Bijbel in Gewone Taal (BGT)
2

De eerste droom van de koning

Nebukadnessar vraagt om raad

21Toen Nebukadnessar twee jaar koning van Babylonië was, kreeg hij een angstige droom. Hij kon er niet meer van slapen. 2Daarom liet hij al zijn wijze mannen bij zich komen. Ze konden dromen uitleggen en de toekomst voorspellen. Zij moesten vertellen wat de droom van de koning betekende.

3‘Ik heb een angstige droom gehad,’ zei de koning. ‘Ik wil weten wat ik gedroomd heb.’ 4‘Koning, wij wensen u een lang leven toe,’ zeiden de wijze mannen tegen hem. ‘Wij zullen uw droom uitleggen. Wat hebt u gedroomd?’

5Maar de koning zei: ‘Nee, eerst moeten jullie me vertellen wat ik gedroomd heb. Daarna leggen jullie de droom uit. Als jullie dat niet doen, dan laat ik jullie in stukken hakken, en dan laat ik jullie huizen afbreken. 6Maar als jullie doen wat ik vraag, dan krijgen jullie van mij een grote beloning.’ 7Maar de wijze mannen zeiden weer: ‘Wij zullen uw droom uitleggen, als u uw droom vertelt.’

8‘Dat dacht ik wel,’ zei de koning. ‘Jullie willen meer tijd hebben. Want jullie weten wat ik ga doen. 9Ik dood jullie allemaal als jullie mij geen antwoord geven. Jullie zijn van plan om dingen te zeggen die niet waar zijn. Jullie denken dat ik deze zaak dan wel zal vergeten. Maar dat zal niet gebeuren! Vertel me eerst wat ik gedroomd heb. Pas dan weet ik of jullie mijn droom echt kunnen uitleggen.’

De koning wil de wijze mannen doden

10‘Koning,’ antwoordden de wijze mannen, ‘niemand kan doen wat u vraagt! Geen enkele koning heeft dat ooit gevraagd. Zelfs de machtigste koning mag dat niet vragen. 11Wat u wilt, is onmogelijk. Geen mens kan weten wat u gedroomd hebt. Alleen de goden weten dat. Maar die wonen niet bij ons op aarde.’

12Toen werd de koning heel erg kwaad. Hij gaf opdracht om alle wijze mannen in Babylonië te doden.

Daniël is in gevaar

13Overal werd bekend dat alle wijze mannen in Babylonië gedood zouden worden. Ook Daniël en zijn vrienden waren in gevaar. 14Daarom ging Daniël naar Arjoch, het hoofd van de koninklijke lijfwacht. Die moest ervoor zorgen dat de opdracht van de koning uitgevoerd werd. Daniël was heel voorzichtig. 15Hij vroeg aan Arjoch: ‘Waarom heeft de koning dat strenge bevel gegeven?’ Arjoch vertelde wat er gebeurd was.

16Daarna ging Daniël naar de koning en zei: ‘Geef mij wat tijd. Dan zal ik u de droom uitleggen.’ 17Toen ging Daniël naar huis. Hij vertelde alles aan zijn drie vrienden. 18Hij zei tegen hen: ‘Vraag of de God van de hemel ons wil helpen. Vraag of hij ons wil vertellen wat de koning gedroomd heeft. Anders doodt de koning ons, net als de andere wijze mannen in Babylonië.’

God maakt de droom bekend

19Diezelfde nacht kreeg Daniël een droom. Daarin zag hij wat de koning gedroomd had. Daarom dankte hij de God van de hemel. 20Hij zei: ‘God, u bent wijs en machtig. Daarom moet iedereen u danken, nu en altijd. 21U bepaalt elke dag wat er in de wereld gebeurt. U wijst koningen aan die moeten regeren. U maakt mensen wijs en geeft ze verstand. 22Voor u is niets verborgen. Bij u is alles licht. U kent alles wat in het donker is.

23U bent altijd onze God geweest. Ik dank u, want u geeft mij wijsheid en kracht. U hebt geluisterd naar het gebed van mij en mijn drie vrienden. En u hebt mij laten zien wat de koning gedroomd heeft.’

Daniël komt bij de koning

24Toen ging Daniël naar Arjoch. Hij zei tegen hem: ‘Dood de wijze mannen in Babylonië niet. Breng mij naar de koning, dan zal ik zijn droom uitleggen.’ 25Arjoch nam Daniël snel mee naar de koning en zei: ‘Koning, ik heb iemand gevonden die uw droom kan uitleggen. Hij komt niet uit Babylonië, maar uit Juda.’

