Bijbel in Gewone Taal (BGT)
8

De hulpactie voor Jeruzalem

De christenen in Macedonië geven geld

81Vrienden, ik wil jullie iets vertellen. Dankzij Gods goedheid hebben de christenen in Macedonië iets bijzonders gedaan. 2Die christenen hebben het erg moeilijk, maar ze houden vol. Ze zijn vol vreugde door hun geloof. En ook al zijn ze erg arm, ze willen anderen graag helpen. Daar hebben ze alles voor over. 3-4Ze vroegen aan mij: ‘Mogen wij meedoen met de actie om de christenen in Jeruzalem te helpen?’ Dat wilden ze heel graag. Ze gaven alles wat ze konden missen. Ik kan wel zeggen: meer dan ze konden missen! En dat deden ze uit zichzelf.

5De christenen in Macedonië gaven meer dan ik had durven hopen. Ze zagen onze actie als iets dat God wilde. Daarom steunden ze ons. En bovendien gaven ze zo zichzelf als geschenk aan Christus, de Heer!

Doe mee met de hulpactie

6Ook jullie steun is nodig. Ik heb Titus opdracht gegeven om dat te regelen. Hij was al eerder begonnen om bij jullie geld in te zamelen, en dat werk komt hij nu afmaken. 7Over jullie is veel goeds te zeggen! Jullie geloof is sterk, en jullie kunnen er goed over vertellen. Jullie kennis is groot. Jullie doen altijd je uiterste best. En jullie leven vanuit de liefde die ik jullie geleerd heb. Geef daarom nu ook je volledige steun aan de actie voor Jeruzalem.

8Ik zeg dat niet als een bevel. Ik vertel jullie alleen maar wat de christenen in Macedonië gedaan hebben. Want ik wil te weten komen of ook jullie echte liefde voelen voor andere christenen. 9Jullie weten wat onze Heer Jezus Christus voor jullie gedaan heeft. Hij heeft zijn hemelse positie opgegeven en zijn lijden geaccepteerd. Dat deed hij uit goedheid voor jullie. Want door zijn lijden krijgen jullie het hemelse leven.

De eenheid van de christenen

10Ik geef jullie geen bevel, maar een advies. Want meedoen met de hulpactie is goed voor jullie. Jullie zijn vorig jaar al begonnen met het inzamelen van geld. Jullie wilden dat zelf. 11Maak het nu dan ook af!

Jullie wilden toch zo graag meedoen? Dan moeten jullie het nu ook echt doen. Verzamel alles wat jullie kunnen geven. 12Als je het van harte geeft, dan is de Heer er blij mee. Maar je hoeft niet meer te geven dan je kunt missen.

13Het is niet de bedoeling dat jullie zelf in moeilijkheden komen door anderen te helpen. Het gaat erom dat jullie laten zien dat er eenheid is. 14De nieuwe tijd is gekomen. Daarom moeten jullie nu laten zien dat de christenen een eenheid vormen. Jullie steunen de christenen in Jeruzalem die hulp nodig hebben. Maar zij geven jullie ook iets terug dat jullie nodig hebben: hun dank en hun gebed. 15Zo staat het ook in de heilige boeken: «Niemand had te veel en niemand had te weinig.»

Een nieuw bezoek aan Korinte

16Ik dank God. Want hij zorgt ervoor dat Titus, net als ik, alles voor jullie overheeft. 17Want ik vroeg Titus om jullie weer te bezoeken. Maar hij had zelf allang bedacht dat hij naar jullie toe wilde gaan! Hij heeft echt alles voor jullie over.

18Ik stuur een christen uit Macedonië met Titus mee. Hij wordt door alle christenen gewaardeerd omdat hij goed over het goede nieuws kan vertellen. 19De kerken in Macedonië hebben hem uitgekozen om met mij mee te gaan naar Jeruzalem. Dan zullen we daar al het geld brengen dat we konden inzamelen. Zo eren we de Heer, en laten we zien dat we de christenen in Jeruzalem van harte steunen. 20Die man zal dus met mij meegaan naar Jeruzalem. Dan kan later nooit iemand zeggen dat ik iets van het geld gestolen heb. 21Want ik wil alles goed doen. En dat wil ik niet alleen aan de Heer laten zien, maar ook aan de mensen.

22Ik stuur ook nog een andere christen met Titus mee. Hij heeft veel over voor het werk dat we doen, dat heb ik al vaak gemerkt. En deze keer wil hij nog harder werken dan anders, want hij heeft veel vertrouwen in jullie.

