Bijbel in Gewone Taal (BGT)
7

Israël zal de andere volken verslaan

71Mozes zei verder tegen de Israëlieten: ‘Straks zal de Heer, jullie God, jullie naar het land brengen dat jullie in bezit krijgen. Hij zal de zeven volken die daar wonen, voor jullie wegjagen. Dat zijn de Hethieten, de Girgasieten, de Amorieten, de Kanaänieten, de Perizzieten, de Chiwwieten en de Jebusieten.

Die volken zijn groter en sterker dan jullie. 2Maar de Heer zal ervoor zorgen dat jullie hen verslaan. En dan mogen jullie geen vrede met hen sluiten, maar dan moeten jullie hen allemaal doden! Jullie mogen geen medelijden met hen hebben.

3Er mogen geen huwelijken zijn tussen jullie en die volken: jullie dochters mogen niet trouwen met hun zonen, en jullie zonen mogen niet trouwen met hun dochters. 4Want anders zullen jullie mij ontrouw worden. En dan zullen jullie de goden van die volken gaan vereren. Dan zal de Heer kwaad worden en jullie onmiddellijk doden.

5Daarom moeten jullie de altaren van die volken afbreken, en hun heilige stenen kapotslaan. Jullie moeten de heilige palen van de godin Asjera omhakken, en alle godenbeelden verbranden.

De Heer houdt van zijn volk

6Jullie zijn een heilig volk, het volk van de Heer. Hij heeft jullie uitgekozen. Jullie zijn bijzonder voor hem, meer dan de andere volken op aarde. Jullie zijn voor hem een kostbaar bezit. 7Hij heeft jullie uitgekozen en hij houdt van jullie. En niet omdat jullie groter zijn dan die andere volken. Nee, want jullie zijn het kleinste volk van allemaal!

8De Heer heeft jullie laten zien hoe machtig hij is. Hij heeft jullie bevrijd uit de slavernij, hij heeft jullie bevrijd uit de macht van de farao in Egypte! Dat deed hij omdat hij dat plechtig beloofd had aan jullie voorouders. En omdat hij van jullie houdt.

Alleen de Heer is God

9Onthoud dit goed: Alleen de Heer is jullie God. Hij is betrouwbaar. Hij houdt zich aan zijn beloftes. Hij is goed voor mensen die van hem houden en die zich aan zijn regels houden. En hij zal ook goed zijn voor hun nakomelingen, zelfs voor de duizendste generatie. 10Maar als iemand ontrouw is aan de Heer, zal hij gestraft worden. Hij wordt meteen gedood.

11Jullie moeten je daarom precies houden aan de wetten en regels die ik jullie vandaag geef.

De Heer zal je rijk en gelukkig maken

12Jullie moeten je steeds houden aan de regels van de Heer, jullie God. Dan zal hij doen wat hij beloofd heeft aan jullie voorouders. 13Hij zal van jullie houden, en hij zal jullie rijk en gelukkig maken. Jullie zullen veel kinderen krijgen, en jullie grond zal vruchtbaar zijn. Er zal veel graan, wijn en olijfolie zijn. Jullie koeien, schapen en geiten zullen veel jongen krijgen.

14Jullie zullen rijker zijn dan de andere volken. Niemand zal onvruchtbaar zijn, mannen niet en vrouwen niet. En ook jullie dieren zullen niet onvruchtbaar zijn. 15De Heer zal ervoor zorgen dat jullie niet ziek worden zoals in Egypte. Hij zal die ziektes alleen nog naar jullie vijanden sturen!

Wees niet bang voor de andere volken

16Straks komen jullie in het land dat de Heer aan jullie beloofd heeft. Daar moeten jullie de andere volken doden. Jullie mogen geen medelijden met hen hebben. En je mag hun goden niet vereren. Anders zal het slecht met jullie aflopen.