26Toen vroeg de koning aan Daniël: ‘Kun jij mij vertellen wat ik gedroomd heb? En weet jij wat mijn droom betekent?’ 27Daniël zei: ‘Koning, niemand kan u dat vertellen. Er zijn geen wijze mannen in Babylonië die dat kunnen. 28Maar er is een God in de hemel die u kan vertellen wat voor de mensen geheim is. Hij heeft u iets laten zien wat in de toekomst gaat gebeuren. Dat zag u in uw droom.

29U lag op uw bed, koning. U dacht na over de toekomst. De God in de hemel heeft u in een droom laten zien wat er gebeuren zal. 30En God heeft mij weer laten zien wat u gedroomd hebt. Ik ben dus niet wijzer dan andere mensen. Maar God wil dat ik uw droom uitleg. Dan begrijpt u wat u gedroomd hebt.

Daniël vertelt de droom van de koning

31Koning, in uw droom zag u een groot beeld. Een groot glanzend beeld. Het stond vlak voor u. Het was angstig om te zien. 32Het beeld had een hoofd van zuiver goud. Zijn borst en zijn armen waren van zilver. Zijn buik en zijn heupen waren van brons. 33Zijn benen waren van ijzer, en zijn voeten waren van ijzer en klei.

34Toen u het beeld zag, kwam er opeens een steen aanrollen. Niemand had die steen aangeraakt. De steen kwam hard tegen de voeten van het beeld aan. Die voeten waren in één klap kapot. 35Daarna viel het hele beeld in stukken. De stukken van ijzer en klei verdwenen in een wolk van stof. Dat gebeurde ook met de stukken van brons, zilver en goud. Het begon te waaien, en de wind nam alles mee. Er bleef niets van het beeld over.

Maar de steen die tegen het beeld aan gekomen was, werd steeds groter. De steen werd een hoge berg. En op het laatst was de berg zo groot als de hele aarde.

36Dat was uw droom, koning.’

De betekenis van de droom

Daniël zei verder: ‘Nu zal ik uw droom uitleggen. 37-38Het hoofd van goud, dat bent u! Want u bent de belangrijkste van alle koningen. De God van de hemel heeft u koning gemaakt. Door hem bent u zo machtig en beroemd geworden. Hij laat u regeren over alle mensen, en ook over de dieren en de vogels.

39Na uw koninkrijk zal er een ander koninkrijk komen. Dat is het zilver. Dat koninkrijk zal niet zo machtig zijn als dat van u.

Dan komt er een derde koninkrijk. Dat is het brons. Dat koninkrijk heeft de macht over de hele wereld.

40Ten slotte komt er een vierde koninkrijk. Dat is zo hard als ijzer. Net zoals ijzer alles stukslaat, maakt dat koninkrijk de eerdere koninkrijken stuk.

41-42U zag ook de voeten en de tenen van het beeld. Een deel was van ijzer en een deel was van klei. Dat betekent dat dit koninkrijk niet één geheel is. Voor een deel is het zo sterk als ijzer, maar voor een ander deel is het zo zwak als klei. 43Dat komt doordat koningen hun kinderen laten trouwen met prinsen en prinsessen uit een ander land. Omdat die niet bij elkaar passen, valt het koninkrijk uit elkaar.

De betekenis van de rollende steen

44In de tijd dat die koninkrijken verdwijnen, zal de God van de hemel een nieuw koninkrijk maken. Een rijk dat nooit verdwijnt. Niemand anders zal erover heersen. Dat rijk zal alle andere koninkrijken vernietigen. Maar zelf blijft het voor altijd bestaan. 45Dat rijk is de steen die u gezien hebt. De steen die zomaar kwam aanrollen, en die het beeld van ijzer, brons, klei, zilver en goud vernietigde.

Zo heeft de grote God aan u, koning, de toekomst laten zien. Dat was uw droom, en u kunt vertrouwen op mijn uitleg.’

De koning beloont Daniël

46De koning knielde en boog diep voor Daniël. Hij gaf iedereen opdracht om Daniël te eren met een offer. 47De koning zei: ‘Daniël, nu weet ik dat jouw God de grootste God is. Alle koningen moeten hem gehoorzamen. Hij kan dingen bekendmaken die voor mensen geheim zijn. Daarom kon jij mijn droom uitleggen.’

