Egypte.

5De leeuwin wachtte tot haar jong terug zou komen,

maar na een tijd gaf ze de moed op.

Ze koos één van haar andere jongen uit,

en zorgde dat ook hij groot en sterk werd.

6Ook die jonge leeuw werd volwassen,

en liep trots rond tussen de andere leeuwen.

Hij leerde om op andere dieren te jagen,

en doodde zelfs mensen.

7Hij verwoestte hun paleizen

en vernietigde hun steden.

Als mensen de leeuw hoorden brullen,

dan beefden ze van angst.

8Daarom besloten ze om hem te vangen.

Ze kwamen overal vandaan om hem te grijpen.

Ze vingen hem in een kuil,

en gooiden een net over hem heen.

9Ze bonden hem vast met kettingen

en brachten hem naar de koning van Babel.

Daar hielden ze hem gevangen,

zodat de mensen in Israël zijn gebrul nooit meer zouden horen.

Israël wordt vergeleken met een druivenplant

10Vroeger leek Israël op een druivenplant

die bij het water groeide.

Die plant kreeg veel vruchten en had veel takken,

omdat er meer dan genoeg water was.

11Sommige van de takken waren heel sterk,

sterk genoeg om de staf van een koning te kunnen zijn.

Eén ervan groeide en groeide, tot hoog in de wolken.

Hij werd heel hoog en kreeg veel bladeren,

vanuit de verte was hij al te zien.

12Maar toen trok iemand de plant uit de grond.

Kwaad gooide hij die zomaar ergens neer.

De druiven verdroogden door de hete oostenwind,

de takken braken af en verdorden.

En de grootste tak vloog in brand.

13En nu staat de druivenplant in de woestijn,

in een dor en droog land.

14De druiven zijn verbrand

door vuur uit de plant.

De druivenplant heeft geen sterke takken meer.

Geen enkele tak is sterk genoeg

om de staf van een koning te kunnen zijn.’

Dit klaaglied wordt nog steeds gezongen.

20

De voorouders van het volk

De leiders van het volk vragen raad

201Op een dag kwamen er een paar leiders van mijn volk bij mij. Dat gebeurde op de tiende dag van de vijfde maand. Mijn volk en ik woonden toen zeven jaar in Babylonië. Die leiders wilden dat ik de Heer om raad zou vragen.

Toen de leiders tegenover mij zaten, 2zei de Heer tegen mij: 3‘Mensenkind, zeg tegen deze leiders: ‘Dit zegt God, de Heer: Zijn jullie gekomen om raad van mij te krijgen? Ik zal jullie beslist geen raad geven! Dat is zo zeker als ik leef.’

4Mensenkind, jij moet deze leiders veroordelen. Herinner hen aan de afschuwelijke dingen die hun voorouders hebben gedaan.

In Egypte deed God een belofte

5Vertel deze leiders namens mij het volgende. Toen de Israëlieten in Egypte waren, heb ik, de Heer, hen uitgekozen om mijn volk te zijn. Ik vertelde hun wie ik was, en deed hun een plechtige belofte. Want ik zei tegen hen: ‘Ik ben de Heer! Ik zal jullie God zijn!’ 6Ik beloofde dat ik hen zou bevrijden uit Egypte. Ik zou hen naar een land brengen dat ik zelf voor hen uitgezocht had. Het mooiste land op aarde, waar meer dan genoeg te eten en te drinken is voor iedereen.

7Maar ik zei ook tegen hen: ‘Jullie moeten al die afschuwelijke afgodsbeelden wegdoen. Jullie mogen je niet onrein maken door de Egyptische goden te vereren. Want alleen ik, de Heer, ben jullie God.’

Het volk was ongehoorzaam in Egypte

8Maar de Israëlieten waren ongehoorzaam. Ze wilden niet naar mij luisteren. Ze deden hun afschuwelijke afgodsbeelden niet weg, en ze bleven doorgaan met het vereren van de Egyptische goden. Daarom werd ik woedend op hen. Ik wilde hen straffen, daar in Egypte.

