Bijbel in Gewone Taal (BGT)
2

Tegen de Moabieten

21Dit zegt de Heer: ‘Misdadigers zijn het daar in Moab! Ze hebben de botten van de koning van Edom volledig verbrand.

Daarom staat mijn besluit vast: Ik zal hen straffen. 2Moab en de paleizen van de stad Keriot zullen afbranden. De Moabieten zullen sterven in de strijd, terwijl overal lawaai klinkt van trompetten, en geschreeuw van vechtende soldaten. 3Ik zal de koning en de leiders van het land doden.’ Dat is wat de Heer zegt.

Tegen Juda

4Dit zegt de Heer: ‘Misdadigers zijn het daar in Juda! Ze hebben zich niet gehouden aan mijn regels en wetten. Ze geloofden in afgoden, net als hun voorouders.

Daarom staat mijn besluit vast: Ik zal hen straffen. 5Juda zal in brand staan en de paleizen in Jeruzalem zullen afbranden.’

De Heer waarschuwt Israël

Tegen Israël

6Dit zegt de Heer: ‘Maar ook jullie zijn misdadigers, Israëlieten. Mijn besluit staat vast: ik zal jullie straffen. Jullie verkopen onschuldige mensen voor een beetje geld, en arme mensen voor een paar schoenen. 7Jullie geven zwakke mensen nog een trap als ze al op de grond liggen. Jullie duwen mensen die om hulp vragen, opzij. En een zoon en een vader gaan naar bed met hetzelfde meisje! Zo beledigen jullie mij.

8Jullie lopen in de tempel rond met mooie kleren aan. Maar die kleren hebben jullie gestolen! Jullie drinken wijn in de tempel, maar die wijn hebben jullie gekocht met gestolen geld.’

De Heer heeft veel voor Israël gedaan

9-10Dit zegt de Heer: ‘Ik heb zo veel voor jullie gedaan. Ik heb jullie weggehaald uit Egypte. Ik heb jullie door de woestijn geleid, veertig jaar lang. Ik heb de Amorieten gedood. Ze waren zo groot en sterk als bomen, maar ik heb ze allemaal vernietigd. En toen konden jullie het land van de Amorieten in bezit nemen.

11Ik koos sommigen van jullie uit om profeet te worden. Anderen koos ik uit om mijn dienaar te worden. Die dienaren beloofden om nooit wijn te drinken. Zo is het toch, Israëlieten? 12Maar weet je wat jullie gedaan hebben? Jullie hebben tegen die mensen gezegd dat ze toch wijn moesten drinken! En jullie hebben de profeten verboden om als profeet te spreken!’

Niemand zal ontsnappen

13Dit zegt de Heer: ‘Op een dag zal ik de aarde laten beven, de grond zal schudden onder jullie voeten. Zoals een wagen schudt die te vol geladen is.

14Dan kan niemand meer vluchten. Niemand is snel genoeg, niemand is sterk genoeg. Zelfs iemand die heel dapper is, zal sterven. 15Ook wie een pijl en boog heeft, kan de strijd niet volhouden. Wie heel snel loopt, kan toch niet wegkomen. En wie op een paard rijdt, kan toch niet ontsnappen. 16Ook de dapperste held laat alles achter om te vluchten. Zo zal het gaan als die dag komt!’ Dat zegt de Heer.

3

Israël heeft veel misdaden gepleegd

31Volk van Israël, luister goed. De Heer zegt tegen jullie: ‘Jullie zijn het volk dat ik uit Egypte bevrijd heb. 2Er zijn veel volken in de wereld, maar alleen jullie heb ik uitgekozen. Toch hebben jullie veel misdaden gepleegd. Daarom zal ik jullie straffen.’

Niets gebeurt zomaar

3Twee mensen kunnen pas samen op reis gaan, als ze elkaar eerst ontmoet hebben. 4Een leeuw die op jacht is, brult alleen als hij iets gevangen heeft. En een leeuw in zijn hol brult pas als hij iets te eten heeft. 5Je kunt alleen een vogel in een net vangen, als je er eerst voer in hebt gelegd. En een val klapt pas dicht als er een dier in zit. 6De inwoners van een stad worden pas bang als het alarm klinkt. En er gebeurt alleen een ramp in een stad als de Heer dat wil.

7Zo is het met alles wat God, de Heer, doet: hij doet niets zomaar, zonder een plan. Dat plan heeft hij bekendgemaakt aan zijn profeten. 8En als God spreekt, moet een profeet zijn woorden wel doorgeven. Net zoals iedereen wel bang moet zijn voor een brullende leeuw.

In Samaria worden mensen onderdrukt

9-11Dit zegt God, de Heer: ‘Ga naar de paleizen van de stad Asdod en ga naar Egypte. Stuur de mensen van Asdod en Egypte naar de bergen bij de stad Samaria. Dan zien ze hoe verschrikkelijk het is in die stad. De mensen worden er onderdrukt. Van eerlijke rechtspraak hebben ze daar nog nooit gehoord. En in de paleizen van de stad zijn ze altijd aan het stelen en moorden.’