48De koning gaf Daniël een grote beloning. En Daniël kreeg belangrijk werk te doen. Hij werd de leider van alle wijze mannen in Babylonië. Hij kreeg ook het bestuur over de hele provincie Babel. 49Maar Daniël vroeg aan de koning of zijn drie vrienden de provincie Babel mochten besturen. Zelf bleef hij in het paleis.

3

Drie mannen gered uit het vuur

Een gouden beeld

31Op een dag liet koning Nebukadnessar een gouden beeld maken. Het werd 30 meter hoog en 3 meter breed. Hij liet het beeld neerzetten in de Dura-vlakte in de provincie Babel. 2De koning nodigde de belangrijkste bestuurders van zijn rijk uit. Dat waren de bestuurders van de provincies en de steden, de ministers, de rechters en de leiders van de belastingdienst en het leger. Hij wilde dat ze erbij waren als het gouden beeld officieel in gebruik genomen werd. 3Alle mensen die hij uitgenodigd had, kwamen naar de Dura-vlakte. Ze gingen voor het beeld staan dat de koning had laten maken.

4Toen riep een dienaar van de koning: ‘Dit zegt de koning! Luister allemaal. Waar jullie ook vandaan komen, welke taal jullie ook spreken: luister goed! 5Straks horen jullie muziek van fluiten, harpen en andere instrumenten. Dan moeten jullie knielen en heel diep buigen voor dit gouden beeld. 6Wie dat niet doet, wordt onmiddellijk in een grote brandende oven gegooid.’

7Daarna klonk de muziek. En alle mensen knielden en maakten een diepe buiging voor het gouden beeld.

Drie mannen buigen niet voor het beeld

8Maar Sadrach, Mesach en Abednego deden niet wat de koning gezegd had. Daarom gingen er een paar Babyloniërs naar de koning toe om te zeggen dat niet iedereen hem gehoorzaamde. 9‘Koning, wij wensen u een lang leven toe,’ zeiden ze. 10‘U hebt toch duidelijk dit bevel gegeven: ‘Als iemand muziek hoort van fluiten, harpen en andere instrumenten, dan moet hij knielen en buigen voor het gouden beeld! 11Wie dat niet doet, moet onmiddellijk in de brandende oven gegooid worden.’

12Maar er zijn drie mannen uit Juda die niet doen wat u gezegd hebt! Het zijn Sadrach, Mesach en Abednego, uw eigen bestuurders in de provincie Babel. Die mannen dienen uw goden niet. En ze buigen ook niet voor uw gouden beeld.’

De mannen krijgen nog één kans

13De koning werd heel kwaad. Hij liet de drie mannen onmiddellijk halen. Toen ze voor hem stonden, 14riep hij: ‘Is het waar dat jullie mijn goden niet willen dienen? En dat jullie niet knielen voor mijn gouden beeld? 15Luister, ik geef jullie nog één kans. Straks horen jullie weer muziek van fluiten, harpen en andere instrumenten. Dan moeten jullie knielen en buigen voor het gouden beeld. Maar als jullie dat niet doen, dan laat ik jullie onmiddellijk in de brandende oven gooien. Welke god kan jullie dan nog redden?’

16De drie mannen zeiden tegen de koning: ‘Voor ons is dat wel duidelijk. 17De God die wij dienen, kan ons redden uit uw macht. 18Maar zelfs als hij ons niet redt, dan nog zullen wij uw goden niet dienen. En we zullen ook niet buigen voor uw gouden beeld.’

De mannen worden in de oven gegooid

19-21De koning werd nog kwader. Hij keek woedend naar de drie mannen en riep: ‘Steek de grote oven aan, en maak het vuur zeven keer zo heet als anders. Bind deze mannen vast met een touw en gooi ze in het vuur.’

Een paar sterke soldaten deden wat de koning gezegd had. De drie mannen werden met hun kleren aan in de oven gegooid. 22-23Het vuur was heel heet. De vlammen kwamen zo hoog dat de soldaten verbrandden toen ze de mannen in de oven duwden.

De koning ziet vier mannen in de oven

24Plotseling sprong de koning op van schrik. Hij riep tegen zijn belangrijkste bestuurders: ‘Wij hebben toch drie mannen met touwen vastgebonden en in de oven laten gooien?’ En zij antwoordden: ‘Jazeker, koning.’

25‘Maar ik zie vier mannen, niet drie! En ze lopen vrij rond in het vuur,’ zei de koning. ‘Er is niets met hen aan de hand. De vierde lijkt wel een engel!’

