Bijbel in Gewone Taal (BGT)
12

Het volk moet Juda verlaten

De Israëlieten zijn eigenwijs

121De Heer zei tegen mij: 2‘Mensenkind, je woont bij een eigenwijs volk. De mensen van jouw volk hebben wel ogen, maar ze willen niets zien. En ze hebben wel oren, maar ze luisteren niet. Want ze zijn erg eigenwijs.’

Ezechiël doet alsof hij vertrekt

3‘Luister goed, mensenkind,’ zei de Heer verder. ‘Je moet doen alsof je gevangen wordt genomen en naar een ander land wordt gebracht. Pak de spullen bij elkaar die je nodig hebt, en vertrek uit je huis. Zorg ervoor dat de mensen van je volk je kunnen zien. Misschien zullen ze begrijpen waarom je dat allemaal doet, ook al zijn ze erg eigenwijs.

4Breng overdag de spullen die je mee wilt nemen, naar buiten. Maar vertrek pas als het avond wordt. Want ook gevangenen worden pas ’s avonds naar een ander land gebracht. Zorg ervoor dat iedereen kan zien wat je doet.

5-6Maak een gat in de muur van je huis, en breng je spullen door dat gat naar buiten. En zorg er ook nu voor dat iedereen dat kan zien. Neem de spullen op je schouders, en vertrek als het donker is. Bedek je gezicht, zodat je je eigen land niet meer kunt zien.

Wat jij doet, is een teken. Daarmee laat je zien wat er met het volk van Israël zal gaan gebeuren.’

7Ik deed wat de Heer gezegd had. Overdag bracht ik de spullen die ik mee wilde nemen, naar buiten. En ’s avonds maakte ik met mijn handen een gat in de muur. Toen het donker was, nam ik de spullen op mijn schouders, en ik vertrok. Iedereen kon zien wat ik deed.

Ook het volk moet vertrekken

8De volgende ochtend zei de Heer tegen mij: 9‘Mensenkind, die eigenwijze Israëlieten hebben je toch wel gevraagd wat je aan het doen was?

10-11Zeg maar tegen hen dat je hun een teken gegeven hebt. Met die spullen op je schouders heb je de koning en alle andere Israëlieten uitgebeeld. Wat jij uitgebeeld hebt, zal ook met hen gebeuren. Ze zullen gevangen worden genomen en naar een ander land gebracht worden. 12Als het donker is, zal de koning zijn spullen op zijn schouders nemen en vertrekken. De mensen zullen een gat in de muur maken en hem daardoorheen laten gaan. De koning zal zijn gezicht bedekken, zodat hij zijn eigen land niet meer kan zien. 13Hij zal gevangen worden genomen en naar Babylonië gebracht worden. Daar zal hij sterven. Zijn eigen land ziet hij nooit meer terug. Ik zal er zelf voor zorgen dat dat zal gebeuren.

Een kleine groep zal in leven blijven

14De volgelingen van de koning en zijn leger zullen alle kanten op gejaagd worden. Ze zullen achtervolgd worden door hun vijanden. 15Ik zal hen wegjagen naar verre landen. Daar zullen ze wonen bij volken die ze niet kennen. Dan zullen ze begrijpen dat ik de Heer ben.

16Een klein groepje mensen zal ik in leven laten. Zij zullen niet sterven door oorlog, honger of een vreselijke ziekte. Want zij moeten aan de volken waarbij ze terechtkomen, vertellen over de misdaden van hun volk. Dan zullen ook die volken begrijpen dat ik de Heer ben.’

Ezechiël moet beven van angst

17De Heer gaf mij opnieuw een opdracht. Hij zei tegen mij: 18‘Mensenkind, als je brood eet, moet je beven van angst. Als je water drinkt, moet je bang zijn en trillen.

19Vertel aan de mensen van je volk: ‘Dit zegt God, de Heer: Zo zal het ook gaan met de inwoners van Jeruzalem die achtergebleven zijn in Israël. Ook zij zullen bang zijn als ze brood eten. En ook zij zullen beven van angst als ze water drinken. De mensen zullen bang zijn omdat iedereen uit het land wordt weggejaagd. Dat komt doordat er zo veel geweld is in het land. 20Dan zullen de steden leeg achterblijven, en het land zal veranderen in een woestijn.’