17Jullie denken misschien: Die volken zijn veel sterker dan wij, die kunnen we niet verslaan. 18Maar wees niet bang voor hen. Denk maar terug aan de tijd dat jullie in Egypte waren. Denk aan de rampen die de Heer naar de farao en de Egyptenaren stuurde. 19Denk aan de geweldige wonderen die jullie met je eigen ogen gezien hebben. Jullie hebben gezien hoe de Heer jullie bevrijd heeft. Hij heeft jullie zijn macht laten zien!

Die macht zal de Heer ook gebruiken tegen de volken waar jullie zo bang voor zijn. 20Hij zal zorgen dat ze in paniek raken. Ook de mensen die ontsnappen en zich verstoppen, zullen uiteindelijk gedood worden.

De Heer zal de andere volken verjagen

21Jullie hoeven niet bang te zijn voor die andere volken. Want de Heer, jullie God, is een machtige God. Hij helpt jullie.

22Hij zal die volken niet in één keer verjagen. En jullie moeten ze ook niet allemaal tegelijk doden. Anders woont er straks niemand meer in het land, en lopen er alleen nog wilde dieren rond.

23-24De Heer zal ervoor zorgen dat jullie die volken verslaan. Hij zal hun koningen aan jullie uitleveren. Hij zal ervoor zorgen dat die volken in paniek raken, zodat jullie hen kunnen doden. Van die volken zal niets overblijven. Alles wordt vernietigd en iedereen wordt gedood.

Vereer geen andere goden

25Jullie moeten de godenbeelden van die volken in het vuur gooien. En jullie mogen het goud en zilver dat er dan overblijft, niet voor jezelf houden. Anders loopt het slecht met jullie af. Want de Heer vindt die godenbeelden afschuwelijk.

26Jullie moeten die beelden zelf ook afschuwelijk vinden. Zet ze dus niet in je huis neer. Wie dat wel doet, wordt gedood!’

8

Israël mag God niet vergeten

De lange reis door de woestijn

81Mozes zei verder tegen de Israëlieten: ‘Houd je precies aan alle regels die ik jullie vandaag geef. Dan zullen jullie lang leven en een groot volk worden. En jullie zullen het land in bezit nemen dat de Heer plechtig aan jullie voorouders beloofd heeft.

2Denk eens terug aan de reis door de woestijn! De Heer, jullie God, heeft jullie daar veertig jaar doorheen geleid. Zo wilde hij te weten komen of jullie hem echt vertrouwden. Hij wilde weten of jullie echt van hem hielden, en of jullie hem echt zouden gehoorzamen. Hij wilde laten zien dat hij een machtige God is. 3En dat heeft hij ook laten zien! Hij liet jullie honger lijden in de woestijn. Toen gaf hij jullie manna te eten, voedsel dat jullie niet kenden. Zo wilde hij jullie leren dat een mens niet alleen leeft van brood, maar ook van de woorden die de Heer spreekt.

4Veertig jaar duurde die reis door de woestijn! En toch raakten jullie kleren niet versleten, en werden jullie voeten niet dik van het lopen.

5Laat dit goed tot je doordringen: de Heer wil jullie leren hoe je goed moet leven. Net zoals een vader dat leert aan zijn kinderen. 6Houd je daarom aan zijn regels. Leef zoals hij het wil en heb eerbied voor hem.

Het volk krijgt een mooi land

7De Heer, jullie God, brengt jullie straks naar een mooi land. Een land vol meren, bronnen en stromende rivieren. 8Het is een land waar veel koren groeit. Een land waar wijngaarden zijn, en bomen met veel vruchten. Een land vol olijven en honing. 9Je hoeft er geen honger te lijden, en in de bergen is veel ijzer en koper te vinden. Dat land heeft alles wat jullie nodig hebben.

Vergeet God nooit

10Jullie zullen daar meer dan genoeg te eten hebben. Je moet de Heer, je God, daarvoor danken. Dank hem voor dat prachtige land dat hij jullie gegeven heeft.

