Bijbel in Gewone Taal (BGT)
19

Hizkia vraagt Jesaja om raad

191Toen koning Hizkia hoorde wat er gezegd was, scheurde hij van verdriet zijn kleren. Hij trok rouwkleren aan en ging naar de tempel van de Heer. 2Toen liet hij Eljakim en Sebna bij zich komen, samen met de belangrijkste priesters. En hij zei dat zij ook rouwkleren moesten aantrekken.

Daarna stuurde Hizkia hen naar de profeet Jesaja, de zoon van Amos, 3met het volgende bericht: ‘Jesaja, het gaat niet goed met mij en mijn volk. We worden bang gemaakt, vernederd en gestraft. En ik kan mijn volk niet redden, hoe graag ik dat ook wil. Ik voel me als een vrouw die moet bevallen, maar er de kracht niet voor heeft.

4Maar misschien heeft de Heer, de levende God, gehoord hoe erg Sanherib hem beledigd heeft. En misschien zal hij Sanherib daarom straffen. Bid daarom voor ons volk, Jesaja, bid voor de mensen die nog in leven zijn.’

5Met dat bericht kwamen de dienaren van Hizkia bij Jesaja. 6En Jesaja antwoordde: ‘Dit zegt de Heer tegen koning Hizkia: ‘U hoeft niet bang te zijn voor de koning van Assyrië, die mij beledigd heeft. 7Want ik zal hem bang maken. Ik zal hem zulk slecht nieuws brengen, dat hij teruggaat naar zijn eigen land. En ik zal ervoor zorgen dat hij daar gedood wordt.’’

Sanherib stuurt boodschappers naar Hizkia

8Intussen was de legerleider weer teruggegaan naar koning Sanherib. Die had de stad Lachis alweer verlaten. Hij was nu met zijn leger op weg naar de stad Libna.

9Maar toen kreeg Sanherib een bericht over Tirhaka, de koning van Nubië. Die was met zijn leger op weg gegaan om hem aan te vallen. Daarom stuurde Sanherib opnieuw boodschappers met een brief naar Hizkia.

In die brief stond: 10‘Hizkia, laat u niet bedriegen door uw God! Hij heeft gezegd dat Jeruzalem niet door mij veroverd zal worden. En u vertrouwt op hem. 11Maar u weet toch wat er gebeurd is? Alle landen die door mijn volk aangevallen zijn, zijn verwoest. Waarom zou u dan wel gered worden?

12Mijn voorouders hebben de steden Gozan, Charan en Resef aangevallen. En ook Telassar, waar de mensen uit Eden woonden. Ze hebben die steden helemaal verwoest. De inwoners werden dus niet door hun goden gered. 13En ook de koningen van de steden Hamat, Arpad, Sefarwaïm, Hena en Iwwa zijn niet door hun goden gered.’

Hizkia leest de brief van Sanherib

14Koning Hizkia las de brief die de boodschappers van Sanherib aan hem gaven. Daarna ging hij naar de tempel van de Heer, en legde de brief neer bij het altaar. 15Toen begon Hizkia daar te bidden. Hij zei: ‘Heer, God van Israël! U zit op een troon die door engelen gedragen wordt. U alleen bent de God van alle koninkrijken op aarde. U hebt de hemel en de aarde gemaakt. 16Luister naar mij, Heer. Kijk wat er met ons gebeurt! En hoor wat koning Sanherib allemaal over u zegt! Hij beledigt u, de levende God.

17Heer, wat Sanherib gezegd heeft, dat is waar. De koningen van Assyrië hebben andere volken vernietigd en hun landen verwoest. 18En zij hebben ook de goden van die landen vernietigd. Maar dat waren geen echte goden. Het waren alleen maar beelden van hout en steen, die de mensen zelf gemaakt hadden.

19Maar u bent onze Heer, u bent onze God! Daarom vraag ik u om ons te beschermen tegen de koning van Assyrië. Heer, red ons! Want dan zullen alle volken op aarde weten dat u de enige God bent.’

God heeft een bericht voor Sanherib

20-21Toen stuurde Jesaja, de zoon van Amos, het volgende bericht naar koning Hizkia: ‘De Heer, de God van Israël, heeft naar uw gebed geluisterd. Hoor wat de Heer nu zegt tegen Sanherib, de koning van Assyrië: ‘Sanherib, de inwoners van Jeruzalem hebben helemaal geen respect voor jou. Ze lachen je uit. 22Weet je niet wie ik ben? Ik ben de heilige God van Israël! En jij hebt mij belachelijk gemaakt, jij hebt mij beledigd!