Als die dingen gebeuren, zullen de mensen begrijpen dat ik de Heer ben.’

De Israëlieten geloven de profeten niet

Wat de profeten zeggen, zal gebeuren

21De Heer zei tegen mij: 22‘Mensenkind, in Israël gebruiken ze dit spreekwoord: ‘De dagen gaan voorbij, maar wat de profeten gezegd hebben, gebeurt niet.’ 23Maar jij moet tegen het volk zeggen: ‘Dit zegt God, de Heer: Ik zal ervoor zorgen dat dit spreekwoord niet meer gebruikt wordt. Want wat de profeten gezegd hebben, zal juist wel gebeuren! Al heel snel! 24Dan zullen ze in Israël begrijpen dat de profeten geen leugens verteld hebben. 25Want alles wat ik tegen de profeten zeg, zal zeker uitkomen. Het zal niet lang meer duren. Nog tijdens jullie leven zal ik de woorden van de profeten laten uitkomen, eigenwijs volk!’’

Wat Ezechiël zegt, zal snel gebeuren

26De Heer zei ook tegen mij: 27‘Mensenkind, de mensen van je volk zeggen: ‘De dingen die de profeet Ezechiël namens de Heer zegt, gebeuren pas later, over een lange tijd.’ 28Maar jij moet tegen die mensen zeggen: ‘Wat ik namens de Heer zeg, zal al heel snel gebeuren. De Heer zal er niet lang mee wachten.’’

13

God waarschuwt de profeten

De profeten worden gewaarschuwd

131De Heer zei tegen mij: 2-3‘Mensenkind, er zijn in Israël profeten die beweren dat ze namens mij spreken. Maar in werkelijkheid vertellen ze dingen die ze zelf bedacht hebben. Jij moet die profeten waarschuwen en tegen hen zeggen: ‘Dit zegt God, de Heer: Het zal verkeerd met jullie aflopen, slechte profeten! Want jullie zeggen dat jullie namens mij spreken, maar ik heb jullie nooit dromen gegeven. Jullie vertellen dingen die jullie zelf verzonnen hebben!

4Jullie maken misbruik van de ellende van het volk. Want jullie vertellen aan de Israëlieten wat ze graag willen horen. 5Maar jullie zouden hen juist moeten waarschuwen. Want op de dag dat ik hen straf, zal er oorlog komen. Jullie zouden hen daartegen moeten beschermen. Maar dat doen jullie niet. Jullie vertellen alleen maar leugens aan de mensen.

6Jullie beweren dat jullie namens mij spreken, maar ik heb geen opdracht gegeven om iets te zeggen. En jullie denken dat jullie woorden uit zullen komen, 7maar het zijn allemaal leugens! Ik heb niet tegen jullie gesproken!

De Heer gaat de profeten straffen

8-9Luister, profeten! Jullie hebben steeds leugens verteld aan de mensen. Daarom zal ik jullie straffen. Ik zal jullie wegsturen uit Israël, en jullie zullen er nooit meer terugkomen. Want jullie mogen niet meer bij mijn volk horen. Iedereen in Israël zal vergeten wie jullie zijn.

Dan zullen jullie begrijpen dat ik God, de Heer, ben.

De profeten bedriegen het volk

10Jullie bedriegen mijn volk, profeten! Want jullie zeggen steeds tegen de mensen: ‘Alles gaat goed!’ Ook al gaat het helemaal niet goed.

Jullie lijken op mensen die kalk smeren op een zwakke muur. 11Als anderen dat zien, zeggen ze: ‘Pas op, dat helpt niet! De muur kan nog steeds instorten!’ En als het dan gaat regenen, hagelen en stormen, 12stort de muur inderdaad in. Dan zeggen de mensen: ‘Zie je wel, die laag kalk was waardeloos!’

