Bijbel in Gewone Taal (BGT)

Hizkia vraagt Jesaja om raad

191Toen koning Hizkia hoorde wat er gezegd was, scheurde hij van verdriet zijn kleren. Hij trok rouwkleren aan en ging naar de tempel van de Heer. 2Toen liet hij Eljakim en Sebna bij zich komen, samen met de belangrijkste priesters. En hij zei dat zij ook rouwkleren moesten aantrekken.

Daarna stuurde Hizkia hen naar de profeet Jesaja, de zoon van Amos, 3met het volgende bericht: ‘Jesaja, het gaat niet goed met mij en mijn volk. We worden bang gemaakt, vernederd en gestraft. En ik kan mijn volk niet redden, hoe graag ik dat ook wil. Ik voel me als een vrouw die moet bevallen, maar er de kracht niet voor heeft.

4Maar misschien heeft de Heer, de levende God, gehoord hoe erg Sanherib hem beledigd heeft. En misschien zal hij Sanherib daarom straffen. Bid daarom voor ons volk, Jesaja, bid voor de mensen die nog in leven zijn.’

5Met dat bericht kwamen de dienaren van Hizkia bij Jesaja. 6En Jesaja antwoordde: ‘Dit zegt de Heer tegen koning Hizkia: ‘U hoeft niet bang te zijn voor de koning van Assyrië, die mij beledigd heeft. 7Want ik zal hem bang maken. Ik zal hem zulk slecht nieuws brengen, dat hij teruggaat naar zijn eigen land. En ik zal ervoor zorgen dat hij daar gedood wordt.’’

Sanherib stuurt boodschappers naar Hizkia

8Intussen was de legerleider weer teruggegaan naar koning Sanherib. Die had de stad Lachis alweer verlaten. Hij was nu met zijn leger op weg naar de stad Libna.

9Maar toen kreeg Sanherib een bericht over Tirhaka, de koning van Nubië. Die was met zijn leger op weg gegaan om hem aan te vallen. Daarom stuurde Sanherib opnieuw boodschappers met een brief naar Hizkia.

In die brief stond: 10‘Hizkia, laat u niet bedriegen door uw God! Hij heeft gezegd dat Jeruzalem niet door mij veroverd zal worden. En u vertrouwt op hem. 11Maar u weet toch wat er gebeurd is? Alle landen die door mijn volk aangevallen zijn, zijn verwoest. Waarom zou u dan wel gered worden?

12Mijn voorouders hebben de steden Gozan, Charan en Resef aangevallen. En ook Telassar, waar de mensen uit Eden woonden. Ze hebben die steden helemaal verwoest. De inwoners werden dus niet door hun goden gered. 13En ook de koningen van de steden Hamat, Arpad, Sefarwaïm, Hena en Iwwa zijn niet door hun goden gered.’

Hizkia leest de brief van Sanherib

14Koning Hizkia las de brief die de boodschappers van Sanherib aan hem gaven. Daarna ging hij naar de tempel van de Heer, en legde de brief neer bij het altaar. 15Toen begon Hizkia daar te bidden. Hij zei: ‘Heer, God van Israël! U zit op een troon die door engelen gedragen wordt. U alleen bent de God van alle koninkrijken op aarde. U hebt de hemel en de aarde gemaakt. 16Luister naar mij, Heer. Kijk wat er met ons gebeurt! En hoor wat koning Sanherib allemaal over u zegt! Hij beledigt u, de levende God.

17Heer, wat Sanherib gezegd heeft, dat is waar. De koningen van Assyrië hebben andere volken vernietigd en hun landen verwoest. 18En zij hebben ook de goden van die landen vernietigd. Maar dat waren geen echte goden. Het waren alleen maar beelden van hout en steen, die de mensen zelf gemaakt hadden.

19Maar u bent onze Heer, u bent onze God! Daarom vraag ik u om ons te beschermen tegen de koning van Assyrië. Heer, red ons! Want dan zullen alle volken op aarde weten dat u de enige God bent.’

