Bijbel in Gewone Taal (BGT)
8

Israël mag God niet vergeten

De lange reis door de woestijn

81Mozes zei verder tegen de Israëlieten: ‘Houd je precies aan alle regels die ik jullie vandaag geef. Dan zullen jullie lang leven en een groot volk worden. En jullie zullen het land in bezit nemen dat de Heer plechtig aan jullie voorouders beloofd heeft.

2Denk eens terug aan de reis door de woestijn! De Heer, jullie God, heeft jullie daar veertig jaar doorheen geleid. Zo wilde hij te weten komen of jullie hem echt vertrouwden. Hij wilde weten of jullie echt van hem hielden, en of jullie hem echt zouden gehoorzamen. Hij wilde laten zien dat hij een machtige God is. 3En dat heeft hij ook laten zien! Hij liet jullie honger lijden in de woestijn. Toen gaf hij jullie manna te eten, voedsel dat jullie niet kenden. Zo wilde hij jullie leren dat een mens niet alleen leeft van brood, maar ook van de woorden die de Heer spreekt.

4Veertig jaar duurde die reis door de woestijn! En toch raakten jullie kleren niet versleten, en werden jullie voeten niet dik van het lopen.

5Laat dit goed tot je doordringen: de Heer wil jullie leren hoe je goed moet leven. Net zoals een vader dat leert aan zijn kinderen. 6Houd je daarom aan zijn regels. Leef zoals hij het wil en heb eerbied voor hem.

Het volk krijgt een mooi land

7De Heer, jullie God, brengt jullie straks naar een mooi land. Een land vol meren, bronnen en stromende rivieren. 8Het is een land waar veel koren groeit. Een land waar wijngaarden zijn, en bomen met veel vruchten. Een land vol olijven en honing. 9Je hoeft er geen honger te lijden, en in de bergen is veel ijzer en koper te vinden. Dat land heeft alles wat jullie nodig hebben.

Vergeet God nooit

10Jullie zullen daar meer dan genoeg te eten hebben. Je moet de Heer, je God, daarvoor danken. Dank hem voor dat prachtige land dat hij jullie gegeven heeft.

11-14In dat land zullen jullie rijk zijn. Je zult er meer dan genoeg te eten hebben. Je zult er mooie huizen bouwen om in te wonen. Je zult steeds meer koeien, schapen en geiten hebben, en steeds meer goud en zilver.

Maar pas op! Vergeet de Heer, je God, dan niet. Als jullie zo rijk zijn, denk dan niet dat je de Heer niet meer nodig hebt! Vergeet dan niet om je te houden aan zijn wetten en regels, de regels die ik jullie vandaag geef.

Onthoud dat God je bevrijd heeft

Vergeet de Heer, jullie God, niet! Want hij heeft jullie uit de slavernij in Egypte bevrijd. 15Hij heeft jullie geleid door die grote, verschrikkelijke woestijn, vol slangen en schorpioenen. Hij heeft jullie meegenomen door dat droge land zonder water. Hij liet toen water stromen uit een harde rots. 16En hij gaf jullie manna te eten, voedsel dat jullie niet kenden.

Hij deed dat om zijn macht te laten zien. En omdat hij wilde weten of jullie hem wel vertrouwden. Zo kon hij jullie rijk en gelukkig maken.

17Denk straks niet: Wij hebben er helemaal zelf voor gezorgd dat we nu zo rijk zijn! 18Nee, het is de Heer, jullie God, die jullie zo rijk gemaakt heeft. Onthoud dat goed! Hij wilde doen wat hij plechtig beloofd had aan jullie voorouders.

Mozes waarschuwt het volk

19Ik waarschuw jullie: Vergeet de Heer, je God, niet! Als jullie dat toch doen, en andere goden gaan vereren, dan zullen jullie sterven. 20Dan zal het met jullie net zo aflopen als met jullie vijanden, die de Heer gedood heeft. Ook jullie zullen dan gedood worden, omdat jullie niet naar de Heer geluisterd hebben.’

9

Israël heeft zich verzet

Israël zal de andere volken verslaan

91Mozes zei verder: ‘Volk van Israël, luister goed! Jullie zullen binnenkort de Jordaan oversteken. En dan gaan jullie het land binnen waar nu nog andere volken wonen. Die volken zijn groter en sterker dan jullie. Ze hebben grote steden, die versterkt zijn met hoge muren. 2Maar jullie zullen zelfs de Enakieten verslaan! Niemand kan die grote, sterke mensen verslaan, behalve jullie. 3Want de Heer, jullie God, zal jullie helpen. Laat dat goed tot je doordringen.