13-16Ik, de Heer, zeg tegen de profeten: Die zwakke muur, dat is Jeruzalem. En jullie zijn de mensen die kalk op de muur smeren. Want jullie zeggen: ‘Alles gaat goed met Jeruzalem!’ Ook al gaat het helemaal niet goed. De regen, de hagel en de storm, dat zijn de rampen die ik naar Jeruzalem stuur. Want ik ben woedend op de stad. Daarom zal ik Jeruzalem totaal vernietigen. Ik zal de hele stad laten instorten. En jullie zullen onder het puin terechtkomen en sterven.

Zo zal ik laten zien hoe kwaad ik ben op de stad, en hoe kwaad ik ben op jullie. En zo zal er een einde komen aan jullie en aan Jeruzalem.

Dan zullen de mensen begrijpen dat ik de Heer ben.’’

De waarzegsters worden gewaarschuwd

17De Heer zei verder tegen mij: ‘Mensenkind, er zijn vrouwen in je volk die beweren dat ze namens mij spreken. Maar in werkelijkheid zeggen ze dingen die ze zelf verzonnen hebben. Jij moet die vrouwen waarschuwen, 18en je moet tegen hen zeggen: ‘Dit zegt God, de Heer: Het zal slecht met jullie aflopen, waarzegsters! Jullie dragen toverbandjes om je polsen en sluiers voor je ogen. Jullie denken dat je daardoor macht hebt over de mensen. Jullie bedriegen de mensen en proberen hen in jullie macht te krijgen. En daar verdienen jullie nog geld mee ook! 19Want de mensen moeten brood of graan aan jullie betalen, en dan voorspellen jullie de toekomst voor hen.

Maar jullie beledigen mij met jullie woorden! Jullie zeggen tegen onschuldige mensen dat ze dood zullen gaan. En tegen schuldige mensen zeggen jullie dat ze in leven zullen blijven. Jullie vertellen leugens aan mijn volk. En de mensen geloven die leugens nog ook!

De waarzegsters verliezen hun macht

20-21Luister naar wat ik zeg, waarzegsters! Ik haat die toverbandjes van jullie, waarmee jullie proberen mensen in je macht te krijgen. Ik zal die dingen van jullie polsen af trekken. En jullie sluiers zal ik kapotscheuren. De mensen die in jullie macht zijn, zal ik bevrijden. Jullie zullen geen macht meer hebben over mijn volk. Dan zullen jullie begrijpen dat ik de Heer ben.

22Met jullie leugens hebben jullie mensen bang gemaakt die geen straf verdienden. Maar aan slechte mensen hebben jullie juist moed gegeven. Het is jullie schuld dat zij niet ophouden met hun misdaden, en dat hun leven niet wordt gered.

23Daarom zal ik een einde maken aan jullie leugens! Jullie zullen de toekomst niet meer voorspellen. En ik zal mijn volk bevrijden uit jullie macht.

Dan zullen jullie begrijpen dat ik de Heer ben.’’

14

God zal zelf antwoorden

De leiders vragen om raad

141Op een dag kwamen er een paar leiders van mijn volk bij mij. Toen ze voor mij zaten, 2zei de Heer tegen mij: 3‘Mensenkind, deze mannen zijn gekomen om mij om raad te vragen. Maar waarom zou ik raad geven aan deze mannen? Ze denken alleen maar aan hun afgoden, en ze doen steeds slechte dingen.

4-5Daarom moet jij die mannen waarschuwen. Je moet tegen hen zeggen: ‘Dit zegt God, de Heer: Ik heb een besluit genomen over alle Israëlieten die net zo doen als jullie. Ze denken alleen maar aan hun afgoden en doen steeds slechte dingen. Als zulke mensen een profeet om raad vragen, dan zal ik hun zelf een antwoord geven! Ik zal hun vertellen dat ik ze ga straffen. Ik ga iedereen in Israël straffen die afgoden vereert en mij in de steek laat.’

