Bijbel in Gewone Taal (BGT)
30

Als het volk terugkomt bij de Heer

301Mozes zei verder: ‘Ik heb jullie verteld wat er gebeurt als de Heer jullie beloont. En ook wat er gebeurt als hij jullie straft. Dan zal hij jullie wegjagen en over de hele aarde verspreiden. En dan zullen jullie nadenken, 2en samen met je kinderen weer terugkomen bij de Heer, jullie God. Jullie zullen hem weer gehoorzamen, met je hele hart en je hele ziel. Dan zullen jullie doen wat ik jullie vandaag geleerd heb.

3Dan zal de Heer medelijden met jullie krijgen. Hij zal zorgen dat het weer goed met jullie gaat. Hij zal alle Israëlieten die over de aarde verspreid zijn, weer bij elkaar brengen. 4Hij zal jullie allemaal terughalen, ook de mensen die hij verjaagd had naar het einde van de aarde. 5Hij zal jullie terugbrengen naar het land dat lange tijd van jullie voorouders was. Jullie zullen dat land weer in bezit nemen. Het zal er goed met jullie gaan, en jullie zullen veel kinderen krijgen. Jullie zullen het nog beter hebben dan je voorouders.

6De Heer zal zorgen dat jullie hart zich voor hem opent. Dan zullen jullie echt van hem houden, met je hele hart en je hele ziel. Jullie zullen een gelukkig leven hebben. 7En de Heer zal jullie vijanden straffen in plaats van jullie.

8Maar dat zal hij alleen doen als jullie weer naar hem luisteren. En als jullie je houden aan al zijn regels, aan alle wetten die ik jullie vandaag geleerd heb. 9Dan zal de Heer jullie helpen bij alles wat je doet. Hij zal jullie veel kinderen geven. Hij zal het land vruchtbaar maken, en jullie zullen veel vee hebben.

Zo zal de Heer weer goed voor jullie zorgen. Want hij zal blij zijn met jullie, net zo blij als hij was met jullie voorouders. 10Maar alleen als jullie naar hem terugkeren, en hem weer dienen met hart en ziel. Luister dus goed naar hem. En houd je aan zijn wetten en regels, aan alles wat er in dit wetboek staat.

De regels zijn niet te moeilijk

11De regels die ik jullie vandaag geef, zijn niet te moeilijk voor jullie. Je hoeft niet ver weg te gaan om ze te vinden.

12Gods regels zijn niet te vinden in de hemel. Dus je hoeft niet te vragen: ‘Wie van ons klimt omhoog naar de hemel om ze daar te halen? Wie maakt Gods regels aan ons bekend, zodat we ze kunnen volgen?’

13Gods regels zijn ook niet te vinden aan de overkant van de zee. Dus je hoeft niet te vragen: ‘Wie steekt de zee over om ze daar te halen? Wie maakt Gods regels aan ons bekend, zodat we ze kunnen volgen?’

14Nee, Gods regels zijn heel dichtbij. Door zijn regels steeds te herhalen, bewaar je ze in je hart. En dan is het niet moeilijk om ze te volgen!

Kiezen tussen leven en dood

15Vandaag laat ik jullie kiezen. Je kunt kiezen tussen leven en dood, tussen goed en kwaad. 16Vandaag heb ik jullie de wetten en regels gegeven van de Heer, jullie God. Ik heb gezegd dat jullie je daaraan moeten houden. Jullie moeten doen wat de Heer vraagt. En jullie moeten hem liefhebben. Als jullie dat doen, dan kiezen jullie voor het leven. Dan zullen jullie een goed leven hebben, en veel kinderen krijgen. De Heer, je God, zal jullie rijk en gelukkig maken in het land dat jullie in bezit gaan nemen.

17Maar stel dat jullie je tegen de Heer verzetten en hem niet willen gehoorzamen. En stel dat jullie andere goden gaan vereren. 18Dan weet ik nu al zeker dat jullie moeten sterven. Dan zullen jullie maar kort leven in het land aan de overkant van de Jordaan.

