Bijbel in Gewone Taal (BGT)
10

De man in de witte kleren

101Ik keek naar de koepel boven de engelen. Daar zag ik iets dat leek op een troon van edelstenen. 2Toen hoorde ik dat de Heer iets zei tegen de man in de witte kleren. Hij zei: ‘Ga naar de engelen die onder de troon staan. Onder die engelen staan wielen, en daartussen liggen gloeiende kolen. Pak zo veel van die kolen als je kunt dragen. En strooi ze daarna uit over de stad.’

Ik zag dat de man naar de wielen ging. 3-4De engelen stonden op dat moment aan de zuidkant van de tempel.

De Heer komt naar de tempel

Toen zag ik dat een wolk de tempel vulde. Die wolk was een teken dat de Heer daar was. Want de Heer was opgestaan van zijn troon en de tempel binnengegaan. Ik zag ook dat het plein rondom de tempel vol was met het stralende licht van de Heer.

5Opeens hoorde ik het geluid van de vleugels van de engelen. Het was zelfs te horen op het buitenste plein van de tempel. Het klonk als de stem van de machtige God.

De man krijgt gloeiende kolen

6De man in de witte kleren, die gloeiende kolen moest halen, was intussen naar de wielen gegaan. 7-8Bij die wielen stonden de engelen. Onder hun vleugels zag ik iets dat leek op een hand.

Eén van de engelen pakte wat gloeiende kolen, en legde die in de handen van de man. De man nam ze aan, en ging toen weer weg.

De vier wielen

9-13Ik keek nog eens goed naar die wielen waarover ik de Heer had horen spreken. Het waren er vier. Naast iedere engel stond één wiel.

De wielen schitterden alsof ze gemaakt waren van edelstenen. Ze zagen er alle vier hetzelfde uit: midden door elk wiel heen zat een ander wiel. Daardoor konden de wielen alle kanten op, zonder om te keren. Ze hoefden alleen maar mee te gaan met het voorste wiel.

De wielen zaten vol met ogen, aan alle kanten. En ook op de engelen zaten overal ogen: op hun rug, op hun handen en op hun vleugels.

De vier engelen

14De engelen hadden elk vier gezichten: het gezicht van een engel, van een mens, van een leeuw en van een adelaar. 15-17Ze leken op de dieren met vleugels die ik bij het Kebar-kanaal gezien had.

Als de engelen zich bewogen, bewogen de wielen met hen mee. Ook als de engelen hun vleugels uitspreidden en omhooggingen, gingen de wielen met hen mee omhoog. En als de engelen weer stilstonden, stonden de wielen ook stil. Want de engelen en de wielen vormden één geheel.

De Heer verlaat de tempel

18Toen zag ik dat de Heer de tempel verliet. Om hem heen was een stralend licht. Hij ging naar zijn troon boven de engelen.

19Daarna zag ik dat de engelen hun vleugels uitspreidden en omhooggingen. De wielen bewogen met hen mee omhoog. De engelen gingen staan bij de poort aan de oostkant van de tempel. Op de troon boven de engelen zag ik de God van Israël, stralend en machtig.

Ezechiël herkent de engelen

20-22Ik herkende de engelen. Het waren de dieren met vleugels die ik bij het Kebar-kanaal gezien had, onder de troon van de God van Israël. Net als die dieren hadden de engelen elk vier gezichten en vier vleugels. En ook bij hen was onder hun vleugels iets te zien dat leek op een hand. Bovendien hadden de engelen dezelfde gezichten als de dieren bij het Kebar-kanaal. En net als zij gingen ze steeds recht vooruit.

11

De leiders zeggen dat de stad van hen is

111Daarna tilde de geest van God mij opnieuw op. Hij bracht me naar de oostelijke poort van de tempel. Bij die poort zag ik vijfentwintig mannen staan. Ik zag dat Jaäzanja, de zoon van Azzur, en Pelatja, de zoon van Benaja, daar ook bij waren. Zij waren leiders van het volk.

2De Heer zei tegen mij: ‘Mensenkind, dat zijn mannen die kwade plannen bedenken en slechte raad geven aan de inwoners van Jeruzalem. 3Ze zeggen: ‘Het is niet nodig om nieuwe huizen te bouwen. Want er mogen geen andere mensen in deze stad komen wonen. De stad is alleen van ons!’

4Luister goed, mensenkind! Omdat die mannen zulke dingen zeggen, moet jij hen waarschuwen.’

De leiders hebben mensen vermoord

5Op dat moment kwam de geest van de Heer in mij. Hij gaf me de opdracht om tegen de leiders van Jeruzalem te zeggen: ‘Ik weet wel wat jullie zeggen. En ik weet wel wat jullie denken! 6Jullie hebben in deze stad heel veel mensen vermoord. Zo veel, dat de straten vol liggen met dode lichamen.

