Bijbel in Gewone Taal (BGT)
6

61Maar de Heer zei tegen Mozes: ‘Nu zul je zien wat ik met de farao ga doen. Ik zal hem dwingen om mijn volk te laten gaan. Hij zal de Israëlieten zelfs uit zijn land wegjagen.’

God zal de Israëlieten bevrijden

2God zei ook tegen Mozes: ‘Ik ben de Heer. 3Ik heb aan Abraham, Isaak en Jakob laten zien dat ik de machtige God ben. Maar ik heb hun niet gezegd dat mijn naam is ‘Ik ben er altijd’. 4Ik heb hun het land Kanaän beloofd, het land waar ze als vreemdelingen gewoond hebben. 5Nu denk ik weer aan die belofte. Want ik heb de Israëlieten gehoord. Ik hoorde ze klagen omdat ze als slaven moeten werken voor de Egyptenaren.

6Ik, de Heer, zal de Israëlieten bevrijden van het zware werk in Egypte. Ik zal hen bevrijden uit de slavernij. Ik zal laten zien hoe machtig ik ben. Ik zal de Israëlieten redden, maar de Egyptenaren zal ik streng straffen. 7De Israëlieten zullen mijn volk zijn, en ik zal hun God zijn. Dan zullen ze begrijpen dat ik, de Heer, hun God ben. En dat ik hen bevrijd heb van het zware werk in Egypte. 8Ik breng hen naar het land dat ik beloofd heb aan Abraham, Isaak en Jakob. Ik, de Heer, zal dat land aan hen geven. Ga dat tegen de Israëlieten zeggen.’

De Israëlieten luisteren niet

9Mozes vertelde aan de Israëlieten wat God gezegd had. Maar ze luisterden niet. Ze waren moe van het harde werken en ze hadden geen hoop meer.

10Toen zei de Heer tegen Mozes: 11‘Ga nu naar de farao, de koning van Egypte. Zeg tegen hem dat hij de Israëlieten moet laten gaan.’ 12Mozes zei: ‘De farao zal heus niet naar me luisteren. Want de Israëlieten willen al niet eens naar me luisteren. En ik ben ook helemaal geen goede spreker.’

De voorouders van Mozes en Aäron

13De Heer had gesproken tegen Mozes en Aäron. Hij gaf hun de opdracht om naar de Israëlieten en naar de farao te gaan. Zij moesten de Israëlieten uit Egypte weghalen.

14Mozes en Aäron stamden af van Levi, een zoon van Jakob.

Ruben, de oudste zoon van Jakob, had vier zonen: Chanoch, Pallu, Chesron en Karmi. De families die van Ruben afstamden, werden naar die zonen genoemd.

15Simeon had zes zonen: Jemuel, Jamin, Ohad, Jachin, Sochar en Saül, de zoon van een Kanaänitische vrouw. De families die van Simeon afstamden, werden naar die zonen genoemd.

16Nu volgen de nakomelingen van Levi, van wie Mozes en Aäron afstamden. Levi werd 137 jaar. Hij had drie zonen: Gerson, Kehat en Merari. 17Gerson had twee zonen: Libni en Simi. De families die van die zonen afstamden, werden naar hen genoemd. 18Kehat werd 133 jaar. Hij had vier zonen: Amram, Jishar, Chebron en Uzziël. 19Merari had twee zonen: Machli en Musi. Die mensen stamden allemaal van Levi af.

20Amram, de zoon van Kehat, trouwde met zijn tante Jochebed. Ze kregen twee zonen: Aäron en Mozes. Amram werd 137 jaar. 21-24Jishar, ook een zoon van Kehat, had drie zonen: Korach, Nefeg en Zichri. Korach had drie zonen: Assir, Elkana en Abiasaf. De families die van Korach afstamden, werden naar die zonen genoemd. Uzziël, de derde zoon van Kehat, had ook drie zonen: Misaël, Elsafan en Sitri.

Aäron trouwde met Eliseba, die een dochter was van Amminadab en een zus van Nachson. Hun zonen heetten: Nadab, Abihu, Eleazar en Itamar. 25Eleazar trouwde met een dochter van Putiël. Hun zoon heette Pinechas.

Al deze families stamden af van Levi.

26De Heer sprak tegen Mozes en Aäron, die dus ook van Levi afstamden. Zij moesten alle stammen van Israël uit Egypte weghalen. 27Deze Mozes en Aäron vroegen aan de farao of de Israëlieten uit Egypte mochten vertrekken.

De opdracht aan Mozes en Aäron

28-29De Heer zei in Egypte tegen Mozes: ‘Ik ben de Heer. Alles wat ik tegen je zeg, moet je aan de farao vertellen.’ 30Mozes zei: ‘De farao zal niet naar me luisteren. Want ik ben een slechte spreker.’

