Bijbel in Gewone Taal (BGT)
19

Regels over de rechtspraak

Er moeten drie vluchtsteden komen

191Mozes zei verder: ‘Volk van Israël, jullie komen straks in het land dat de Heer, jullie God, aan jullie zal geven. De volken die daar wonen, zal hij doden. Jullie kunnen dan hun akkers in bezit nemen, en gaan wonen in hun steden en huizen.

2-3Als jullie daar wonen, moeten jullie eerst kijken hoe groot het land is dat de Heer jullie geeft. Dan moeten jullie het land in drie gebieden verdelen.

In ieder gebied moet één vluchtstad komen. In zo’n stad ben je veilig als je iemand per ongeluk gedood hebt. 4Maar je kunt er niet heen vluchten als je iemand uit haat gedood hebt. Je bent er alleen veilig als je het per ongeluk gedaan hebt.

5Stel dat twee mannen op een dag samen hout gaan hakken in het bos. De één zwaait met zijn bijl om een boom om te hakken. Maar het ijzer van de bijl schiet los, en de ander wordt geraakt en sterft. Dan kan de dader naar zo’n stad vluchten om zijn leven te redden.

6Het is belangrijk dat er drie vluchtsteden in het land zijn. Want dan is de afstand naar een vluchtstad niet te groot. Anders kan de dader makkelijk ingehaald worden door familieleden van het slachtoffer. En dan wordt hij uit wraak gedood. Dat zou verkeerd zijn, want de dader heeft zijn slachtoffer nooit gehaat.

7Daarom wil ik dat jullie drie vluchtsteden aanwijzen.

Later komen er meer vluchtsteden

8De Heer, jullie God, zal jullie gebied nog groter maken. Dan krijgen jullie het hele land dat hij plechtig beloofd heeft aan jullie voorouders. 9Maar dat gebeurt alleen als je je precies houdt aan de regels die ik jullie vandaag geef. En als je de Heer, je God, liefhebt en altijd doet wat hij vraagt.

Als jullie gebied groter geworden is, moeten jullie nog drie vluchtsteden aanwijzen. 10Dan zal er in het land niemand meer gedood worden die onschuldig is. Als dat wel gebeurt, dan is het hele volk schuldig.

Moordenaars zijn nergens veilig

11Maar stel dat iemand een ander met opzet doodt, omdat hij hem haat. En stel dat hij dan naar een vluchtstad gaat. 12Dan moeten de leiders van de stad waar hij woonde, hem terughalen. Ze moeten hem naar de familie van het slachtoffer brengen. Die zullen hem dan uit wraak doden.

13Jullie moeten dan geen medelijden met de moordenaar hebben. Want als hij niet gedood wordt, is het hele volk schuldig. En dan loopt het slecht met jullie af.

Verander de grenzen niet

14Jullie krijgen allemaal een eigen stuk grond in het land dat de Heer, jullie God, aan jullie zal geven. Verander de grenzen daarvan niet! Laat de stenen tussen de akkers op hun plek liggen. Je mag ze niet verplaatsen, want ze liggen er al eeuwenlang.

Eén getuige is niet genoeg

15Stel dat iemand een misdaad gepleegd heeft, en één persoon heeft dat gezien. Er is dus maar één getuige. In dat geval mag de dader niet veroordeeld worden. Er moeten minstens twee getuigen zijn. Pas dan kun je naar de rechter gaan.

Een getuige mag niet liegen

16Het kan gebeuren dat een getuige liegt en iemand vals beschuldigt. 17Als dat zo lijkt te zijn, moeten beide partijen naar de tempel van de Heer gaan. Daar moeten ze naar de priesters en rechters gaan die dan dienst hebben.

18De rechters moeten de zaak heel precies onderzoeken. Stel dat de getuige inderdaad gelogen heeft. 19Dan moet hij de straf krijgen die hij de ander had willen geven. Door die getuige te straffen, zorg je ervoor dat het kwaad uit jullie volk verdwijnt. 20Alle Israëlieten moeten weten hoe zo iemand gestraft wordt. Dan zullen ze bang worden, en nooit meer zoiets slechts doen.

21Je mag geen medelijden hebben met die getuige. Misschien wilde hij dat de ander een oog of een tand zou verliezen, of een hand of een voet. Of misschien zelfs zijn leven. Geef hem de straf die hij de ander had willen geven.’