7Jullie zeggen dat Jeruzalem alleen van jullie is. Maar dat is niet zo! De stad is van de mensen die door jullie vermoord zijn! Jullie zullen uit Jeruzalem moeten vluchten. 8Want ik zal ervoor zorgen dat er oorlog komt in de stad. Dan zal gebeuren waar jullie zo bang voor zijn. Dat heb ik besloten!

De leiders zullen worden weggejaagd

9-10Ik zal jullie wegjagen uit de stad, en jullie zullen vluchten naar de grenzen van het land. Maar daar worden jullie gevangengenomen en gedood door vreemdelingen. Zo zal ik jullie straffen. Dan zullen jullie begrijpen dat ik de Heer ben.

11Jeruzalem zal niet meer van jullie zijn. Nee, jullie zullen vluchten naar de grenzen van het land. Maar ook daar zal ik jullie straffen. 12Dan zullen jullie begrijpen dat ik de Heer ben. Ik heb wetten en regels gegeven, maar jullie wilden je daar niet aan houden. Jullie hielden je alleen maar aan de wetten van andere volken.’

Eén van de leiders sterft

13Terwijl ik tegen de groep mannen aan het spreken was, stierf Pelatja, de zoon van Benaja. Toen liet ik me neervallen op mijn knieën, en ik schreeuwde: ‘Ach, Heer, mijn God, gaat u nu die paar Israëlieten die over zijn, ook nog doden?’

De Israëlieten zullen terugkeren

14De Heer zei tegen mij: 15‘Mensenkind, de inwoners van Jeruzalem zeggen tegen de Israëlieten in Babylonië: ‘Blijf maar waar jullie zijn, ver weg van Israël en ver bij de Heer vandaan. Want het land Israël is aan ons gegeven. Het is ons bezit.’

16Maar jij moet iets anders zeggen tegen de Israëlieten in Babylonië. Geef hun de volgende boodschap: ‘Dit zegt God, de Heer: Ik heb jullie weggejaagd naar verre landen. Nu wonen jullie ver weg, bij andere volken. Daar hebben jullie geen tempel waarin jullie dicht bij mij kunnen zijn. 17Maar ik beloof dat ik jullie bij die volken zal weghalen. Ik zal jullie ophalen uit die verre landen waar jullie naartoe gejaagd zijn. En ik zal het land Israël aan jullie geven. 18Jullie zullen naar Israël terugkeren. En dan zullen jullie al die afschuwelijke afgodsbeelden uit het land verwijderen.

De Israëlieten zullen God weer dienen

19Ik zal ervoor zorgen dat jullie alleen mij willen dienen en liefhebben. Jullie zullen niet meer ongehoorzaam zijn aan mij, maar weer doen wat ik wil. 20Jullie zullen je houden aan mijn wetten en regels. Dan zullen jullie mijn volk zijn, en ik zal jullie God zijn.

21Maar de mensen die hun afschuwelijke afgoden blijven dienen, zal ik straffen. Dat heb ik besloten.’’

De Heer verlaat Jeruzalem

22-23Toen spreidden de engelen hun vleugels uit om weer te gaan vliegen. De wielen gingen met hen mee omhoog. Op de troon boven de engelen zag ik de God van Israël, stralend en machtig. Zo ging de Heer weg uit Jeruzalem. Hij werd door de engelen naar een berg aan de oostkant van de stad gebracht.

24Daarna tilde de geest van God mij weer op. Hij bracht mij terug naar Babylonië, naar de mensen van mijn volk. Toen eindigde mijn droom.

25De volgende dag vertelde ik mijn droom aan de mensen van mijn volk. Ik vertelde hun alles wat de Heer mij had laten zien.

12

Het volk moet Juda verlaten

De Israëlieten zijn eigenwijs

121De Heer zei tegen mij: 2‘Mensenkind, je woont bij een eigenwijs volk. De mensen van jouw volk hebben wel ogen, maar ze willen niets zien. En ze hebben wel oren, maar ze luisteren niet. Want ze zijn erg eigenwijs.’

Ezechiël doet alsof hij vertrekt

3‘Luister goed, mensenkind,’ zei de Heer verder. ‘Je moet doen alsof je gevangen wordt genomen en naar een ander land wordt gebracht. Pak de spullen bij elkaar die je nodig hebt, en vertrek uit je huis. Zorg ervoor dat de mensen van je volk je kunnen zien. Misschien zullen ze begrijpen waarom je dat allemaal doet, ook al zijn ze erg eigenwijs.

