Bijbel in Gewone Taal (BGT)
3

Drie mannen gered uit het vuur

Een gouden beeld

31Op een dag liet koning Nebukadnessar een gouden beeld maken. Het werd 30 meter hoog en 3 meter breed. Hij liet het beeld neerzetten in de Dura-vlakte in de provincie Babel. 2De koning nodigde de belangrijkste bestuurders van zijn rijk uit. Dat waren de bestuurders van de provincies en de steden, de ministers, de rechters en de leiders van de belastingdienst en het leger. Hij wilde dat ze erbij waren als het gouden beeld officieel in gebruik genomen werd. 3Alle mensen die hij uitgenodigd had, kwamen naar de Dura-vlakte. Ze gingen voor het beeld staan dat de koning had laten maken.

4Toen riep een dienaar van de koning: ‘Dit zegt de koning! Luister allemaal. Waar jullie ook vandaan komen, welke taal jullie ook spreken: luister goed! 5Straks horen jullie muziek van fluiten, harpen en andere instrumenten. Dan moeten jullie knielen en heel diep buigen voor dit gouden beeld. 6Wie dat niet doet, wordt onmiddellijk in een grote brandende oven gegooid.’

7Daarna klonk de muziek. En alle mensen knielden en maakten een diepe buiging voor het gouden beeld.

Drie mannen buigen niet voor het beeld

8Maar Sadrach, Mesach en Abednego deden niet wat de koning gezegd had. Daarom gingen er een paar Babyloniërs naar de koning toe om te zeggen dat niet iedereen hem gehoorzaamde. 9‘Koning, wij wensen u een lang leven toe,’ zeiden ze. 10‘U hebt toch duidelijk dit bevel gegeven: ‘Als iemand muziek hoort van fluiten, harpen en andere instrumenten, dan moet hij knielen en buigen voor het gouden beeld! 11Wie dat niet doet, moet onmiddellijk in de brandende oven gegooid worden.’

12Maar er zijn drie mannen uit Juda die niet doen wat u gezegd hebt! Het zijn Sadrach, Mesach en Abednego, uw eigen bestuurders in de provincie Babel. Die mannen dienen uw goden niet. En ze buigen ook niet voor uw gouden beeld.’

De mannen krijgen nog één kans

13De koning werd heel kwaad. Hij liet de drie mannen onmiddellijk halen. Toen ze voor hem stonden, 14riep hij: ‘Is het waar dat jullie mijn goden niet willen dienen? En dat jullie niet knielen voor mijn gouden beeld? 15Luister, ik geef jullie nog één kans. Straks horen jullie weer muziek van fluiten, harpen en andere instrumenten. Dan moeten jullie knielen en buigen voor het gouden beeld. Maar als jullie dat niet doen, dan laat ik jullie onmiddellijk in de brandende oven gooien. Welke god kan jullie dan nog redden?’

16De drie mannen zeiden tegen de koning: ‘Voor ons is dat wel duidelijk. 17De God die wij dienen, kan ons redden uit uw macht. 18Maar zelfs als hij ons niet redt, dan nog zullen wij uw goden niet dienen. En we zullen ook niet buigen voor uw gouden beeld.’

De mannen worden in de oven gegooid

19-21De koning werd nog kwader. Hij keek woedend naar de drie mannen en riep: ‘Steek de grote oven aan, en maak het vuur zeven keer zo heet als anders. Bind deze mannen vast met een touw en gooi ze in het vuur.’

Een paar sterke soldaten deden wat de koning gezegd had. De drie mannen werden met hun kleren aan in de oven gegooid. 22-23Het vuur was heel heet. De vlammen kwamen zo hoog dat de soldaten verbrandden toen ze de mannen in de oven duwden.

De koning ziet vier mannen in de oven

24Plotseling sprong de koning op van schrik. Hij riep tegen zijn belangrijkste bestuurders: ‘Wij hebben toch drie mannen met touwen vastgebonden en in de oven laten gooien?’ En zij antwoordden: ‘Jazeker, koning.’