7

71Maar de Heer zei: ‘Aäron zal namens jou spreken, en jij hebt de leiding. 2Jij moet Aäron alles vertellen wat ik tegen je gezegd heb. Dan moet hij tegen de farao spreken. Hij moet zeggen dat de farao de Israëlieten moet laten vertrekken uit zijn land.

3Maar ik zal ervoor zorgen dat de farao niet toegeeft en blijft weigeren. Ik zal in Egypte veel wonderen doen. 4En toch zal de farao niet luisteren. Dan zal ik de Egyptenaren mijn macht laten voelen en hen streng straffen. Daarna zal ik alle stammen van Israël uit Egypte weghalen. 5En dan zullen de Egyptenaren begrijpen dat ik de Heer ben.’

6Mozes en Aäron deden alles wat de Heer gezegd had. 7Toen ze naar de farao gingen, was Mozes tachtig jaar oud en Aäron 83 jaar.

Mozes en Aäron gaan naar de farao

8De Heer zei tegen Mozes: 9‘Als de farao om een wonder vraagt, moet Aäron zijn stok voor de farao op de grond gooien. Die stok zal dan veranderen in een slang.’

10Mozes en Aäron gingen naar de farao. Ze deden alles wat de Heer gezegd had. Aäron gooide zijn stok neer voor de farao en zijn dienaren. En de stok veranderde in een slang.

11Toen liet de farao de wijze mannen en tovenaars van Egypte komen. En zij konden hetzelfde. 12Ze gooiden hun stok op de grond, en elke stok veranderde in een slang. Maar de slang van Aäron at alle andere slangen op.

13Toch hield de farao vol. Hij luisterde niet naar Mozes en Aäron. Dat had de Heer al gezegd.

De eerste straf

God zegt dat hij Egypte zal straffen

14De Heer zei tegen Mozes: ‘De farao wil niet toegeven. Hij weigert om het volk te laten gaan. 15Ga morgen naar hem toe, als hij naar de rivier de Nijl gaat. Wacht op hem aan de waterkant. Je moet de stok die in een slang veranderde, meenemen. 16Zeg tegen de farao: ‘De Heer, de God van de Israëlieten, heeft mij gestuurd. Hij vraagt u om zijn volk te laten vertrekken. Dan kunnen ze hem in de woestijn vereren. Maar tot nu toe hebt u niet willen luisteren.

17Daarom zal de Heer u laten zien wie hij is. Ik zal met deze stok op het water van de Nijl slaan. Dan zal het water veranderen in bloed. 18Alle vissen in de Nijl zullen sterven. De rivier zal stinken, en de Egyptenaren zullen geen water meer uit de rivier kunnen drinken.’

19Zeg tegen Aäron dat hij zijn stok boven alle rivieren, kanalen en meren van Egypte moet houden. Overal zal het water veranderen in bloed, zelfs in waterbakken en bekers bij de mensen thuis.’

Water verandert in bloed

20Mozes en Aäron deden alles wat de Heer gezegd had. Aäron sloeg met zijn stok op het water van de Nijl, en het water veranderde in bloed. De farao en zijn dienaren zagen wat er gebeurde. 21Toen gingen alle vissen in de Nijl dood. De rivier ging stinken, en de Egyptenaren konden geen water meer drinken uit de rivier.

22Maar de Egyptische tovenaars konden precies hetzelfde doen. Daarom hield de farao vol, hij luisterde niet naar Mozes en Aäron. Dat had de Heer al gezegd. 23De farao draaide zich om en ging naar huis. Hij veranderde niet van gedachten, ook niet door dit wonder.

24De mensen in Egypte gingen in de buurt van de Nijl waterputten graven. Want het water van de Nijl was niet te drinken. 25Die ramp duurde zeven dagen.

De tweede straf

Er komen kikkers uit de rivier

26De Heer zei tegen Mozes: ‘Ga naar de farao en zeg tegen hem: ‘De Heer wil dat u zijn volk laat gaan. Dan kunnen ze hem gaan vereren. 27Als u weigert, zal hij het hele land straffen met een kikkerplaag. 28De rivier de Nijl zal vol zitten met kikkers. Maar ze zullen ook uit de rivier komen en het paleis in gaan. Ze zullen in uw slaapkamer zitten en in uw bed, in de huizen van uw dienaren en van uw hele volk. Overal, zelfs in ovens en pannen, zullen kikkers zitten. 29Ze zullen boven op u springen, en op uw dienaren en uw volk.’

8

81Zeg daarna tegen Aäron dat hij zijn stok boven de rivieren, kanalen en meren moet houden. Dan zullen er overal in Egypte kikkers tevoorschijn komen.’

2Aäron hield zijn stok boven het water van Egypte, en toen kwamen er kikkers tevoorschijn. Het hele land was bedekt met kikkers.