11-14In dat land zullen jullie rijk zijn. Je zult er meer dan genoeg te eten hebben. Je zult er mooie huizen bouwen om in te wonen. Je zult steeds meer koeien, schapen en geiten hebben, en steeds meer goud en zilver.

Maar pas op! Vergeet de Heer, je God, dan niet. Als jullie zo rijk zijn, denk dan niet dat je de Heer niet meer nodig hebt! Vergeet dan niet om je te houden aan zijn wetten en regels, de regels die ik jullie vandaag geef.

Onthoud dat God je bevrijd heeft

Vergeet de Heer, jullie God, niet! Want hij heeft jullie uit de slavernij in Egypte bevrijd. 15Hij heeft jullie geleid door die grote, verschrikkelijke woestijn, vol slangen en schorpioenen. Hij heeft jullie meegenomen door dat droge land zonder water. Hij liet toen water stromen uit een harde rots. 16En hij gaf jullie manna te eten, voedsel dat jullie niet kenden.

Hij deed dat om zijn macht te laten zien. En omdat hij wilde weten of jullie hem wel vertrouwden. Zo kon hij jullie rijk en gelukkig maken.

17Denk straks niet: Wij hebben er helemaal zelf voor gezorgd dat we nu zo rijk zijn! 18Nee, het is de Heer, jullie God, die jullie zo rijk gemaakt heeft. Onthoud dat goed! Hij wilde doen wat hij plechtig beloofd had aan jullie voorouders.

Mozes waarschuwt het volk

19Ik waarschuw jullie: Vergeet de Heer, je God, niet! Als jullie dat toch doen, en andere goden gaan vereren, dan zullen jullie sterven. 20Dan zal het met jullie net zo aflopen als met jullie vijanden, die de Heer gedood heeft. Ook jullie zullen dan gedood worden, omdat jullie niet naar de Heer geluisterd hebben.’

9

Israël heeft zich verzet

Israël zal de andere volken verslaan

91Mozes zei verder: ‘Volk van Israël, luister goed! Jullie zullen binnenkort de Jordaan oversteken. En dan gaan jullie het land binnen waar nu nog andere volken wonen. Die volken zijn groter en sterker dan jullie. Ze hebben grote steden, die versterkt zijn met hoge muren. 2Maar jullie zullen zelfs de Enakieten verslaan! Niemand kan die grote, sterke mensen verslaan, behalve jullie. 3Want de Heer, jullie God, zal jullie helpen. Laat dat goed tot je doordringen.

Hij zal voor jullie uit gaan als een vuur dat alles verwoest. Hij zal die volken dwingen om zich over te geven. Dan kunnen jullie ze allemaal vernietigen. En dan kunnen jullie hun land in bezit nemen, zoals de Heer beloofd heeft.

Israël verdient het land niet

4-5Als de Heer die volken verjaagt, denk dan niet: De Heer heeft ons dit land gegeven omdat wij dat verdiend hebben.

De Heer brengt jullie wel naar dat land, maar niet omdat jullie zo goed zijn. Nee, hij verjaagt de andere volken omdat zij zo slecht zijn! En omdat hij dat land plechtig beloofd heeft aan jullie voorouders Abraham, Isaak en Jakob.

6Jullie krijgen dat prachtige land nu, maar niet omdat jullie het verdiend hebben. Beslist niet! Want jullie zijn een ongehoorzaam volk.

De stenen platen

7Vergeet niet dat jullie altijd ongehoorzaam waren aan de Heer, jullie God! Vanaf het moment dat jullie weggingen uit Egypte tot nu, op deze plek. De hele reis door de woestijn hebben jullie de Heer steeds weer kwaad gemaakt. 8Vooral bij de berg Horeb! De Heer was toen zo kwaad, dat hij jullie wilde doden.

Jullie weten wat er toen gebeurd is. 9Ik ben de berg op gegaan om de twee stenen platen te ontvangen. Dat zijn de platen waarop staat wat de Heer met jullie afgesproken heeft. Veertig dagen en veertig nachten bleef ik op de berg, zonder iets te eten of te drinken.