23Je hebt je boodschappers gestuurd om mij te beledigen. Je hebt gezegd: ‘Ik ben machtiger dan iedereen. Ik kom met mijn paarden en wagens op de hoogste toppen van de Libanon-bergen. En daar hak ik de hoogste en sterkste bomen om. Ik kom op de hoogste toppen en in de donkerste bossen. 24Ik kan overal water uit de grond halen. En ik kan ook alle rivieren in Egypte laten opdrogen.’

25Maar, Sanherib, ik ben de Heer! Ik heb jou dat allemaal laten doen! Dat had ik lang geleden al besloten. En nu heb ik het allemaal laten gebeuren. Sterke steden zijn door jou volledig verwoest. 26Alle inwoners van die steden zijn machteloos en bang. En ze schamen zich dat ze zo zwak zijn. Ze zijn net zo zwak als jonge plantjes op een akker, die doodgaan door de hete zon.

27Maar ik ken jou, Sanherib. Ik weet wat je zegt en ik zie alles wat je doet. Ik weet hoe je tegen mij tekeergaat. 28Ik weet hoe je tegen mij schreeuwt en ik weet hoe geweldig je jezelf vindt. Maar ik zal zorgen dat je daarmee stopt. Ik zal je dwingen om te doen wat ik wil. Je zult weer teruggaan langs dezelfde weg als waarlangs je gekomen bent.’

God belooft dat het volk zal groeien

29En Hizkia, dit zegt de Heer tegen u: ‘De komende twee jaar zul je weinig te eten hebben. Want dan zal er maar weinig groeien, en wat er groeit is vooral onkruid. Maar in het derde jaar kun je zaaien en oogsten. Dan zullen er wijngaarden komen en kunnen jullie druiven eten.

30Hizkia, er is nog maar een klein deel van je volk in leven. Maar je volk zal snel gaan groeien, net als een plant met sterke wortels. 31Want je volk zal zich vanuit Jeruzalem en vanaf de berg Sion verspreiden over het hele land. Ik, de Heer, zal zorgen dat dat gebeurt.’

Sanherib zal Jeruzalem niet veroveren

32En dit zegt de Heer over Sanherib, de koning van Assyrië: ‘Sanherib zal Jeruzalem niet binnengaan, en hij zal ook geen pijlen over de stadsmuur schieten. Nee, Sanherib zal de stad niet kunnen aanvallen. 33Hij zal weer teruggaan langs dezelfde weg als waarlangs hij gekomen is. Hij zal de stad niet binnenkomen.

34Want ik zal de stad beschermen en ik zal haar inwoners bevrijden. Dat doe ik voor mijzelf en ook voor mijn dienaar David.’’

Sanherib gaat terug naar Nineve

35In die nacht kwam er een engel van de Heer. De engel doodde 185.000 soldaten in het legerkamp van de Assyriërs. De volgende ochtend lagen er overal dode soldaten. 36Toen maakte koning Sanherib een eind aan de aanval. Hij ging met zijn leger terug naar zijn land, naar de stad Nineve.

37In Nineve ging Sanherib naar de tempel van zijn god Nisroch. Maar toen hij voor die god knielde, werd hij vermoord door twee van zijn zonen, Adrammelech en Sareser. Zij konden ontsnappen en vluchtten naar het land Ararat. Toen werd Esarhaddon, een andere zoon van Sanherib, de nieuwe koning van Assyrië.

20

De genezing van Hizkia

Koning Hizkia wordt ziek

201In die tijd werd koning Hizkia ernstig ziek. De profeet Jesaja, de zoon van Amos, ging naar hem toe en zei: ‘De Heer zegt dat u zult sterven. U zult niet meer beter worden. Regel alvast wat er na uw dood moet gebeuren.’

2Toen draaide Hizkia zijn gezicht naar de muur en hij bad tot de Heer. Hij zei: 3‘Heer, denk toch aan mij. Ik heb altijd goed en eerlijk geleefd, en ik heb steeds gedaan wat u wilde.’ En Hizkia huilde van verdriet.