19Ik laat jullie vandaag dus kiezen tussen leven en dood, tussen beloning en straf. De hemel en de aarde horen wat ik zeg: Kies voor het leven! Kies voor jullie toekomst, en voor de toekomst van je kinderen! 20Houd van de Heer, je God. Luister naar hem en blijf hem trouw. Dan zullen jullie lang leven in het land dat hij plechtig beloofd heeft aan jullie voorouders Abraham, Isaak en Jakob.’

31

De opvolging van Mozes

Mozes neemt afscheid

311Mozes ging verder met zijn toespraak. Hij zei tegen de Israëlieten: 2‘Ik ben nu 120 jaar oud. Ik kan jullie niet langer leiding geven. Bovendien heeft de Heer tegen mij gezegd dat ik de Jordaan niet mag oversteken.

3De Heer, jullie God, zal zelf voor jullie uit gaan. Hij brengt jullie naar de overkant van de Jordaan. De volken die daar wonen, zal hij doden. Dan kunnen jullie het land in bezit nemen. En Jozua zal jullie leider zijn, zoals de Heer gezegd heeft.

4De Heer zal de volken aan de overkant doden, en hun land verwoesten. Net zoals hij gedaan heeft met Sichon en Og, de koningen van de Amorieten. 5De Heer zal zorgen dat jullie die volken overwinnen. Jullie moeten al je vijanden doden.

6Wees sterk en dapper. Jullie hoeven echt niet bang voor hen te zijn. Want de Heer, jullie God, zal jullie helpen. Hij blijft steeds bij jullie, hij zal jullie niet in de steek laten.’

Mozes spreekt Jozua moed in

7Mozes riep Jozua bij zich. Alle Israëlieten waren erbij. Mozes zei tegen hem: ‘Jozua, wees sterk en dapper. Jij moet het volk naar het land brengen dat de Heer aan onze voorouders beloofd heeft. Onder jouw leiding zullen de Israëlieten het land in bezit nemen.

8De Heer zal zelf met je meegaan. Hij zal je helpen. Hij blijft steeds bij je, hij zal je niet in de steek laten. Je hoeft echt niet bang te zijn.’

Gods regels moeten voorgelezen worden

9Mozes schreef alle regels op die hij de Israëlieten geleerd had. Hij gaf ze aan de leiders van het volk en aan de priesters. De priesters uit de stam Levi hadden de taak om de heilige kist van de Heer te dragen.

10-11Mozes zei tegen hen: ‘Lees Gods regels om de zeven jaar voor, op het Loofhuttenfeest. Want het zevende jaar is een bijzonder jaar. Dan hoeven schulden niet te worden terugbetaald. Alle Israëlieten moeten naar de plaats komen die de Heer zal uitkiezen. Daar moeten ze hem vereren, en daar moeten ze het Loofhuttenfeest vieren.

12Roep dan iedereen bij elkaar, ook de vrouwen en kinderen, en de vreemdelingen die in jullie steden wonen. Alle Israëlieten moeten luisteren naar de wet van de Heer. Dan zullen ze leren om eerbied voor hem te hebben, en zich altijd aan zijn regels te houden. 13Ook de kinderen moeten luisteren, al begrijpen ze niet alles. Dan leren ook zij om eerbied te hebben voor de Heer, hun God.

Zo moet het voortaan altijd gebeuren. Blijf het zo doen, zolang jullie leven in het land aan de overkant van de Jordaan, het land dat jullie in bezit gaan nemen.’

Jozua komt naar de heilige tent

14De Heer zei tegen Mozes: ‘Jij zult niet lang meer leven. Haal Jozua, en kom samen met hem naar de heilige tent. Dan zal ik hem aanstellen als jouw opvolger.’

Toen Mozes en Jozua in de heilige tent stonden, 15kwam de Heer in een wolk naar hen toe. De wolk bleef boven de ingang van de tent hangen.

Het volk zal ontrouw worden

16De Heer zei tegen Mozes: ‘Als jij gestorven bent, zullen de Israëlieten mij ontrouw worden. Ze zullen de goden gaan vereren van het land waar ze naartoe gaan. Ze zullen mij in de steek laten. En ze zullen zich niet houden aan de afspraken die ik met hen gemaakt heb.