10Daarna gaf de Heer mij de stenen platen, waarop hij zelf zijn wetten en regels geschreven had. Dat waren dezelfde wetten die hij daarvoor al aan ons bekendgemaakt had, bij diezelfde berg. De Heer sprak toen tegen ons vanuit het vuur.

Het stierenbeeld

11Toen de Heer mij de stenen platen gaf, zei hij: 12‘Mozes, je moet snel weer naar beneden gaan. Want dat volk dat jij uit Egypte weggehaald hebt, gedraagt zich slecht. Ze doen nu al niet meer wat ik gezegd heb. Ze hebben een godenbeeld gemaakt. 13Ik ken dit volk, Mozes! Ik weet hoe ongehoorzaam ze zijn. 14Ik zal hen allemaal doden. Probeer me niet tegen te houden. Niemand zal later nog aan hen terugdenken. Maar van jou, Mozes, zal ik een volk laten afstammen dat groter en sterker is dan dit volk.’

15Toen ik de berg af ging, stond de top van de berg in brand. Ik ging naar beneden met de stenen platen in mijn handen. 16Toen zag ik wat jullie gedaan hadden! Jullie hadden een beeld gemaakt van een stier. Jullie hadden je wel heel snel tegen de Heer verzet!

Mozes gooit de stenen platen kapot

17Ik heb toen de twee stenen platen kapotgegooid. Dat hebben jullie zelf gezien. 18En omdat jullie zo slecht geweest waren, liet ik me op de grond vallen om tot de Heer te bidden. Ik bleef zo liggen, veertig dagen en nachten, zonder iets te eten of te drinken. Dat deed ik omdat jullie de Heer woedend gemaakt hadden.

19Ik was bang dat de Heer jullie daarom allemaal zou doden. Maar toch heeft hij weer naar mijn gebed geluisterd. 20Hij was ook kwaad op Aäron, zo kwaad dat hij hem wilde doden. Daarom heb ik ook voor Aäron gebeden.

21Het was slecht van jullie om zo’n stierenbeeld te maken! Dat vreselijke beeld heb ik verbrand. Ik heb het helemaal vernietigd. En het stof dat overbleef, heb ik in de rivier gegooid.

22Niet alleen toen, bij de berg Horeb, hebben jullie je verzet. Ook later hebben jullie je steeds weer tegen de Heer verzet: in Tabera, in Massa en in Kibrot-Hattaäwa. 23En ook in Kades-Barnea, toen de Heer jullie opdracht gaf om het beloofde land in bezit te nemen. Jullie deden steeds niet wat hij zei. Jullie vertrouwden hem niet, jullie gehoorzaamden hem niet. 24Zolang ik jullie ken, hebben jullie je tegen de Heer verzet!

Mozes bidt tot God

25Ik heb al verteld dat ik veertig dagen en nachten op de grond bleef liggen om tot de Heer te bidden. Hij had namelijk gezegd dat hij jullie wilde doden. 26Ik bad tot de Heer: ‘Heer, mijn God, dood uw volk niet! Het is uw eigen volk. U hebt hen zelf door uw grote macht gered, u hebt hen bevrijd uit Egypte. 27Denk toch aan uw dienaren Abraham, Isaak en Jakob. Blijf niet te lang boos op dit volk! Ook al zijn ze steeds ongehoorzaam en verzetten ze zich tegen u.

28Als u uw volk doodt, dan zullen de Egyptenaren zeggen: ‘De Heer was helemaal niet sterk genoeg om zijn volk naar het beloofde land te brengen! Hij had vast een hekel aan die Israëlieten. Daarom heeft hij ze uit Egypte weggehaald: om ze te laten sterven in de woestijn!’

29Luister, Heer! Het is toch uw volk? U hebt hen toch bevrijd door uw grote macht?’

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]