9Maar toch deed ik dat niet. Want als ik mijn eigen volk kwaad zou doen, zouden de andere volken met mij gaan spotten. Daarom strafte ik de Israëlieten niet, maar bevrijdde hen uit Egypte. Zo liet ik aan de volken zien hoe machtig ik ben.

In de woestijn kreeg het volk wetten

10Toen ik de Israëlieten uit Egypte bevrijd had, bracht ik hen naar de woestijn. 11Daar gaf ik hun mijn wetten, en maakte hun mijn regels bekend. Iedereen die zich aan die wetten en regels hield, zou in leven blijven.

12Ik gaf hun ook de opdracht om steeds de sabbat te vieren. Want zo konden ze laten zien dat ze een bijzonder volk voor mij zijn. En zo zouden ze er steeds aan blijven denken dat ze heilig voor mij zijn.

Het volk bleef ongehoorzaam

13Maar ook in de woestijn waren de Israëlieten ongehoorzaam. Als ze mijn wetten en regels volgden, zouden ze in leven blijven. Maar ze hielden zich niet aan mijn wetten, en van mijn regels wilden ze niets weten. Ze hielden zich ook niet aan de regels voor de sabbat.

Daarom werd ik woedend op hen. Ik wilde hen vernietigen, daar in de woestijn. 14Maar toch deed ik dat niet. Want als ik mijn eigen volk kwaad zou doen, zouden de andere volken met mij gaan spotten. Want die volken hadden zelf gezien dat ik de Israëlieten uit Egypte bevrijd had.

15Maar ik nam in de woestijn wel een besluit. Ik besloot om mijn volk niet naar het land te brengen dat ik hun beloofd had. Dat mooiste land op aarde, waar meer dan genoeg te eten en te drinken is voor iedereen. 16Ik nam dat besluit omdat ze niets wilden weten van mijn regels, en zich niet hielden aan mijn wetten. Ze hielden zich zelfs niet aan de regels voor de sabbat. Nee, ze dachten alleen maar aan hun afgoden.

17Toch vernietigde ik de Israëlieten niet in de woestijn. Want ik had medelijden met hen.

God waarschuwde de kinderen

18Toen zei ik in de woestijn tegen de kinderen van de Israëlieten: ‘Jullie mogen niet leven volgens de wetten en regels van jullie ouders. En jullie mogen ook hun afgoden niet vereren. 19Want ik, de Heer, ben jullie God. Daarom moeten jullie je alleen aan mijn wetten en regels houden. 20En jullie moeten de sabbat vieren als een heilige dag. Want zo laten jullie zien dat jullie mijn volk zijn, en dat ik jullie God ben.’

Ook de kinderen waren ongehoorzaam

21Maar ook de kinderen van de Israëlieten waren ongehoorzaam. Als ze mijn wetten en regels volgden, zouden ze in leven blijven. Maar ze hielden zich niet aan mijn wetten, en van mijn regels wilden ze niets weten. Ze hielden zich ook niet aan de regels voor de sabbat.

Daarom werd ik woedend op hen. Ik wilde hen straffen, daar in de woestijn. 22Maar toch deed ik dat niet. Want ik wilde niet dat de andere volken met mij zouden gaan spotten als ik mijn eigen volk kwaad deed. Want die volken hadden zelf gezien dat ik de Israëlieten uit Egypte bevrijd had.

23Maar ik nam in de woestijn wel het besluit dat ik de Israëlieten zou wegjagen naar verre landen. Daar zouden ze moeten leven bij volken die ze niet kenden. 24Ik nam dat besluit omdat ze zich niet aan mijn regels hielden, en omdat ze niets wilden weten van mijn wetten. Ze hielden zich zelfs niet aan de regels voor de sabbat. Nee, ze dachten alleen maar aan de afgoden van hun voorouders.

God gaf zijn volk slechte wetten

25Toen gaf ik de Israëlieten wetten die niet goed voor hen waren, en regels waardoor ze zouden sterven. 26Ik liet toe dat ze offers brachten aan afgoden, en zich op die manier onrein maakten. Ik liet zelfs toe dat ze hun oudste kind offerden aan de afgoden.