26De koning liep naar de deur van de oven. Hij riep: ‘Sadrach, Mesach, Abednego, dienaren van de allerhoogste God! Kom er snel uit!’

De drie mannen komen uit de oven

De mannen kwamen uit de vlammen tevoorschijn. 27De belangrijkste bestuurders van het koninkrijk kwamen naar voren. Ze bekeken de mannen goed. Er was niets bijzonders aan hen te zien. Niets was verbrand, zelfs niet het haar op hun hoofd. En hun kleren waren nog heel. De mannen roken zelfs niet naar het vuur.

Iedereen moet eerbied hebben voor God

28Toen zei de koning: ‘Ik dank de God van Sadrach, Mesach en Abednego! Zij hebben niet geluisterd naar mijn bevelen, maar ze vertrouwden op hun God. Ze wilden zelfs hun leven geven. Ze wilden beslist niet voor een andere god buigen. Daarom stuurde hun God een engel om hen te redden.

29Ik zeg nu tegen alle volken op aarde: De God van Sadrach, Mesach en Abednego is de enige die mensen kan redden. Daarom moet iedereen met eerbied over hem spreken. Wie dat niet doet, laat ik in stukken hakken. En zijn huis zal helemaal afgebroken worden.’

30Toen gaf de koning de drie mannen nog meer macht in de provincie Babel.

De tweede droom van de koning

Nebukadnessar heeft een droom gehad

31Koning Nebukadnessar stuurde een brief naar alle volken op aarde. In de brief stond het volgende:

‘Ik hoop dat het goed met u gaat. 32Ik wil u in deze brief vertellen wat ik meegemaakt heb. Er is namelijk een wonder gebeurd. Dat wonder heeft de allerhoogste God gedaan. 33Met zijn wonderen laat hij zien dat hij groot en machtig is. Hij is koning voor altijd, en zijn rijk zal altijd bestaan.

4

41Dit is er gebeurd: Ik woonde in mijn prachtige paleis en had geen zorgen. 2Maar op een keer kreeg ik een angstige droom. Ik raakte erg in de war van wat ik gedroomd had.

Daniël moet de droom uitleggen

3Daarom liet ik alle wijze mannen uit Babylonië bij mij komen om mijn droom uit te leggen. 4Toen ze er waren, vertelde ik hun mijn droom. Maar niemand kon zeggen wat die droom betekende.

5Als laatste kwam Daniël. Hij wordt ook wel Beltesassar genoemd, naar mijn eigen god. De heilige goden hebben hem bijzondere kennis gegeven. Ik vertelde hem mijn droom. 6Ik zei tegen hem: ‘Daniël, jij bent wijzer dan alle anderen. Ik weet dat de heilige goden jou bijzondere kennis gegeven hebben. Niets is voor jou geheim. Zeg mij dan wat mijn droom betekent.

De koning vertelt zijn droom

7Terwijl ik sliep, had ik de volgende droom. Ik zag een hoge boom midden op de aarde staan. 8De boom werd steeds groter en sterker. Hij werd zo hoog als de hemel. Overal op aarde was de boom te zien. 9Zijn bladeren waren prachtig en hij gaf veel vruchten, genoeg voor iedereen. De dieren vonden schaduw onder de boom, en de vogels maakten nesten in de takken. Alles wat leefde, kon van de vruchten van de boom eten.

10De droom ging verder. Ik zag een heilige engel uit de hemel naar beneden komen. 11Hij riep: ‘Hak die boom om. Breek de takken af, haal het blad eraf en gooi de vruchten weg. Jaag de dieren onder de boom weg, en jaag ook de vogels van de takken. 12Maar laat een klein stuk van de boomstam staan. Zet hem vast in het gras met een ketting van ijzer en brons.

Laat de boomstam ’s nachts buiten, ook al is het koud en nat. Hij moet gras eten, net als de wilde dieren. 13Hij zal niet langer denken als een mens, maar hij zal denken als een dier. Dat zal zeven jaar duren.

14De heilige engelen hebben dat besluit genomen. Alle mensen moeten namelijk begrijpen dat de allerhoogste God over alles regeert. Hij bepaalt wie koning mag zijn. Hij kan iedereen koning maken. Zelfs iemand die onbelangrijk is.’’

Daniël schrikt van de droom

15Toen zei ik tegen Daniël: ‘Dat heb ik allemaal in mijn droom gezien. Maar wat betekent mijn droom? De wijze mannen in mijn koninkrijk konden de droom niet uitleggen. Maar de heilige goden hebben jou bijzondere kennis gegeven. Jij kunt het wel!’