Hizkia zal nog vijftien jaar leven

4-5Jesaja wilde weggaan. Maar al voordat hij het paleis uit was, stuurde de Heer hem terug naar Hizkia, met deze boodschap: ‘Hizkia, jij bent de koning van mijn volk. Ik ben de Heer, de God van je voorvader David. Ik heb je gebed gehoord en ik heb je tranen gezien. Ik zal zorgen dat je beter wordt. Over twee dagen zul je weer naar mijn tempel kunnen gaan. 6En daarna zul je nog vijftien jaar leven.

Nu heeft de koning van Assyrië nog de macht over Jeruzalem. Maar ik zal jou en alle inwoners bevrijden. En ik zal de stad beschermen. Dat doe ik voor mijzelf en ook voor mijn dienaar David.’

Hizkia wordt weer beter

7Jesaja zei tegen de dienaren van koning Hizkia dat ze zijn wonden moesten verzorgen. Ze moesten er gedroogde vijgen op leggen. Toen ze dat gedaan hadden, voelde Hizkia zich al beter. 8Hij vroeg aan Jesaja: ‘Krijg ik een teken van de Heer dat hij me zal genezen? En dat ik over twee dagen weer naar de tempel mag gaan?’

9Jesaja antwoordde: ‘De Heer zal laten zien dat hij zich houdt aan zijn belofte. Hij zal u een teken geven. U kent de zonnewijzer van koning Achaz. Wat denkt u, zal de schaduw op die zonnewijzer vooruit gaan of achteruit?’

10Hizkia zei: ‘De schaduw gaat altijd vooruit. Laat hem nu achteruit gaan!’ 11Toen bad de profeet Jesaja tot de Heer. En de Heer liet de schaduw op de zonnewijzer van Achaz achteruit gaan.

Er komen boodschappers bij Hizkia

12De koning van Babylonië heette Berodach-Baladan. Hij had gehoord dat Hizkia ziek was. Daarom stuurde hij boodschappers naar hem toe met brieven en een geschenk.

13Hizkia luisterde naar de woorden van de boodschappers. Daarna liet hij hun zien wat er allemaal in zijn schatkamers lag: zilver, goud, parfums en geurige olie. Hij liet ook zijn voorraad wapens zien, en alles wat hij verder in zijn paleis bewaarde. Hij liet de boodschappers overal kijken, niet alleen in zijn paleis, maar in het hele land.

Jesaja gaat naar Hizkia

14Korte tijd later ging Jesaja naar koning Hizkia en vroeg: ‘Wat hebben die mannen tegen u gezegd? Waar komen ze vandaan?’ Hizkia zei: ‘Ze komen uit een ver land, helemaal uit Babylonië.’ 15En Jesaja vroeg: ‘Wat hebben ze in uw paleis allemaal bekeken?’ ‘Ze hebben alles gezien wat er in het paleis is,’ zei Hizkia. ‘Ik heb alles laten zien.’

16-17Toen zei Jesaja tegen Hizkia: ‘Luister. Er komt een tijd dat alles uit uw paleis weggehaald zal worden. Alles wat uw voorouders verzameld hebben, wordt dan naar Babylonië gebracht. Er blijft helemaal niets over. Dat heeft de Heer zelf gezegd. 18En de Babyloniërs zullen ook een aantal van uw zonen meenemen. Die moeten dan werken in het paleis van de koning van Babylonië.’

19Hizkia dacht: Zolang ik leef, zal er hier nog rust en vrede zijn. Daarom zei hij tegen Jesaja: ‘Het is goed wat de Heer gezegd heeft.’

De dood van Hizkia

20Alle andere verhalen over Hizkia en over zijn overwinningen staan opgeschreven in de boeken over de koningen van Juda. Ook het verhaal over de vijver en de watertunnel die hij liet maken. Daarmee zorgde Hizkia ervoor dat de stad altijd water had.

21Hizkia werd na zijn dood opgevolgd door zijn zoon Manasse.

21

Koning Manasse van Juda

Manasse wordt koning van Juda

211Manasse werd koning van Juda toen hij twaalf jaar oud was. Hij regeerde 55 jaar vanuit Jeruzalem. Zijn moeder heette Chefsiba.

Manasse is een slechte koning

2Manasse deed dingen die de Heer slecht vond. Hij deed dezelfde afschuwelijke dingen als de volken die de Heer vroeger voor de Israëlieten weggejaagd had. 3Zijn vader Hizkia had ervoor gezorgd dat de offerplaatsen niet meer gebruikt werden. Maar Manasse liet ze herstellen. Hij liet altaren neerzetten voor de god Baäl. Hij maakte net zo’n heilige paal voor de godin Asjera als koning Achab van Israël vroeger gemaakt had. Ook vereerde hij de sterren.