Ik hoopte dat ze uiteindelijk zouden schrikken van hun afschuwelijke daden. Dan zouden ze begrijpen dat ik de Heer ben.’

Ook in Israël was het volk ontrouw

27Toen zei de Heer tegen mij: ‘Vertel de mensen van je volk dat hun voorouders mij bleven beledigen, en steeds ontrouw aan mij waren. 28Ook toen ik hen naar het land gebracht had dat ik hun beloofd had. Want ook daar brachten ze offers aan afgoden. Ze offerden hun dieren op elke heuvel en onder elke groene boom. Ze brachten daar ook wijnoffers en offers met een heerlijke geur. Door dat te doen hebben ze mij diep beledigd.

29Ik zei tegen hen: ‘Wat zijn dat toch voor plaatsen waar jullie heen gaan om te offeren?’ Daarom wordt zo’n plaats sinds die tijd ‘offerplaats’ genoemd.

Het volk is nog steeds ongehoorzaam

30Mensenkind, zeg namens mij tegen de mensen van je volk: ‘Jullie gedragen je nog steeds net zo slecht als jullie voorouders! Jullie vereren die afschuwelijke afgoden, net als zij. 31En jullie maken je onrein door aan al die afgoden offers te brengen. Jullie offeren zelfs jullie eigen kinderen aan hen! Zou ik dan raad geven aan jullie, Israëlieten? Natuurlijk niet! Dat is zo zeker als ik leef.

32Jullie willen net zo worden als de andere volken. Want jullie willen afgoden van hout en steen dienen. Maar dat zal beslist niet gebeuren! 33Dat is zo zeker als ik leef. Want ikzelf zal als een strenge en machtige koning over jullie heersen. En ik zal jullie mijn woede laten voelen!

God zal rechtspreken over zijn volk

34Ik zal jullie laten zien hoe machtig ik ben, en hoe groot mijn woede is. Want ik zal jullie weghalen uit de landen waar jullie naartoe zijn gejaagd. 35Dan zal ik jullie naar de woestijn brengen, waar heel veel volken bij elkaar gekomen zijn. Daar zullen jullie tegenover mij staan, en ik zal over jullie rechtspreken. 36Ik zal over jullie rechtspreken, net zoals ik in de woestijn van Egypte over jullie voorouders rechtgesproken heb.

37-38Ik zal jullie één voor één beoordelen. De mensen die ongehoorzaam zijn aan mij, zal ik apart zetten van de rest. Ik zal hen weghalen uit de landen waar ze naartoe zijn gejaagd, maar ze mogen niet terugkeren naar Israël. Iedereen die mij wel gehoorzaam is, moet zich blijven houden aan mijn wetten en regels.

Als dat gebeurd is, zullen jullie begrijpen dat ik de Heer ben.

God zal het volk terugbrengen

39Luister, Israëlieten! Ga maar door met het vereren van die afgoden. Maar bedenk dat jullie uiteindelijk toch moeten luisteren naar mij. En dat jullie uiteindelijk wel moeten ophouden mij te beledigen. 40Want op het laatst zullen alle Israëlieten mij vereren op mijn heilige berg in het land Israël. Op die hoge berg zal ik jullie aannemen als mijn eigen volk. Daar zal ik jullie vragen om offers aan mij te brengen. En ik zal jullie vragen kostbare geschenken aan mij te geven, het beste wat jullie hebben.

41Want ik zal jullie weghalen uit de landen waar jullie naartoe zijn gejaagd. Ik zal jullie aannemen als mijn eigen volk, net zoals ik een offer met een heerlijke geur graag aanneem. Als de andere volken dat zien, zullen ze begrijpen dat ik een heilige God ben.

42Ik zal jullie terugbrengen naar het land dat ik aan jullie voorouders beloofd heb. Dan zullen jullie begrijpen dat ik de Heer ben.