25‘Maar ik zie vier mannen, niet drie! En ze lopen vrij rond in het vuur,’ zei de koning. ‘Er is niets met hen aan de hand. De vierde lijkt wel een engel!’

26De koning liep naar de deur van de oven. Hij riep: ‘Sadrach, Mesach, Abednego, dienaren van de allerhoogste God! Kom er snel uit!’

De drie mannen komen uit de oven

De mannen kwamen uit de vlammen tevoorschijn. 27De belangrijkste bestuurders van het koninkrijk kwamen naar voren. Ze bekeken de mannen goed. Er was niets bijzonders aan hen te zien. Niets was verbrand, zelfs niet het haar op hun hoofd. En hun kleren waren nog heel. De mannen roken zelfs niet naar het vuur.

Iedereen moet eerbied hebben voor God

28Toen zei de koning: ‘Ik dank de God van Sadrach, Mesach en Abednego! Zij hebben niet geluisterd naar mijn bevelen, maar ze vertrouwden op hun God. Ze wilden zelfs hun leven geven. Ze wilden beslist niet voor een andere god buigen. Daarom stuurde hun God een engel om hen te redden.

29Ik zeg nu tegen alle volken op aarde: De God van Sadrach, Mesach en Abednego is de enige die mensen kan redden. Daarom moet iedereen met eerbied over hem spreken. Wie dat niet doet, laat ik in stukken hakken. En zijn huis zal helemaal afgebroken worden.’

30Toen gaf de koning de drie mannen nog meer macht in de provincie Babel.

De tweede droom van de koning

Nebukadnessar heeft een droom gehad

31Koning Nebukadnessar stuurde een brief naar alle volken op aarde. In de brief stond het volgende:

‘Ik hoop dat het goed met u gaat. 32Ik wil u in deze brief vertellen wat ik meegemaakt heb. Er is namelijk een wonder gebeurd. Dat wonder heeft de allerhoogste God gedaan. 33Met zijn wonderen laat hij zien dat hij groot en machtig is. Hij is koning voor altijd, en zijn rijk zal altijd bestaan.

4

41Dit is er gebeurd: Ik woonde in mijn prachtige paleis en had geen zorgen. 2Maar op een keer kreeg ik een angstige droom. Ik raakte erg in de war van wat ik gedroomd had.

Daniël moet de droom uitleggen

3Daarom liet ik alle wijze mannen uit Babylonië bij mij komen om mijn droom uit te leggen. 4Toen ze er waren, vertelde ik hun mijn droom. Maar niemand kon zeggen wat die droom betekende.

5Als laatste kwam Daniël. Hij wordt ook wel Beltesassar genoemd, naar mijn eigen god. De heilige goden hebben hem bijzondere kennis gegeven. Ik vertelde hem mijn droom. 6Ik zei tegen hem: ‘Daniël, jij bent wijzer dan alle anderen. Ik weet dat de heilige goden jou bijzondere kennis gegeven hebben. Niets is voor jou geheim. Zeg mij dan wat mijn droom betekent.

De koning vertelt zijn droom

7Terwijl ik sliep, had ik de volgende droom. Ik zag een hoge boom midden op de aarde staan. 8De boom werd steeds groter en sterker. Hij werd zo hoog als de hemel. Overal op aarde was de boom te zien. 9Zijn bladeren waren prachtig en hij gaf veel vruchten, genoeg voor iedereen. De dieren vonden schaduw onder de boom, en de vogels maakten nesten in de takken. Alles wat leefde, kon van de vruchten van de boom eten.

10De droom ging verder. Ik zag een heilige engel uit de hemel naar beneden komen. 11Hij riep: ‘Hak die boom om. Breek de takken af, haal het blad eraf en gooi de vruchten weg. Jaag de dieren onder de boom weg, en jaag ook de vogels van de takken. 12Maar laat een klein stuk van de boomstam staan. Zet hem vast in het gras met een ketting van ijzer en brons.