17Ik zal woedend worden. Ik zal ze in de steek laten, en ik zal ze niet langer helpen. Dan zal het slecht met hen aflopen. Ze zullen veel ellende en rampen meemaken. En ze zullen zeggen: ‘Deze rampen treffen ons vast omdat onze God ons niet langer beschermt.’

18Inderdaad, dan help ik hen niet meer! Ik zal hen in de steek laten, want ze zullen veel kwaad doen, en ze zullen andere goden gaan vereren.

Mozes moet een lied opschrijven

19-20Ja, zo zal het gaan. Ik breng de Israëlieten naar het land dat ik aan hun voorouders beloofd heb. In dat land is meer dan genoeg te eten. Maar zij zullen andere goden gaan vereren en mij verlaten. Want als ze hun buik vol gegeten hebben, zullen ze mij vergeten. Dan houden ze zich niet meer aan de afspraken die ik met hen gemaakt heb.

Daarom moet jij, Mozes, het lied opschrijven dat ik je nu zal geven. En je moet ervoor zorgen dat de Israëlieten dat lied uit hun hoofd leren. Dan zullen ze mij nooit vergeten, dan moeten ze mij wel gehoorzamen.

21Want ik weet dat ze mij ongehoorzaam zullen zijn. Ze lopen nu al met slechte plannen rond, nog voordat ik ze naar het beloofde land gebracht heb. Ze zullen daar veel ellende en rampen meemaken. Maar door dat lied zullen ze hun afspraken met mij niet vergeten. Ook hun nakomelingen zullen dit lied kennen, en ze zullen begrijpen waarom die rampen gebeuren.’

22Toen schreef Mozes het lied op, en hij leerde het aan de Israëlieten.

Jozua volgt Mozes op

23Jozua, de zoon van Nun, volgde Mozes op. De Heer zei tegen hem: ‘Jozua, wees sterk en dapper. Jij zult de Israëlieten het land binnenbrengen dat ik hun beloofd heb. En ik zal je helpen.’

Mozes schrijft de wet in een boek

24Mozes schreef alle regels van de wet op in een boek. Hij schreef ze allemaal op, hij sloeg niets over. 25Daarna zei hij tegen de priesters uit de stam Levi die de heilige kist moesten dragen: 26‘Leg dit boek naast de heilige kist van de Heer, jullie God. Het moet daar blijven liggen, zodat de Israëlieten hun afspraken met mij nooit vergeten.’

27En tegen het volk zei hij: ‘Ik weet hoe ongehoorzaam jullie zijn. Jullie verzetten je nu al tegen de Heer, terwijl ik nog in leven ben. Hoe zal dat straks gaan als ik dood ben? Dan wordt het nog erger!

28Roep alle leiders van de stammen en alle bestuurders bij elkaar. Dan zal ik jullie het lied laten horen dat ik opgeschreven heb. En ik zal de hemel en de aarde vragen om te onthouden wat ik tegen jullie zeg. 29Want ik weet nu al wat voor slechte dingen jullie na mijn dood zullen doen. Jullie zullen je niet houden aan wat ik jullie geleerd heb. Jullie zullen de Heer kwaad maken door godenbeelden te vereren. En dan zal het slecht met jullie aflopen.’

Het lied van Mozes

30Terwijl alle Israëlieten daar bij elkaar waren, las Mozes hun dit lied voor:

32

Luister goed

321‘Hemel en aarde, luister goed!

Hoor wat ik nu ga zeggen.

2Volk van Israël, dit zijn mijn woorden.

Ik wil dat jullie daarnaar verlangen,

zoals gras verlangt naar zachte regen

en een plant naar druppels van de dauw.

3Ik wil vertellen wie de Heer is:

Hij is onze God,

iedereen moet hem eren!

4God beschermt ons altijd.

Alles wat hij doet, is volmaakt.

Hij is eerlijk en rechtvaardig.

Hij is betrouwbaar,

er is geen kwaad in hem.