20

Regels over oorlog

De priester moet het leger toespreken

201Mozes zei verder tegen de Israëlieten: ‘Stel dat jullie oorlog gaan voeren en dat het leger van de vijand veel groter is. Stel dat ze veel meer paarden en wagens hebben dan jullie. Wees dan niet bang! Want de Heer, je God, zal jullie helpen. Hij heeft jullie ook bevrijd uit Egypte!

2Voordat de strijd begint, moet de priester naar voren komen en de soldaten toespreken. Hij moet zeggen: 3‘Luister, soldaten van Israël. Vandaag beginnen jullie met de strijd. Wees sterk en dapper, laat je niet bang maken! 4Want de Heer, jullie God, gaat met jullie mee. Hij zal zelf tegen jullie vijanden strijden. Hij zal ervoor zorgen dat jullie winnen.’

Sommige soldaten mogen naar huis

5Daarna moeten de legerleiders de soldaten toespreken. Ze moeten zeggen: ‘Is er misschien iemand die net een huis gebouwd heeft, maar er nog niet in woont? Dan mag hij naar huis teruggaan. Want als hij sterft in de strijd, gaat er misschien iemand anders in zijn huis wonen.

6En is er misschien iemand die net een wijngaard aangelegd heeft, en nog niet de eerste druiven heeft geplukt? Dan mag hij teruggaan naar huis. Want als hij sterft in de strijd, plukt misschien iemand anders zijn druiven.

7En is er misschien iemand die verloofd is, maar nog niet getrouwd? Dan mag hij teruggaan naar huis. Want als hij sterft in de strijd, trouwt er misschien iemand anders met zijn verloofde.’

8De legerleiders moeten ook vragen: ‘Is er iemand die zo bang is dat hij niet durft te vechten? Dan mag hij teruggaan naar huis. Want anders durven de andere soldaten ook niet te vechten.’

9Als de legerleiders dat allemaal gezegd hebben, moeten ze officieren aanwijzen. Elke officier krijgt de leiding over een groep soldaten.

Een aanval op een stad ver weg

10Voordat jullie een stad aanvallen, moeten jullie de inwoners vragen of ze zich willen overgeven. 11Stel dat ze dat willen, en ze laten jullie de stad binnen. Dan moeten ze als slaven voor jullie werken.

12Maar stel dat ze zich niet willen overgeven, en door willen vechten. 13Dan zal de Heer, jullie God, ervoor zorgen dat jullie de stad kunnen veroveren. En dan moeten jullie alle mannen in de stad doden. 14De vrouwen en kinderen mag je meenemen, net als de dieren en alle bezittingen in de stad. En het voedsel mag je opeten. Dat krijgen jullie van de Heer, jullie God.

15Dat zijn de regels die gelden als jullie een stad aanvallen die ver buiten jullie gebied ligt.

Een aanval op een stad dichtbij

16Stel dat jullie een stad aanvallen binnen het gebied dat de Heer, jullie God, aan jullie zal geven. Dan mogen jullie niemand in leven laten. 17Dat is een bevel van de Heer, jullie God. Jullie moeten alle inwoners doden: de Hethieten, de Amorieten, de Kanaänieten, de Perizzieten, de Chiwwieten en de Jebusieten. 18Want zij doen afschuwelijke dingen voor hun goden. De Heer wil niet dat jullie hun gewoontes overnemen. Hij wil niet dat jullie hem ontrouw worden.

Als een verovering lang duurt

19Stel dat het heel lang duurt voordat jullie een stad kunnen veroveren. Dan mogen jullie de bomen bij die stad niet omhakken. Laat die bomen gewoon staan. Bomen zijn geen mensen, dus waarom zou je ertegen vechten? Je kunt beter de vruchten opeten.

20Maar als je zeker weet dat een boom geen vruchten geeft, mag je hem omhakken. Alleen dan mag je het hout gebruiken om de stad aan te vallen.’