Laat de boomstam ’s nachts buiten, ook al is het koud en nat. Hij moet gras eten, net als de wilde dieren. 13Hij zal niet langer denken als een mens, maar hij zal denken als een dier. Dat zal zeven jaar duren.

14De heilige engelen hebben dat besluit genomen. Alle mensen moeten namelijk begrijpen dat de allerhoogste God over alles regeert. Hij bepaalt wie koning mag zijn. Hij kan iedereen koning maken. Zelfs iemand die onbelangrijk is.’’

Daniël schrikt van de droom

15Toen zei ik tegen Daniël: ‘Dat heb ik allemaal in mijn droom gezien. Maar wat betekent mijn droom? De wijze mannen in mijn koninkrijk konden de droom niet uitleggen. Maar de heilige goden hebben jou bijzondere kennis gegeven. Jij kunt het wel!’

16Daniël schrok en wist niet wat hij moest zeggen. Maar ik zei tegen hem: ‘Wees niet bang, Daniël. Wat vind je van mijn droom? Wat betekent die?’

Daniël legt de droom uit

Toen zei Daniël: ‘Ach koning, uw droom betekent niet veel goeds. 17U zag een boom die steeds groter en sterker werd. Hij werd zo hoog als de hemel en hij was overal op aarde te zien. 18Zijn bladeren waren prachtig. De boom gaf veel vruchten, genoeg voor iedereen. De dieren lagen onder de boom en de vogels leefden tussen de takken. 19Die boom, dat bent u, koning! U bent machtig en sterk. Uw macht is groot, u regeert over de hele aarde.

20U zag ook een heilige engel uit de hemel komen. Die zei: ‘Hak die boom om! Vernietig hem! Maar laat een klein stuk van de boomstam staan. Zet de stam vast in het gras met een ketting van ijzer en brons. Laat hem ’s nachts buiten, ook al is het koud en nat. Laat hem leven zoals de wilde dieren. Dat zal zeven jaar duren.’’

21Daniël zei: ‘Dat betekent, koning, dat de allerhoogste God het volgende over u heeft besloten. 22Geen mens wil straks nog iets met u te maken hebben. U moet bij de dieren leven, en gras eten als een koe. U zult ’s nachts buiten zijn, ook al is het koud en nat. Dat duurt zeven jaar. Dan zult u begrijpen dat de allerhoogste God over alles regeert, ook over koningen. Hij beslist zelf aan wie hij macht geeft.

23De engel zei dat er nog een klein stuk van de boomstam moest blijven staan. Dat betekent dat u weer koning kunt worden. Maar alleen als u toegeeft dat God alle macht heeft. 24Daarom hoop ik dat u de volgende raad wilt aannemen, koning. Doe voortaan wat God van u vraagt, doe geen slechte dingen meer. Wees goed voor de armen en geef hun wat ze nodig hebben. Dan zult u nog lang gelukkig zijn.’

De droom komt uit

25Alles wat ik toen gedroomd heb, is ook gebeurd. 26Een jaar later wandelde ik op het platte dak van mijn paleis in Babel. 27Ik keek om me heen en riep: ‘Wat is Babel toch een geweldige stad! Alles heb ik zelf laten bouwen. Kijk toch eens: echt een stad die past bij een beroemde koning zoals ik!’

28Terwijl ik nog aan het praten was, hoorde ik een stem uit de hemel: ‘Luister, Nebukadnessar, jij zult niet langer koning zijn. 29Geen mens wil nog iets met jou te maken hebben. Je moet bij de dieren leven, en gras eten als een koe. Dat zal zeven jaar duren. Dan zul je begrijpen dat de allerhoogste God over alles regeert. Hij geeft macht aan wie hij wil.’