God heeft een bericht voor Sanherib

20-21Toen stuurde Jesaja, de zoon van Amos, het volgende bericht naar koning Hizkia: ‘De Heer, de God van Israël, heeft naar uw gebed geluisterd. Hoor wat de Heer nu zegt tegen Sanherib, de koning van Assyrië: ‘Sanherib, de inwoners van Jeruzalem hebben helemaal geen respect voor jou. Ze lachen je uit. 22Weet je niet wie ik ben? Ik ben de heilige God van Israël! En jij hebt mij belachelijk gemaakt, jij hebt mij beledigd!

23Je hebt je boodschappers gestuurd om mij te beledigen. Je hebt gezegd: ‘Ik ben machtiger dan iedereen. Ik kom met mijn paarden en wagens op de hoogste toppen van de Libanon-bergen. En daar hak ik de hoogste en sterkste bomen om. Ik kom op de hoogste toppen en in de donkerste bossen. 24Ik kan overal water uit de grond halen. En ik kan ook alle rivieren in Egypte laten opdrogen.’

25Maar, Sanherib, ik ben de Heer! Ik heb jou dat allemaal laten doen! Dat had ik lang geleden al besloten. En nu heb ik het allemaal laten gebeuren. Sterke steden zijn door jou volledig verwoest. 26Alle inwoners van die steden zijn machteloos en bang. En ze schamen zich dat ze zo zwak zijn. Ze zijn net zo zwak als jonge plantjes op een akker, die doodgaan door de hete zon.

27Maar ik ken jou, Sanherib. Ik weet wat je zegt en ik zie alles wat je doet. Ik weet hoe je tegen mij tekeergaat. 28Ik weet hoe je tegen mij schreeuwt en ik weet hoe geweldig je jezelf vindt. Maar ik zal zorgen dat je daarmee stopt. Ik zal je dwingen om te doen wat ik wil. Je zult weer teruggaan langs dezelfde weg als waarlangs je gekomen bent.’

God belooft dat het volk zal groeien

29En Hizkia, dit zegt de Heer tegen u: ‘De komende twee jaar zul je weinig te eten hebben. Want dan zal er maar weinig groeien, en wat er groeit is vooral onkruid. Maar in het derde jaar kun je zaaien en oogsten. Dan zullen er wijngaarden komen en kunnen jullie druiven eten.

30Hizkia, er is nog maar een klein deel van je volk in leven. Maar je volk zal snel gaan groeien, net als een plant met sterke wortels. 31Want je volk zal zich vanuit Jeruzalem en vanaf de berg Sion verspreiden over het hele land. Ik, de Heer, zal zorgen dat dat gebeurt.’

Sanherib zal Jeruzalem niet veroveren

32En dit zegt de Heer over Sanherib, de koning van Assyrië: ‘Sanherib zal Jeruzalem niet binnengaan, en hij zal ook geen pijlen over de stadsmuur schieten. Nee, Sanherib zal de stad niet kunnen aanvallen. 33Hij zal weer teruggaan langs dezelfde weg als waarlangs hij gekomen is. Hij zal de stad niet binnenkomen.

34Want ik zal de stad beschermen en ik zal haar inwoners bevrijden. Dat doe ik voor mijzelf en ook voor mijn dienaar David.’’

Sanherib gaat terug naar Nineve

35In die nacht kwam er een engel van de Heer. De engel doodde 185.000 soldaten in het legerkamp van de Assyriërs. De volgende ochtend lagen er overal dode soldaten. 36Toen maakte koning Sanherib een eind aan de aanval. Hij ging met zijn leger terug naar zijn land, naar de stad Nineve.

37In Nineve ging Sanherib naar de tempel van zijn god Nisroch. Maar toen hij voor die god knielde, werd hij vermoord door twee van zijn zonen, Adrammelech en Sareser. Zij konden ontsnappen en vluchtten naar het land Ararat. Toen werd Esarhaddon, een andere zoon van Sanherib, de nieuwe koning van Assyrië.