4Breng overdag de spullen die je mee wilt nemen, naar buiten. Maar vertrek pas als het avond wordt. Want ook gevangenen worden pas ’s avonds naar een ander land gebracht. Zorg ervoor dat iedereen kan zien wat je doet.

5-6Maak een gat in de muur van je huis, en breng je spullen door dat gat naar buiten. En zorg er ook nu voor dat iedereen dat kan zien. Neem de spullen op je schouders, en vertrek als het donker is. Bedek je gezicht, zodat je je eigen land niet meer kunt zien.

Wat jij doet, is een teken. Daarmee laat je zien wat er met het volk van Israël zal gaan gebeuren.’

7Ik deed wat de Heer gezegd had. Overdag bracht ik de spullen die ik mee wilde nemen, naar buiten. En ’s avonds maakte ik met mijn handen een gat in de muur. Toen het donker was, nam ik de spullen op mijn schouders, en ik vertrok. Iedereen kon zien wat ik deed.

Ook het volk moet vertrekken

8De volgende ochtend zei de Heer tegen mij: 9‘Mensenkind, die eigenwijze Israëlieten hebben je toch wel gevraagd wat je aan het doen was?

10-11Zeg maar tegen hen dat je hun een teken gegeven hebt. Met die spullen op je schouders heb je de koning en alle andere Israëlieten uitgebeeld. Wat jij uitgebeeld hebt, zal ook met hen gebeuren. Ze zullen gevangen worden genomen en naar een ander land gebracht worden. 12Als het donker is, zal de koning zijn spullen op zijn schouders nemen en vertrekken. De mensen zullen een gat in de muur maken en hem daardoorheen laten gaan. De koning zal zijn gezicht bedekken, zodat hij zijn eigen land niet meer kan zien. 13Hij zal gevangen worden genomen en naar Babylonië gebracht worden. Daar zal hij sterven. Zijn eigen land ziet hij nooit meer terug. Ik zal er zelf voor zorgen dat dat zal gebeuren.

Een kleine groep zal in leven blijven

14De volgelingen van de koning en zijn leger zullen alle kanten op gejaagd worden. Ze zullen achtervolgd worden door hun vijanden. 15Ik zal hen wegjagen naar verre landen. Daar zullen ze wonen bij volken die ze niet kennen. Dan zullen ze begrijpen dat ik de Heer ben.

16Een klein groepje mensen zal ik in leven laten. Zij zullen niet sterven door oorlog, honger of een vreselijke ziekte. Want zij moeten aan de volken waarbij ze terechtkomen, vertellen over de misdaden van hun volk. Dan zullen ook die volken begrijpen dat ik de Heer ben.’

Ezechiël moet beven van angst

17De Heer gaf mij opnieuw een opdracht. Hij zei tegen mij: 18‘Mensenkind, als je brood eet, moet je beven van angst. Als je water drinkt, moet je bang zijn en trillen.

19Vertel aan de mensen van je volk: ‘Dit zegt God, de Heer: Zo zal het ook gaan met de inwoners van Jeruzalem die achtergebleven zijn in Israël. Ook zij zullen bang zijn als ze brood eten. En ook zij zullen beven van angst als ze water drinken. De mensen zullen bang zijn omdat iedereen uit het land wordt weggejaagd. Dat komt doordat er zo veel geweld is in het land. 20Dan zullen de steden leeg achterblijven, en het land zal veranderen in een woestijn.’

Als die dingen gebeuren, zullen de mensen begrijpen dat ik de Heer ben.’

De Israëlieten geloven de profeten niet

Wat de profeten zeggen, zal gebeuren

21De Heer zei tegen mij: 22‘Mensenkind, in Israël gebruiken ze dit spreekwoord: ‘De dagen gaan voorbij, maar wat de profeten gezegd hebben, gebeurt niet.’ 23Maar jij moet tegen het volk zeggen: ‘Dit zegt God, de Heer: Ik zal ervoor zorgen dat dit spreekwoord niet meer gebruikt wordt. Want wat de profeten gezegd hebben, zal juist wel gebeuren! Al heel snel! 24Dan zullen ze in Israël begrijpen dat de profeten geen leugens verteld hebben. 25Want alles wat ik tegen de profeten zeg, zal zeker uitkomen. Het zal niet lang meer duren. Nog tijdens jullie leven zal ik de woorden van de profeten laten uitkomen, eigenwijs volk!’’

Wat Ezechiël zegt, zal snel gebeuren

26De Heer zei ook tegen mij: 27‘Mensenkind, de mensen van je volk zeggen: ‘De dingen die de profeet Ezechiël namens de Heer zegt, gebeuren pas later, over een lange tijd.’ 28Maar jij moet tegen die mensen zeggen: ‘Wat ik namens de Heer zeg, zal al heel snel gebeuren. De Heer zal er niet lang mee wachten.’’