3Maar de Egyptische tovenaars konden precies hetzelfde doen. Zij lieten ook kikkers tevoorschijn komen in het hele land.

De farao luistert niet

4Toen liet de farao Mozes en Aäron komen. Hij zei: ‘Vraag alsjeblieft aan de Heer of hij de kikkers laat verdwijnen. Dan zal ik zijn volk laten gaan. Ze mogen offers gaan brengen aan de Heer.’ 5Mozes zei: ‘Ik zal bidden voor u, en voor uw dienaren en uw volk. Dan zullen de kikkers verdwijnen uit de huizen. Er blijven alleen nog kikkers over in de Nijl. Zegt u maar wanneer ik tot de Heer moet bidden.’

6De farao antwoordde: ‘Morgen.’ Mozes zei: ‘Dat is goed. Morgen zult u begrijpen dat niemand zo machtig is als de Heer, onze God. 7Want morgen zullen alle kikkers verdwijnen uit uw paleis en uit alle huizen. Dan zullen er alleen nog kikkers in de Nijl zijn.’

8Mozes en Aäron gingen bij de farao vandaan. Mozes vroeg de Heer om de kikkers weg te halen uit het land. 9De Heer deed wat Mozes vroeg. Overal gingen de kikkers dood, in de huizen, op straat en op het land. 10De mensen raapten ze op en gooiden ze op een hoop. Het hele land stonk van de dode kikkers.

11Toen de farao zag dat de ramp voorbij was, weigerde hij weer om naar Mozes en Aäron te luisteren. Precies zoals de Heer gezegd had.

De derde straf

Er komen muggen

12De Heer zei tegen Mozes: ‘Zeg tegen Aäron dat hij met zijn stok op de grond moet slaan. Dan zal in heel Egypte het stof veranderen in muggen.’

13En dat gebeurde. Aäron sloeg met zijn stok op de grond en meteen zaten er muggen op de mensen en de dieren. Overal in Egypte veranderde het stof in muggen. 14De tovenaars probeerden hetzelfde te doen. Maar dat lukte niet. Alle mensen en dieren zaten intussen onder de muggen. 15De tovenaars zeiden tegen de farao: ‘Dit moet wel het werk van een god zijn!’

Maar de farao hield vol, hij weigerde om naar Mozes en Aäron te luisteren. Dat had de Heer al gezegd.

De vierde straf

Er komen steekvliegen

16De Heer zei tegen Mozes: ‘Ga morgenochtend vroeg naar de farao, als hij naar de rivier gaat. Zeg tegen hem: ‘De Heer wil dat u zijn volk laat gaan. Dan kunnen ze hem gaan vereren. 17Als u ze niet laat gaan, zal hij steekvliegen op u afsturen, en op uw dienaren en uw volk. Alle huizen in Egypte zullen vol zitten met steekvliegen, en de grond zal ermee bedekt zijn. 18-19Maar in Gosen, waar de Israëlieten wonen, zullen geen steekvliegen zijn. Want de Heer maakt verschil tussen uw volk en zijn eigen volk. Daardoor zult u begrijpen dat de Heer in uw land is. Morgen zal dat gebeuren.’’

20De Heer deed wat hij gezegd had. Er kwamen heel veel steekvliegen. Ze zaten in het paleis van de farao en in de huizen van zijn dienaren. De steekvliegen waren een ramp voor het hele land.

De farao luistert niet

21Toen liet de farao Mozes en Aäron komen. Hij zei: ‘Goed, jullie mogen offers gaan brengen aan je God. Maar dat moet hier in het land gebeuren.’

22‘Dat kan niet,’ zei Mozes. ‘Want de Egyptenaren vinden het afschuwelijk dat wij dieren offeren aan de Heer, onze God. Ze zullen ons doden als we dat doen. 23Nee, u moet ons de woestijn in laten gaan, zo ver als we in drie dagen kunnen komen. Dan kunnen we daar offers brengen aan de Heer, onze God. Dat wil hij van ons.’

24Toen zei de farao: ‘Goed, ik laat jullie gaan. Maar jullie mogen niet te ver gaan. En bid voor mij!’ 25Mozes zei: ‘Zodra ik hier weg ben, zal ik bidden tot de Heer. Morgen zullen de vliegen verdwijnen, bij u, bij uw dienaren en bij uw hele volk. Maar u moet ons niet weer bedriegen. U moet ons volk niet weer tegenhouden.’

26Mozes ging bij de farao vandaan en hij bad tot de Heer. 27De Heer deed wat Mozes vroeg. Hij liet de vliegen verdwijnen bij de farao, bij zijn dienaren en bij alle Egyptenaren. Er bleef nergens meer een vlieg over. 28Maar de farao wilde ook deze keer niet toegeven. Hij weigerde om het volk te laten gaan.