Daarom zegt de Heer: ‘Samaria, de vijanden zullen van alle kanten op je afkomen. Dan worden je muren verwoest en je paleizen leeggeroofd.’

De Israëlieten worden niet gered

12Dit zegt de Heer: ‘Als een leeuw een schaap gepakt heeft, wat blijft er dan van over? De herder kan het dier niet redden. Hij vindt alleen een paar botjes en een stuk van een oor terug.

Zo zal het ook gaan met de Israëlieten in Samaria. Nu liggen ze nog lui op hun bed. Ze zakken lekker achterover in de kussens. Maar ze zullen niet gered worden.’

De Israëlieten worden gestraft

13God, de Heer, de machtige God, zegt: ‘Luister naar mijn woorden. Waarschuw de Israëlieten, het volk van Jakob. 14De dag komt dat ik de Israëlieten zal straffen voor hun misdaden. Ik zal hun altaren in Betel vernielen, ik zal die altaren aan stukken slaan. 15Ik zal hun huizen verwoesten, hun zomerhuizen en de huizen waar ze in de winter wonen. En ook alle prachtige paleizen worden verwoest.’ Dat zegt de Heer.

4

De vrouwen van Samaria zijn slecht

41-3De Heer zegt tegen de vrouwen in Samaria: ‘Luister naar mijn woorden. Jullie lijken op vette koeien, die de berg van Samaria kaalvreten. Jullie vertrappen zwakke mensen. Jullie mishandelen arme mensen. En intussen zeggen jullie tegen je man: ‘Haal eens iets te drinken voor me!’

Maar dat gaat snel veranderen. Dat staat vast, zo zeker als ik de heilige God ben. Ik haal jullie daar weg, één voor één. Zoals iemand met een hengel vissen uit het water haalt, de één na de ander. Eén voor één worden jullie door de gaten in de muren van de stad naar buiten getrokken. En dan worden jullie meegenomen naar een onbekende plaats.’

Offers brengen is niet genoeg

4-5De Heer zegt: ‘Volk van Israël, kom naar de stad Betel, kom naar de stad Gilgal. Laat daar je slechte gedrag maar eens zien! Geef mij maar geschenken en breng mij offers. Laat iedereen maar weten hoe dankbaar jullie zijn. En vergeet niet overal te vertellen welke offers je vrijwillig brengt. Want jullie offeren toch zo graag?’

Israël heeft niet naar God geluisterd

6De Heer zegt: ‘Ikzelf heb ervoor gezorgd dat jullie honger hadden. Nergens was er nog brood te krijgen, in geen enkele stad. Daar heb ik voor gezorgd. Maar jullie zijn niet bij mij teruggekomen!

7Ikzelf heb ervoor gezorgd dat het niet meer regende. Er viel geen regen toen het graan moest groeien. In de ene stad liet ik het wel regenen, maar in de andere stad niet. Op het ene veld viel wel regen, op het andere niet. En daar groeide ook niets meer. 8De mensen liepen van stad naar stad, op zoek naar water. En ze bleven dorst hebben. Daar heb ik voor gezorgd. Maar jullie zijn niet bij mij teruggekomen!

9Ik heb ervoor gezorgd dat jullie koren niet kon groeien. Jullie tuinen en wijngaarden verdroogden. En sprinkhanen aten alle vruchten van de bomen op. Er was geen vijg of olijf meer te vinden. Daar heb ik voor gezorgd. Maar jullie zijn niet bij mij teruggekomen!

10Ik stuurde jullie een dodelijke ziekte, dezelfde ziekte die ik ooit naar de Egyptenaren stuurde. Jullie zonen werden door de vijand gedood, en jullie paarden werden gestolen. De stank van de doden in jullie leger was overal te ruiken. Daar heb ik voor gezorgd. Maar jullie zijn niet bij mij teruggekomen!

11Ik heb jullie steden verwoest, zoals ik vroeger Sodom en Gomorra verwoest heb. Wat er overbleef, leek op een stuk zwart hout dat uit het vuur gehaald is. Daar heb ik voor gezorgd. Maar jullie zijn niet bij mij teruggekomen!

12Daarom zal ik jullie straffen, volk van Israël. Dat gaat zeker gebeuren. Bereid je er maar op voor. Jullie zullen tegenover mij komen te staan, tegenover jullie God!’

God heeft alles gemaakt

13God heeft de bergen gemaakt en de wind.

Hij heeft de mensen zijn plannen verteld.

Hij kan het ochtendlicht weer donker maken.

Hij verschijnt op de hoogste bergen.

Zijn naam is: Heer, machtige God.