16Daniël schrok en wist niet wat hij moest zeggen. Maar ik zei tegen hem: ‘Wees niet bang, Daniël. Wat vind je van mijn droom? Wat betekent die?’

Daniël legt de droom uit

Toen zei Daniël: ‘Ach koning, uw droom betekent niet veel goeds. 17U zag een boom die steeds groter en sterker werd. Hij werd zo hoog als de hemel en hij was overal op aarde te zien. 18Zijn bladeren waren prachtig. De boom gaf veel vruchten, genoeg voor iedereen. De dieren lagen onder de boom en de vogels leefden tussen de takken. 19Die boom, dat bent u, koning! U bent machtig en sterk. Uw macht is groot, u regeert over de hele aarde.

20U zag ook een heilige engel uit de hemel komen. Die zei: ‘Hak die boom om! Vernietig hem! Maar laat een klein stuk van de boomstam staan. Zet de stam vast in het gras met een ketting van ijzer en brons. Laat hem ’s nachts buiten, ook al is het koud en nat. Laat hem leven zoals de wilde dieren. Dat zal zeven jaar duren.’’

21Daniël zei: ‘Dat betekent, koning, dat de allerhoogste God het volgende over u heeft besloten. 22Geen mens wil straks nog iets met u te maken hebben. U moet bij de dieren leven, en gras eten als een koe. U zult ’s nachts buiten zijn, ook al is het koud en nat. Dat duurt zeven jaar. Dan zult u begrijpen dat de allerhoogste God over alles regeert, ook over koningen. Hij beslist zelf aan wie hij macht geeft.

23De engel zei dat er nog een klein stuk van de boomstam moest blijven staan. Dat betekent dat u weer koning kunt worden. Maar alleen als u toegeeft dat God alle macht heeft. 24Daarom hoop ik dat u de volgende raad wilt aannemen, koning. Doe voortaan wat God van u vraagt, doe geen slechte dingen meer. Wees goed voor de armen en geef hun wat ze nodig hebben. Dan zult u nog lang gelukkig zijn.’

De droom komt uit

25Alles wat ik toen gedroomd heb, is ook gebeurd. 26Een jaar later wandelde ik op het platte dak van mijn paleis in Babel. 27Ik keek om me heen en riep: ‘Wat is Babel toch een geweldige stad! Alles heb ik zelf laten bouwen. Kijk toch eens: echt een stad die past bij een beroemde koning zoals ik!’

28Terwijl ik nog aan het praten was, hoorde ik een stem uit de hemel: ‘Luister, Nebukadnessar, jij zult niet langer koning zijn. 29Geen mens wil nog iets met jou te maken hebben. Je moet bij de dieren leven, en gras eten als een koe. Dat zal zeven jaar duren. Dan zul je begrijpen dat de allerhoogste God over alles regeert. Hij geeft macht aan wie hij wil.’

30Op dat ogenblik gebeurde met mij precies wat er gezegd was. Niemand wilde nog iets met mij te maken hebben. Ik begon gras te eten als een koe. Ik was ’s nachts buiten, ook al was het koud en nat. Mijn haar werd even lang als de veren van een adelaar. Mijn nagels groeiden door. Mijn handen leken op de poten van een vogel.

De koning krijgt zijn verstand terug

31Zeven jaren gingen voorbij. Toen keek ik omhoog naar de hemel. Op dat moment werd ik weer beter. Ik dankte de allerhoogste God, want hij verdient alle eer. Hij is de God die eeuwig leeft. Hij is koning en regeert voor altijd. 32De mensen op aarde zijn onbelangrijk. De grote God doet met mensen wat hij wil, net zoals met de engelen in de hemel. Hij laat zich door niemand tegenhouden en legt niet uit waarom hij iets doet.

33Toen ik beter was, werd ik weer koning. Ik werd weer belangrijk en de mensen hadden weer respect voor mij. Mijn hoogste en machtigste ambtenaren zochten mij weer op. Ik werd zelfs belangrijker en machtiger dan vroeger.

34Daarom geef ik alle eer aan God, de koning van de hemel. Alles wat hij doet, is goed. Wat hij ook beslist, hij heeft altijd gelijk. Sommige mensen vinden dat ze een hoge plaats verdiend hebben. Maar aan zulke mensen geeft hij juist een lage plaats.’