Israël is ontrouw geworden

5Volk van Israël, jullie waren Gods kinderen,

maar jullie werden hem ontrouw.

Jullie wilden niet langer zijn kinderen zijn.

Jullie hebben hem beledigd en bedrogen.

6Israël, ondankbaar volk!

De Heer heeft zo veel voor jullie gedaan!

Wat zijn jullie dom! Waar is je verstand?

De Heer is jullie vader,

hij heeft je gemaakt,

hij heeft je het leven gegeven.

Denk aan vroeger

7Denk eens terug aan vroeger,

denk na over het verleden.

Vraag je vader hoe het vroeger was,

laat oude mensen erover vertellen.

8De allerhoogste God gaf alle volken een gebied,

hij verdeelde de mensen over de hele aarde.

Voor elk volk bepaalde hij de grenzen,

hij gaf elk volk een engel om hen te beschermen.

9De Heer koos Israël als zijn eigen volk,

zij zouden voor altijd bij hem horen.

De Heer zorgde voor zijn volk

10Hij vond zijn volk in de woestijn,

in een leeg en verlaten gebied.

Hij zorgde voor zijn volk met aandacht en liefde,

zoals een vader zorgt voor zijn kind,

11of zoals een adelaar zorgt voor zijn jongen:

hij vliegt erboven,

en als ze moe worden,

spreidt hij zijn vleugels en draagt hij ze.

12De Heer heeft zijn volk alleen geleid,

zonder de hulp van een andere god.

13Hij bracht hen naar een vruchtbaar land,

waar altijd genoeg te eten was.

Ze vonden zelfs honing tussen de rotsen,

en er groeiden olijfbomen tussen de stenen.

14De Heer gaf hun melk van koeien en schapen,

en vlees van rammen,

en vet van bokken.

Ze kregen het fijnste meel,

ze dronken de beste wijn.

De Israëlieten beledigden God

15Maar het volk van God werd lui en vet,

de mensen werden dik en rond.

Toen verlieten ze God, ze lachten hem uit,

hun beschermer, hun helper, hun maker.

16Ze beledigden hem met andere goden,

ze maakten hem boos met afschuwelijke beelden.

17Ze brachten offers aan geesten,

aan goden die geen goden waren,

aan nieuwe goden, onbekend,

nooit eerder door hun volk vereerd.

18Zij vergaten hun God,

hun maker en beschermer.

De Heer werd kwaad op zijn volk

19De Heer zag hoe zijn volk hem beledigde.

Hij werd woedend op de Israëlieten.

20Hij zei: ‘Ik zal me voor hen verbergen,

dan loopt het verkeerd met ze af!

Want ze zijn slecht en onbetrouwbaar.

21Ze hebben mij boos gemaakt en beledigd

met hun waardeloze goden, hun holle beelden.

Daarom maak ik hen boos, en beledig ik hen!

Ik stuur een vijand op ze af,

een domme vijand, een waardeloos volk.

22Mijn woede lijkt op een groot vuur,

een vuur dat alles op aarde verbrandt,

een vuur dat alles wat groeit, verwoest,

zelfs tot hoog in de bergen,

en zelfs tot in het land van de dood.

23Ik schiet al mijn pijlen af op mijn volk,

ik straf ze met grote rampen.

24Ze zullen sterven door honger,

door koorts en dodelijke ziektes.

Wilde dieren zullen hen verscheuren,

giftige slangen zullen hen bijten.

25Buiten is er oorlog en geweld,

binnen is er angst voor de dood.

Iedereen zal sterven,

mannen en vrouwen, jong en oud.

26Eerst dacht ik: Ik vernietig mijn volk,

zodat niemand ooit nog aan ze denkt.

27Maar dan zouden hun vijanden zeggen:

‘Israël is niet vernietigd door de Heer,

dat hebben wij zelf gedaan!’

28Zo dom zijn die vijanden,

ze hebben helemaal geen verstand.

29Ze hebben geen inzicht, ze begrijpen niets,

ze zien niet dat ze zelf zullen sterven.’

God kan de vijanden laten winnen

30Luister goed, Israëlieten!