God zal het volk vergeven

43In Israël zullen jullie terugdenken aan alles wat jullie verkeerd hebben gedaan. Jullie zullen terugdenken aan de misdaden waardoor jullie je onrein hebben gemaakt. En jullie zullen jezelf haten vanwege al die dingen.

44Maar ook al verdienen jullie straf voor die misdaden, toch zal ik jullie niet straffen. Ik zal jullie vergeven, zodat iedereen eerbied voor mij zal hebben.

Dan zullen jullie begrijpen dat ik de Heer ben.’’

21

Het zwaard van de Heer

Ezechiël moet de bossen waarschuwen

211De Heer zei tegen mij: 2‘Mensenkind, kijk in de richting van het zuiden, en waarschuw de bossen die daar zijn. 3Zeg tegen die bossen: ‘Luister naar wat God, de Heer, tegen jullie zegt: Kijk uit, want ik zal jullie in brand steken! Al jullie bomen zullen door het vuur verbrand worden, niet alleen de dorre bomen, maar ook de groene. En dat felle vuur zal niet uitgaan.’

In het hele land zullen de mensen de hitte van het vuur voelen. 4En ze zullen zien dat het vuur niet uitgaat. Dan zullen ze begrijpen dat ik, de Heer, het aangestoken heb.’

God zegt tegen Ezechiël wat de boodschap betekent

5Ik zei: ‘Ach, Heer, mijn God, de mensen zullen zeggen: ‘Wat zegt die man toch weer geheimzinnige dingen!’’

6Toen zei de Heer tegen mij: 7‘Mensenkind, kijk in de richting van Jeruzalem en de tempel. En waarschuw de inwoners van Israël. 8-9Zeg namens mij tegen hen: ‘Kijk uit, Israëlieten, want ik ben jullie vijand! Ik haal mijn zwaard tevoorschijn, en daarmee ga ik iedereen doden. Niet alleen de slechte mensen, maar ook de goede. Ik zal iedereen doden in het hele land!

10Dan zal de hele wereld weten dat ik, de Heer, mijn zwaard tevoorschijn gehaald heb. Ik houd het stevig vast, en laat het niet meer los.’’

Ezechiël moet huilen van ellende

11Daarna zei de Heer: ‘Mensenkind, ik wil dat je huilt van ellende en verdriet. Laat iedereen zien hoe wanhopig je bent.

12Als de mensen aan je vragen waarom je zo huilt, zeg dan: ‘Omdat jullie slecht nieuws te horen krijgen. Als jullie dat nieuws horen, zullen jullie de moed verliezen. Jullie handen zullen trillen, en jullie knieën zullen beven van angst. Dat slechte nieuws zal al snel komen. God, de Heer, heeft dat besloten!’’

Gods zwaard ligt al klaar

13De Heer zei tegen mij: 14-15‘Mensenkind, waarschuw de Israëlieten en zeg tegen hen: ‘Dit zegt God, de Heer: Mijn zwaard ligt al klaar. Het is scherp gemaakt, en het zal schitteren en flitsen als de bliksem. Mijn zwaard zal mensen doden!

Denk maar niet dat jullie tegen dat zwaard beschermd zullen worden. Nee, mijn zwaard zal iedereen doden.

16Het zwaard is al scherp gemaakt. Moordenaars zullen het grijpen!’’

Het volk wordt gestraft

17De Heer zei tegen mij: ‘Mensenkind, huil van ellende en schreeuw het uit van paniek! Want dat zwaard is gericht tegen mijn volk en tegen de leiders van mijn volk. Zij zullen door het zwaard neergestoken worden. 18Niemand kan hen beschermen.

Zo zal ik mijn volk straffen. Dat heb ik, de Heer, besloten.’

Het zwaard zal veel mensen doden

19De Heer zei tegen mij: ‘Mensenkind, waarschuw de Israëlieten. Zwaai met je vuisten van woede, en zwaai met je zwaard door de lucht. Zo laat je zien dat mijn zwaard heel veel mensen zal doden. Zij zullen door het zwaard neergestoken worden. 20Als dat gebeurt, zal iedereen in paniek raken en de moed verliezen. In alle steden zullen mensen liggen die door het zwaard gedood zijn.