4Manasse liet altaren voor andere goden maken in de tempel in Jeruzalem, de stad waar alleen de Heer vereerd mocht worden. 5Op allebei de pleinen van de tempel liet hij altaren neerzetten voor de sterren. 6Hij offerde zelfs één van zijn eigen zonen. Ook ging hij naar waarzeggers en voorspellers. En hij nam mensen in dienst om de geesten van doden op te roepen.

Manasse deed dus alles wat de Heer slecht vond. Daarmee beledigde hij de Heer. 7Hij liet ook nog een beeld van de godin Asjera maken, en zette dat neer in de tempel van de Heer.

Ook het volk is slecht

Over die tempel had de Heer vroeger tegen David en Salomo gezegd: ‘Hier wil ik voor altijd wonen. Hier in Jeruzalem, de stad die ik uit alle steden in Israël uitgekozen heb. 8De Israëlieten mogen altijd blijven wonen in het land dat ik aan hun voorouders gegeven heb. Maar dan moeten ze zich wel houden aan mijn wetten en regels. Aan alle wetten die mijn dienaar Mozes hun gegeven heeft.’

9Maar de Israëlieten luisterden niet naar de Heer. Ze deden zelfs ergere dingen dan de volken die de Heer vroeger voor hen vernietigd had. Dat kwam door het slechte voorbeeld van Manasse.

De Heer waarschuwt het volk

10Daarom stuurde de Heer profeten naar de Israëlieten met de volgende boodschap: 11-12‘Dit zegt de Heer, de God van Israël: ‘Koning Manasse van Juda heeft afschuwelijke dingen gedaan. Nog ergere dingen dan de volken die hier vroeger woonden. Door de afgoden van Manasse is het volk van Juda ontrouw aan mij geworden.

Daarom zal ik in Juda en Jeruzalem een ramp laten gebeuren. Iedereen die het hoort, zal ervan schrikken. 13-14Ik zal Jeruzalem net zo streng straffen als Samaria, en net zo streng als de familie van koning Achab van Israël.

Ik zal Jeruzalem schoonmaken zoals je een bak met afval leeggooit en schoonmaakt. Ik zal alle inwoners uit de stad wegjagen. En als er dan toch nog mensen van mijn volk overblijven, zal ik die in de steek laten. Ik geef hen in handen van hun vijanden. Die zullen dan alles roven en stelen wat die mensen nog hebben. 15Want mijn volk heeft dingen gedaan die ik slecht vind. Ze hebben mij beledigd vanaf de dag dat hun voorouders weggingen uit Egypte, en dat doen ze nog steeds.’’

De dood van Manasse

16Manasse heeft ervoor gezorgd dat de inwoners van Juda ontrouw werden aan de Heer. Door hem gingen ze dingen doen die de Heer slecht vond. En hij heeft ook onschuldige mensen gedood. Hij doodde zo veel mensen dat het bloed door heel Jeruzalem stroomde.

17Alle andere verhalen over Manasse en zijn slechte daden staan opgeschreven in de boeken over de koningen van Juda.

18Toen Manasse stierf, werd hij begraven in de tuin van zijn paleis, de Tuin van Uzza. Zijn zoon Amon volgde hem op.

Koning Amon van Juda

Amon wordt koning van Juda

19Amon werd koning van Juda toen hij 22 jaar oud was. Hij regeerde twee jaar vanuit Jeruzalem. Zijn moeder heette Mesullemet. Zij was een dochter van Charus, en ze kwam uit de stad Jotba.

Amon is een slechte koning

20Amon leefde net zo slecht als zijn vader Manasse. 21Hij deed alle slechte dingen die zijn vader ook gedaan had. Hij vereerde dezelfde afgoden. 22Hij werd ontrouw aan de God van zijn voorouders, en hij leefde niet zoals de Heer het wilde.

De dood van Amon

23De dienaren van Amon maakten een plan om hem te doden. Ze vermoordden hem in zijn paleis. 24Maar daarna doodde het volk de moordenaars van koning Amon. En ze maakten zijn zoon Josia koning in zijn plaats.

25Alle andere verhalen over Amon staan opgeschreven in de boeken over de koningen van Juda.

26Amon werd na zijn dood begraven in de Tuin van Uzza. Zijn zoon Josia volgde hem op.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]