De Heer zal zelf antwoord geven

6Zeg daarom tegen de Israëlieten: ‘Dit zegt God, de Heer: Houd op met het vereren van die afgoden! Houd op met al die vreselijke dingen die jullie doen! En kom weer bij mij terug. 7Want ik heb een besluit genomen over alle mensen in Israël die mij in de steek laten. Dat geldt niet alleen voor Israëlieten, maar ook voor vreemdelingen in Israël. Het geldt voor iedereen die alleen maar aan afgoden denkt en steeds slechte dingen doet. Als zulke mensen naar een profeet gaan omdat ze mij om raad willen vragen, dan mag die profeet niets tegen hen zeggen. Want ik zal zelf een antwoord aan die mensen geven. 8Ik zal hun vertellen dat ik ze ga straffen! Ik ga hen wegsturen uit mijn volk. En iedereen zal zien hoe slecht het met hen afloopt.’

Dan zullen de mensen van je volk begrijpen dat ik de Heer ben.

Als profeten toch raad geven

9Stel dat een profeet toch raad geeft aan iemand die afgoden vereert. Dat kan hij doen omdat ik het toelaat. Maar dan zal ik die profeet toch straffen. Hij mag niet meer bij mijn volk horen. 10En ik zal niet alleen die profeet straffen, maar ook degene die naar hem toe gegaan is.

11Zo zal ik een einde maken aan de misdaden van de Israëlieten. En zo zal ik ervoor zorgen dat ze mij niet meer in de steek zullen laten. Dan zullen zij mijn volk zijn, en ik zal hun God zijn. Dat heb ik, de Heer, besloten.’

Weinig mensen worden gered

Alleen goede mensen worden gered

12De Heer sprak opnieuw tegen mij. Hij zei: 13‘Mensenkind, stel dat de mensen in een land tegen mij zondigen en mij in de steek laten. Dan zal ik dat land straffen. Ik zal ervoor zorgen dat er bijna geen eten meer te vinden is. De mensen en de dieren in dat land zullen sterven van de honger. 14Stel dat er in dat land drie goede mensen wonen: Noach, Daniël en Job. Dan worden alleen die drie gered. Want alleen zij zijn eerlijk en goed.

15-16Stel dat ik wilde dieren naar dat land stuur. Die wilde dieren zullen door het land zwerven en de bewoners doden. Het land verandert dan in een gevaarlijk gebied. Niemand durft er nog te komen. Stel dat Noach, Daniël en Job in dat land wonen. Dan worden alleen die drie gered. Ze kunnen er dus zelfs niet voor zorgen dat hun eigen kinderen in leven blijven. Dat staat vast!

17Of stel dat ik legers op dat land afstuur. Die legers zullen door het land trekken en de mensen en de dieren doden. 18Stel dat Noach, Daniël en Job in dat land wonen, dan blijven alleen zij in leven. Maar hun kinderen worden niet gered. Dat staat vast!

19Of stel dat ik zo woedend ben op dat land, dat ik er de pest laat uitbreken. De mensen en de dieren worden dan ziek en gaan dood. 20Stel dat Noach, Daniël en Job in dat land wonen, dan blijven alleen zij in leven. Want alleen zij zijn eerlijk en goed. Maar hun kinderen worden niet gered. Dat staat vast!’

Zo gaat het ook in Jeruzalem

21Toen zei God, de Heer: ‘Ik zal Jeruzalem op dezelfde manier straffen als dat slechte land. Net als in dat land zullen ook in Jeruzalem alle slechte inwoners sterven. Want ik zal vier verschrikkelijke rampen naar de stad sturen: oorlog, honger, wilde dieren en de pest. Zo maak ik een einde aan het leven van mensen en dieren.

22Maar toch zal ik enkele inwoners van Jeruzalem in leven laten. Zij zullen weggehaald worden uit Jeruzalem en naar Babylonië worden gebracht. Daar zullen ze bij jullie komen wonen. Jullie zullen horen hoeveel kwaad zij hebben gedaan. En dan zullen jullie beter kunnen accepteren dat ik Jeruzalem zo zwaar straf. 23Want als jullie over hun misdaden horen, zullen jullie begrijpen dat ik die vreselijke rampen niet zomaar laat gebeuren.’