Het zwaard is scherp gemaakt, het ligt klaar om mensen te doden. Het zal schitteren en flitsen als de bliksem. 21Het slaat om zich heen, naar rechts en naar links. Het wordt alle kanten op gestuurd.’

22Toen zei de Heer: ‘Ook ik zal met mijn vuisten zwaaien van woede. Pas als ik de mensen gestraft heb, zal mijn woede voorbijgaan. Dat heb ik, de Heer, besloten!’

Jeruzalem zal aangevallen worden

23De Heer gaf mij opnieuw een opdracht. Hij zei: 24-25‘Mensenkind, maak een tekening van een weg. Dat is de weg die de koning van Babylonië zal volgen als hij met zijn leger aanvalt. Die weg moet zich in twee wegen splitsen. De ene weg gaat naar Rabba, de hoofdstad van de Ammonieten. De andere weg gaat naar Jeruzalem, die stad in Juda die zulke sterke muren heeft.

Op de plaats waar de twee wegen uit elkaar gaan, moet je een open plek tekenen. 26Op die plek blijft de koning van Babylonië stilstaan. Hij vraagt daar zijn goden om een teken. Want hij moet kiezen welke van de twee wegen hij zal nemen. 27Hij krijgt een teken, en daaruit blijkt dat hij naar Jeruzalem moet gaan. Die stad moet hij omsingelen en veroveren. Daar moet hij vechten.

28De inwoners van Jeruzalem zullen niet geloven dat de koning van Babylonië hun stad echt zal aanvallen. Ze denken dat die koning hun geen kwaad zal doen. Want ze hebben hem beloofd dat ze hem voor altijd trouw zullen zijn. Maar ze zullen door de koning van Babylonië gevangen worden genomen. En dan zullen ze zich weer herinneren dat ze hem ontrouw zijn geworden.

De Heer gaat Jeruzalem straffen

29Dit zeg ik, de Heer, tegen de inwoners van Jeruzalem: ‘Jullie hebben laten zien hoe slecht jullie zijn. Iedereen heeft jullie misdaden gezien. Daarom zullen jullie door je vijanden gevangen worden genomen.’

30En tegen de koning van Juda zeg ik: ‘Jij slechte koning! Een misdadiger, dat ben je! Je zult voor je misdaden gestraft worden. Al heel snel! 31Haal die kroon maar alvast van je hoofd. Want alles wordt anders! Machtige mensen zullen hun macht verliezen, maar zwakke mensen zullen juist macht krijgen.’

32Ik heb iemand uitgekozen die Jeruzalem zal straffen. Als hij komt, zal de hele stad verwoest worden.’

Het zwaard zal de Ammonieten doden

33De Heer zei verder tegen mij: ‘Mensenkind, de Ammonieten lachen om de ellende van de Israëlieten. Daarom moet je namens mij tegen hen zeggen: ‘Er ligt een zwaard klaar om jullie te doden! Het is zo scherp gemaakt dat het alles kan vernietigen. Dat zwaard zal schitteren en flitsen als de bliksem!

34Want jullie vertellen leugens. En alles wat jullie voorspellen, is bedrog. Jullie zijn misdadigers! Maar het zwaard zal een einde aan jullie leven maken. Zo zullen jullie worden gestraft. Al heel snel!’

De Heer zal de Babyloniërs straffen

35Binnenkort zal ik, de Heer, het zwaard neerleggen. Maar eerst zal ik Babylonië, het land waar het zwaard gemaakt is, straffen. 36Want ik ben woedend op de Babyloniërs, en ik zal hun mijn woede laten voelen! Mijn woede zal over hen heen razen als een vuur.

Ik zal hen uitleveren aan wrede volken. Aan mensen die er goed in zijn om anderen te vernietigen. 37Heel Babylonië zal door vuur verwoest worden. Overal zal bloed stromen. En uiteindelijk zullen de Babyloniërs door iedereen vergeten worden. Dat heb ik, de Heer, besloten.’