21

Regels in het beloofde land

Als er iemand vermoord is

211Mozes zei verder tegen de Israëlieten: ‘Straks wonen jullie in het land dat de Heer, jullie God, aan jullie geeft. Stel dat er ergens een lichaam wordt gevonden van iemand die vermoord is. Maar het is niet bekend wie de dader is. 2Dan moeten de leiders en rechters bepalen welke stad het dichtst bij de plek van de moord ligt. 3De leiders van die stad moeten een jonge koe uitkiezen. Dat moet een koe zijn die nog niet gebruikt is voor werk op het land. 4Ze moeten die koe naar een rivier brengen waar altijd water doorheen stroomt, en waar geen akkers zijn. Daar moeten ze de nek van de koe breken.

5De Levieten moeten daarbij aanwezig zijn. Want zij zijn de priesters die de Heer uitgekozen heeft om hem te dienen. Zij hebben de taak om namens de Heer de zegen uit te spreken. En zij moeten bepalen wie schuldig is bij ruzie of geweld.

6Daarna moeten de leiders van de stad hun handen wassen boven de koe. 7En dan moeten ze zeggen: ‘Heer, wij hebben deze moord niet gepleegd. En we weten ook niet wie de dader is. 8Wij zijn uw volk, u hebt ons bevrijd. Wij zijn niet verantwoordelijk voor de moord op dit onschuldige slachtoffer. U moet ons er niet van beschuldigen dat wij iemand vermoord hebben.’

Volk van Israël, als de leiders dat gezegd hebben, zullen jullie niet langer schuldig zijn aan die moord. 9Als jullie je aan deze regels houden, doen jullie wat de Heer wil. En dan zijn jullie niet meer schuldig aan moord.

Als iemand trouwt met een gevangene

10De volgende regel geldt als jullie oorlog voeren en de Heer ervoor zorgt dat jullie winnen. Dan kan het gebeuren dat jullie je vijanden gevangennemen.

11Stel nu dat één van jullie bij die gevangenen een mooie vrouw ontdekt. Hij wil met haar trouwen. 12Als hij haar dan meeneemt naar zijn huis, moet zij haar hoofd kaalscheren en haar nagels knippen. 13En ze moet andere kleren aantrekken. Een maand lang mag ze dan in zijn huis verdriet hebben omdat ze weg is bij haar ouders. Na die maand mag hij met haar slapen, en met haar trouwen. 14En als hij haar niet meer wil, moet hij haar vrijlaten. Hij mag haar beslist niet verkopen. En hij mag geen slavin van haar maken. Want hij is met haar getrouwd geweest.

Het recht van de oudste zoon

15Stel dat een man twee vrouwen heeft. Hij houdt meer van de ene vrouw dan van de andere. Bij beide vrouwen heeft hij een zoon. Zijn oudste zoon is van de vrouw van wie hij niet zo veel houdt. 16Stel nu dat de man besluit om zijn bezit als erfenis aan zijn zonen te geven. Mag hij dan het grootste deel geven aan de zoon van de vrouw van wie hij het meest houdt? En het kleinste deel aan de zoon van de vrouw van wie hij minder houdt? Nee. 17Hij moet altijd de oudste zoon dubbel zo veel geven als de andere zonen. Want die zoon is het eerst geboren, toen de man zelf nog jong en sterk was. De oudste zoon heeft de meeste rechten.

Als een zoon ongehoorzaam is

18Stel dat ouders een zoon hebben die ongehoorzaam is en zich steeds tegen hen verzet. Hij wil niet luisteren, ook niet nadat hij gestraft is. 19Dan moeten zijn ouders hem meenemen naar de leiders bij de stadspoort. 20En ze moeten zeggen: ‘Onze zoon is ongehoorzaam. Hij verzet zich steeds tegen ons. Hij luistert niet, hij denkt nergens over na en hij drinkt te veel.’

21De inwoners van de stad moeten hem dan met stenen doodgooien. Zo wordt het kwaad uit jullie volk verwijderd. Alle Israëlieten moeten weten hoe zo’n ongehoorzame zoon gestraft wordt.

Als iemand opgehangen wordt

22De volgende regel geldt als iemand van jullie volk een misdaad gepleegd heeft waarvoor hij gedood moet worden. Als hij opgehangen wordt, 23dan mag zijn dode lichaam niet de hele nacht blijven hangen. Het moet nog dezelfde dag begraven worden. Want zijn lichaam is door God vervloekt. Als het daar blijft hangen, wordt het land onrein, het land dat de Heer, jullie God, aan jullie zal geven.’

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]