30Op dat ogenblik gebeurde met mij precies wat er gezegd was. Niemand wilde nog iets met mij te maken hebben. Ik begon gras te eten als een koe. Ik was ’s nachts buiten, ook al was het koud en nat. Mijn haar werd even lang als de veren van een adelaar. Mijn nagels groeiden door. Mijn handen leken op de poten van een vogel.

De koning krijgt zijn verstand terug

31Zeven jaren gingen voorbij. Toen keek ik omhoog naar de hemel. Op dat moment werd ik weer beter. Ik dankte de allerhoogste God, want hij verdient alle eer. Hij is de God die eeuwig leeft. Hij is koning en regeert voor altijd. 32De mensen op aarde zijn onbelangrijk. De grote God doet met mensen wat hij wil, net zoals met de engelen in de hemel. Hij laat zich door niemand tegenhouden en legt niet uit waarom hij iets doet.

33Toen ik beter was, werd ik weer koning. Ik werd weer belangrijk en de mensen hadden weer respect voor mij. Mijn hoogste en machtigste ambtenaren zochten mij weer op. Ik werd zelfs belangrijker en machtiger dan vroeger.

34Daarom geef ik alle eer aan God, de koning van de hemel. Alles wat hij doet, is goed. Wat hij ook beslist, hij heeft altijd gelijk. Sommige mensen vinden dat ze een hoge plaats verdiend hebben. Maar aan zulke mensen geeft hij juist een lage plaats.’

5

Letters op de muur

Koning Belsassar geeft een feest

51Op een dag gaf koning Belsassar, de zoon van Nebukadnessar, een groot feest. Hij had duizend hoge ambtenaren gevraagd om te komen. De koning dronk veel wijn op het feest, 2en hij werd dronken. Hij zei: ‘Ik bezit veel gouden en zilveren bekers uit de tempel van Jeruzalem. Die heeft mijn vader ooit meegenomen. Breng die bekers hier, dan gaan we daaruit drinken.’

3De bekers uit de tempel van Jeruzalem werden gehaald. En de koning, zijn belangrijkste ambtenaren en al zijn vrouwen dronken eruit. 4Tijdens het feest dankten ze hun goden van goud, zilver, brons, ijzer, hout en steen.

Een hand schrijft op de muur

5Plotseling werd er een hand op de muur van de feestzaal zichtbaar. De vingers van die hand schreven iets op de witte muur. Het licht van de lamp scheen erop. Toen de koning de hand zag schrijven, 6werd hij wit van angst. Hij had geen kracht meer en kon niet meer op zijn benen staan. 7-8Hij schreeuwde dat de wijze mannen uit Babylonië bij hem moesten komen. Hij wilde van hen weten wat de letters betekenden, en wat hij moest doen.

Toen de wijze mannen allemaal gekomen waren, zei hij tegen hen: ‘Wie van jullie kan die letters op de muur lezen? Wie kan mij zeggen wat daar staat? Wie dat kan, zal in mijn koninkrijk een belangrijke bestuurder worden. Ik zal hem een mooie, rode mantel en een gouden ketting geven.’

Maar niet één van de wijze mannen kon de letters lezen. Niemand kon zeggen wat er stond. 9Toen werd koning Belsassar nog banger en zijn gezicht werd steeds witter. Zijn hoogste ambtenaren keken angstig toe.

De koningin laat Daniël roepen

10De koningin hoorde het geschreeuw van de koning en zijn ambtenaren. Ze ging naar de feestzaal en zei: ‘Koning, ik wens u een lang leven toe! Wees niet bang. U bent wit van schrik, maar dat is niet nodig. 11-12Want er is een man die van de heilige goden bijzondere kennis gekregen heeft. Hij is net zo verstandig en wijs als de goden. Hij begrijpt alles. Hij heeft zo veel kennis en verstand dat hij dromen kan uitleggen. Hij kan ook alle raadsels oplossen. En hij kan de dingen die niemand begrijpt, duidelijk maken.