Hij zal voor jullie uit gaan als een vuur dat alles verwoest. Hij zal die volken dwingen om zich over te geven. Dan kunnen jullie ze allemaal vernietigen. En dan kunnen jullie hun land in bezit nemen, zoals de Heer beloofd heeft.

Israël verdient het land niet

4-5Als de Heer die volken verjaagt, denk dan niet: De Heer heeft ons dit land gegeven omdat wij dat verdiend hebben.

De Heer brengt jullie wel naar dat land, maar niet omdat jullie zo goed zijn. Nee, hij verjaagt de andere volken omdat zij zo slecht zijn! En omdat hij dat land plechtig beloofd heeft aan jullie voorouders Abraham, Isaak en Jakob.

6Jullie krijgen dat prachtige land nu, maar niet omdat jullie het verdiend hebben. Beslist niet! Want jullie zijn een ongehoorzaam volk.

De stenen platen

7Vergeet niet dat jullie altijd ongehoorzaam waren aan de Heer, jullie God! Vanaf het moment dat jullie weggingen uit Egypte tot nu, op deze plek. De hele reis door de woestijn hebben jullie de Heer steeds weer kwaad gemaakt. 8Vooral bij de berg Horeb! De Heer was toen zo kwaad, dat hij jullie wilde doden.

Jullie weten wat er toen gebeurd is. 9Ik ben de berg op gegaan om de twee stenen platen te ontvangen. Dat zijn de platen waarop staat wat de Heer met jullie afgesproken heeft. Veertig dagen en veertig nachten bleef ik op de berg, zonder iets te eten of te drinken.

10Daarna gaf de Heer mij de stenen platen, waarop hij zelf zijn wetten en regels geschreven had. Dat waren dezelfde wetten die hij daarvoor al aan ons bekendgemaakt had, bij diezelfde berg. De Heer sprak toen tegen ons vanuit het vuur.

Het stierenbeeld

11Toen de Heer mij de stenen platen gaf, zei hij: 12‘Mozes, je moet snel weer naar beneden gaan. Want dat volk dat jij uit Egypte weggehaald hebt, gedraagt zich slecht. Ze doen nu al niet meer wat ik gezegd heb. Ze hebben een godenbeeld gemaakt. 13Ik ken dit volk, Mozes! Ik weet hoe ongehoorzaam ze zijn. 14Ik zal hen allemaal doden. Probeer me niet tegen te houden. Niemand zal later nog aan hen terugdenken. Maar van jou, Mozes, zal ik een volk laten afstammen dat groter en sterker is dan dit volk.’

15Toen ik de berg af ging, stond de top van de berg in brand. Ik ging naar beneden met de stenen platen in mijn handen. 16Toen zag ik wat jullie gedaan hadden! Jullie hadden een beeld gemaakt van een stier. Jullie hadden je wel heel snel tegen de Heer verzet!

Mozes gooit de stenen platen kapot

17Ik heb toen de twee stenen platen kapotgegooid. Dat hebben jullie zelf gezien. 18En omdat jullie zo slecht geweest waren, liet ik me op de grond vallen om tot de Heer te bidden. Ik bleef zo liggen, veertig dagen en nachten, zonder iets te eten of te drinken. Dat deed ik omdat jullie de Heer woedend gemaakt hadden.

19Ik was bang dat de Heer jullie daarom allemaal zou doden. Maar toch heeft hij weer naar mijn gebed geluisterd. 20Hij was ook kwaad op Aäron, zo kwaad dat hij hem wilde doden. Daarom heb ik ook voor Aäron gebeden.

21Het was slecht van jullie om zo’n stierenbeeld te maken! Dat vreselijke beeld heb ik verbrand. Ik heb het helemaal vernietigd. En het stof dat overbleef, heb ik in de rivier gegooid.

22Niet alleen toen, bij de berg Horeb, hebben jullie je verzet. Ook later hebben jullie je steeds weer tegen de Heer verzet: in Tabera, in Massa en in Kibrot-Hattaäwa. 23En ook in Kades-Barnea, toen de Heer jullie opdracht gaf om het beloofde land in bezit te nemen. Jullie deden steeds niet wat hij zei. Jullie vertrouwden hem niet, jullie gehoorzaamden hem niet. 24Zolang ik jullie ken, hebben jullie je tegen de Heer verzet!

Mozes bidt tot God

25Ik heb al verteld dat ik veertig dagen en nachten op de grond bleef liggen om tot de Heer te bidden. Hij had namelijk gezegd dat hij jullie wilde doden. 26Ik bad tot de Heer: ‘Heer, mijn God, dood uw volk niet! Het is uw eigen volk. U hebt hen zelf door uw grote macht gered, u hebt hen bevrijd uit Egypte. 27Denk toch aan uw dienaren Abraham, Isaak en Jakob. Blijf niet te lang boos op dit volk! Ook al zijn ze steeds ongehoorzaam en verzetten ze zich tegen u.