Eén vijand kan duizend Israëlieten achtervolgen.

Twee vijanden kunnen tienduizend mensen verjagen!

Dat kan als de Heer hen laat winnen

en hij jullie niet meer beschermt.

31Zelfs jullie vijanden zullen dit weten:

God is de allersterkste.

Hun goden zijn niets vergeleken bij hem.

God zal de vijanden straffen

32De Heer zegt: ‘Ik zal jullie vijanden straffen.

Ik zal ze zure wijn laten drinken,

gemaakt van giftige druiven

uit de wijngaarden van Sodom en Gomorra.

33Bitter is die wijn,

en dodelijk als slangengif.

34Ik heb de wijn goed bewaard,

veilig in mijn schatkamers.

35Op een dag zal ik de vijanden straffen.

Dan laat ik hen drinken van die wijn,

en dan vallen ze dood op de grond.

Het zal niet lang meer duren,

hun einde is dichtbij.’

De Heer is de enige God

36De Heer zal rechtvaardig zijn,

hij zal medelijden hebben met zijn volk.

Als hij ziet dat ze geen kracht meer hebben,

als er bijna niemand meer in leven is,

37dan zal hij zeggen: ‘Waar zijn jullie goden?

Waar zijn de goden die jullie beschermen?

38Zij hebben toch gegeten van jullie offervlees?

Zij hebben toch gedronken van jullie wijnoffers?

Dan moeten ze jullie nu ook komen helpen,

dan moeten ze jullie nu ook beschermen!’

39De Heer zegt: ‘Begrijp het nu toch!

Ik ben de Heer, de enige God,

er is geen andere god.

Ik laat de mensen sterven,

en ik laat ze ook weer leven.

Ik maak mensen ziek,

en ik maak ze ook weer beter.

Niemand kan mijn macht kleiner maken.

De Heer straft zijn vijanden

40-42Ik doe jullie een plechtige belofte:

Ik maak mijn zwaard scherp,

en ik zal rechtspreken.

Ik ga mijn vijanden straffen,

ik neem wraak op hen.

Ik raak hen met mijn dodelijke pijlen.

Ik sla hun hoofden eraf,

mijn zwaard wordt rood van het bloed.’

43Alle volken moeten juichen voor Israël!

Want de Heer zal wraak nemen op zijn vijanden,

de moordenaars van zijn volk zal hij doden.

De Heer neemt de schuld weg van zijn land,

hij vergeeft zijn hele volk.’

44Mozes las dit hele lied voor. Dat deed hij samen met Jozua, de zoon van Nun. Alle Israëlieten waren erbij.

Mozes waarschuwt het volk

45Toen Mozes klaar was met zijn toespraak voor de Israëlieten, 46zei hij tegen hen: ‘Onthoud goed wat ik allemaal tegen jullie gezegd heb. Vergeet niet wat ik jullie geleerd heb. En zorg ervoor dat ook jullie kinderen zich aan Gods wetten en regels houden.

47Want deze wetten en regels zijn heel belangrijk voor jullie leven! Houd je dus aan al Gods wetten. Dan zullen jullie een lang leven hebben in het land aan de overkant van de Jordaan, het land dat jullie in bezit gaan nemen.’

Mozes zegent het volk

Mozes moet de berg Nebo op gaan

48Diezelfde dag zei de Heer tegen Mozes: 49‘Je moet naar de Abarim-bergen gaan, en daar de berg Nebo beklimmen. Die berg ligt in Moab, tegenover de stad Jericho. Boven op de berg zie je het land Kanaän liggen, het land dat ik aan de Israëlieten zal geven.

50Op die berg komt er een einde aan je leven. Je broer Aäron stierf op de berg Hor, jij zult sterven op de berg Nebo.

51-52Je zult Kanaän in de verte zien liggen, maar je zult het land niet binnengaan. Dat komt door wat er gebeurd is bij de bron van Meribat-Kades, in de Sin-woestijn. Toen hadden jij en Aäron niet genoeg eerbied voor mijn macht. Alle Israëlieten hebben dat gezien.’

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]