Uw vader Nebukadnessar heeft hem nog gekend. Hij heeft hem de leiding gegeven over alle wijze mannen. Hij heet Daniël, maar uw vader noemde hem ook wel Beltesassar. U moet hem laten komen. Hij zal uitleggen wat er op de muur staat.’

De koning vraagt Daniël om uitleg

13Onmiddellijk werd Daniël bij de koning gebracht. De koning zei: ‘Jij bent dus Daniël. En jij bent ooit door mijn vader in Juda gevangengenomen. 14Ik heb over je gehoord. Er wordt gezegd dat de heilige goden je bijzondere kennis gegeven hebben. Er wordt ook gezegd dat je verstandig en wijs bent.

15Zie je die letters op de muur? Ik heb mijn wijze mannen bij me laten komen om me te zeggen wat daar staat. Maar dat konden ze niet. 16Ik heb gehoord dat jij dingen die niemand begrijpt, kunt uitleggen. Daarom vraag ik je: Lees deze letters en zeg mij wat er staat. Dan zul je in mijn koninkrijk een heel belangrijke bestuurder worden. Dan zal ik je een mooie, rode mantel en een gouden ketting geven.’

Daniël geeft de koning antwoord

17Daniël zei tegen de koning: ‘Ik zal de letters voor u lezen en u zeggen wat er staat. Maar uw cadeaus mag u houden, of aan iemand anders geven. 18Luister, koning, de allerhoogste God gaf uw vader grote macht en eer. 19Daardoor werd uw vader heel machtig. Alle volken op aarde hadden veel respect voor hem. Als hij iemand wilde doden, dan deed hij dat. Als hij iemand in leven wilde laten, dan deed hij dat. Hij maakte mensen belangrijk als hij dat wilde. En hij maakte mensen onbelangrijk als hij dat wilde.

20Maar op een dag werd uw vader te trots. Hij vond dat hij beter en belangrijker was dan iedereen. Daarom mocht hij geen koning meer zijn. De mensen hadden geen respect meer voor hem. 21Geen mens wilde nog iets met hem te maken hebben. Hij kon alleen nog maar denken als een dier. Hij leefde bij de wilde ezels. Hij at gras als een koe. Hij lag ’s nachts buiten in de kou.

Dat duurde zeven jaar. Toen moest hij toegeven dat de allerhoogste God macht heeft over alle koningen. God beslist wie koning is.

Daniël geeft uitleg

22Belsassar, u bent Nebukadnessars zoon. U wist wat er met uw vader gebeurd is. Toch hebt u daar niets van geleerd. 23U hebt iets gedaan dat de Heer van de hemel niet goedvindt. U liet de bekers halen die in de tempel van de Heer horen. U hebt daaruit wijn gedronken. Uw hoogste ambtenaren en al uw vrouwen deden mee. En u dankte uw goden van zilver, goud, brons, ijzer, hout en steen. Dat zijn goden die niet kunnen zien en niet kunnen horen. Ze weten niets. Maar de God die u het leven gegeven heeft, dankt u niet. Hij is de God die altijd bepaalt wat er gebeurt!

24Daarom liet God die hand letters schrijven op de muur. 25Er staan vier woorden: ‘Menee, menee, tekeel, oefarsien’. 26Die woorden hebben allemaal een betekenis. Menee betekent: geteld. God heeft de dagen van uw koningschap geteld. U mag niet langer koning zijn. 27Tekeel betekent: gewogen. God heeft u gewogen en u bent niet goed genoeg om koning te zijn. 28Oefarsien betekent: verdeeld. Uw koninkrijk wordt verdeeld tussen de Meden en de Perzen.’

Koning Belsassar sterft

29Belsassar gaf opdracht om Daniël een mooie, rode mantel en een gouden ketting te geven. Zo werd Daniël een belangrijke bestuurder in het koninkrijk. Dat liet de koning overal bekendmaken.

30In diezelfde nacht werd Belsassar, de koning van de Babyloniërs, gedood.