28Als u uw volk doodt, dan zullen de Egyptenaren zeggen: ‘De Heer was helemaal niet sterk genoeg om zijn volk naar het beloofde land te brengen! Hij had vast een hekel aan die Israëlieten. Daarom heeft hij ze uit Egypte weggehaald: om ze te laten sterven in de woestijn!’

29Luister, Heer! Het is toch uw volk? U hebt hen toch bevrijd door uw grote macht?’

10

Twee nieuwe stenen platen

101Toen zei de Heer tegen mij: ‘Mozes, hak twee stenen platen uit een rots. Ze moeten hetzelfde zijn als de stenen platen die je kapotgegooid hebt. Je moet ook een kist maken. Daarna moet je naar mij toe komen, op de berg. 2Dan zal ik mijn regels op die stenen platen schrijven, dezelfde regels die op de platen stonden die jij kapotgegooid hebt. Die nieuwe platen moet je in de kist leggen.’

3Ik heb toen een kist gemaakt van hout, en ik heb twee stenen platen uit een rots gehakt. Daarna ben ik met de platen de berg op geklommen. 4Toen heeft de Heer daarop hetzelfde geschreven als op de vorige stenen platen: zijn tien belangrijkste regels. Dat zijn de regels die hij aan jullie bekendgemaakt heeft vanuit het vuur op de berg.

De Heer heeft mij toen de stenen platen gegeven, 5en ik ben de berg af gegaan, naar beneden. Daarna heb ik de platen in de kist gelegd. En daar liggen ze nog steeds, in de kist die ik in opdracht van de Heer gemaakt heb.

De Israëlieten reizen verder

6Toen zijn jullie van de waterbronnen bij Bene-Jaäkan verder gereisd naar de plaats Mosera. Daar is Aäron gestorven en begraven. Zijn zoon Eleazar volgde hem op als priester. 7Vanuit Mosera zijn jullie verder gereisd naar Gudgod. En daarvandaan weer naar Jotbata, waar veel water is.

8In die tijd heeft de Heer aan de Levieten bijzondere taken gegeven: zij moesten de heilige kist dragen, en ze mochten als priester voor de Heer werken. Ook mochten zij namens de Heer de zegen uitspreken over het volk.

Die taken hebben ze nog steeds. 9Ze mogen als priester in de heilige tent werken, zoals de Heer hun beloofd heeft. En daarom bezitten ze geen eigen grond.

10Zoals ik verteld heb, ben ik veertig dagen en nachten op de berg geweest. En ook toen luisterde de Heer naar mij. Hij besloot om jullie niet te doden. 11Hij zei: ‘Reis nu maar verder met het volk en ga zelf voorop. Dan kunnen ze het land binnengaan dat ik aan hun voorouders beloofd heb. En dan kunnen ze dat land in bezit nemen.’’

Houd je aan Gods regels

Heb eerbied voor de Heer

12Mozes zei verder tegen de Israëlieten: ‘Heb eerbied voor de Heer, jullie God. Dat is wat hij van jullie vraagt. Leef zoals hij het jullie leert. Dien hem, en heb hem lief met je hele hart en je hele ziel. 13Vandaag geef ik jullie zijn wetten en regels. Als jullie je daaraan houden, zal het goed met jullie gaan.

14De Heer is machtig. Hij heerst over de hoogste hemel, over de aarde en over alles wat op de aarde leeft. 15En toch heeft hij juist jullie uitgekozen als zijn volk. Zo veel hield hij van jullie voorouders! 16Wees daarom niet langer ongehoorzaam, maar open je hart voor God.

De Heer is de hoogste God

17De Heer, jullie God, is de hoogste God en Heer. Hij is groot en machtig. Iedereen moet eerbied voor hem hebben. Hij is rechtvaardig, hij behandelt alle mensen gelijk. 18Hij steunt weduwen, en kinderen zonder vader. Hij beschermt vreemdelingen en geeft ze eten en kleren. 19Ook jullie moeten goed zijn voor vreemdelingen, want jullie zijn zelf vreemdelingen geweest in Egypte. 20En jullie moeten eerbied hebben voor de Heer. Vereer alleen hem, wees hem trouw. En als je iets plechtig belooft, noem dan alleen de naam van de Heer.

21Dank de Heer, jullie God! Hij doet geweldige dingen. Jullie hebben met eigen ogen gezien wat voor grote wonderen hij deed! 22Toen jullie voorouders naar Egypte gingen, waren ze met zeventig mensen. En nu zijn jullie met net zo veel mensen als er sterren aan de hemel zijn!