23Titus kennen jullie. Hij is mijn vriend, en hij werkt met me samen om jullie te dienen. De twee christenen die met hem meekomen, zijn gestuurd door de kerken in Macedonië. Het zijn dienaren van Christus, die werken tot zijn eer. 24Ontvang hen met open armen. Dan laten jullie zien dat jullie de christenen in Macedonië liefhebben. En dan begrijpt iedereen waarom ik trots op jullie ben.

9

Het geld moet snel ingezameld worden

91Eigenlijk hoef ik jullie niets te schrijven over de hulpactie voor de christenen in Jeruzalem. 2Want jullie staan klaar om mee te doen! Dat weet ik. Ik heb trots over jullie verteld aan de christenen in Macedonië. Ik zei: ‘De christenen in Korinte en in de rest van de provincie Achaje hebben vorig jaar al besloten om mee te doen.’ En de meeste christenen in Macedonië hebben toen jullie goede voorbeeld gevolgd.

3Ik stuur nu Titus en de twee andere christenen naar jullie toe. Want ik heb steeds trots over jullie gezegd: ‘Ze doen mee!’ Maar dat moeten jullie nu dan ook echt doen. 4Als ik over een tijdje naar jullie toe kom, komen er ook christenen uit Macedonië mee. Stel je voor dat jullie dan nog niets ingezameld hebben. Wat een schande zou dat zijn! Voor mij, maar vooral voor jullie.

5Daarom vind ik het nodig dat Titus en die twee anderen alvast naar jullie toe gaan. Zij moeten ervoor zorgen dat jullie voorbereid zijn op mijn bezoek. En dat het geld dat jullie beloofd hebben, ingezameld wordt. Als ik bij jullie kom, moet het klaarliggen als een prachtig geschenk. Jullie moeten niet tot het laatste moment wachten en dan maar heel weinig geven!

God geeft al het goede

6Denk eraan: Iemand die weinig zaait, zal ook weinig oogsten. Iemand die veel zaait, zal ook veel oogsten. 7Iedereen moet voor zichzelf besluiten hoeveel hij wil geven. Je moet van harte geven, en niet omdat het verplicht is. Want God houdt van mensen die met vreugde geven.

8God heeft de macht om jullie al het goede te schenken. Hij kan jullie alles geven wat je nodig hebt. Zelfs zo veel dat jullie altijd meer dan genoeg hebben, en veel overhouden om andere mensen te steunen. 9Zo staat het ook in de heilige boeken: «Ze geven veel aan arme mensen. Altijd blijven ze het goede doen.»

10Het is God die zorgt voor zaad om te zaaien en brood om te eten. Hij zal er ook voor zorgen dat jullie meer dan genoeg hebben. En dat jullie steeds meer goeddoen voor anderen.

Het gaat om de dank aan God

11God heeft jullie op veel manieren rijk gemaakt. Nu moeten jullie ook klaarstaan om anderen te helpen. Dan zullen de christenen in Jeruzalem God danken voor de steun die ze via mij van jullie krijgen.

12Jullie dienen God door de christenen in Jeruzalem te steunen. Want zij krijgen dan de hulp die ze nodig hebben, en ze zullen God met heel hun hart danken. 13Ze zullen God eren als ze merken dat jullie hen graag willen steunen. En dat jullie willen laten zien dat alle christenen een eenheid vormen. Dan weten ze dat jullie je houden aan wat er afgesproken is toen het werk aan het goede nieuws begon.

14Telkens als zij voor jullie bidden, voelen ze zich met jullie verbonden. Want ze hebben gemerkt dat God geweldig goed voor jullie is.

15Laten we God danken voor wat hij ons geeft, een geschenk dat te groot is voor woorden.

10

Paulus verdedigt zich

Paulus vertrouwt op Gods kracht

101-2Ik weet dat er over mij gezegd wordt: ‘Paulus durft streng tegen je te zijn, zolang hij ver weg is. Maar als hij bij je komt, is hij een slappeling.’ Maar luister: Denk eraan dat Christus altijd vriendelijk en geduldig was! En luister alsjeblieft naar wat ik van jullie vraag.

Als ik bij jullie kom, wil ik liever niet laten zien hoe streng ik kan zijn. Als apostel mag ik streng zijn. En ik durf echt wel boos te worden op de mensen die zeggen dat ik een slappeling ben. Maar jullie moeten ervoor zorgen dat dat niet nodig is.

3-5Natuurlijk, ik ben een zwak mens, zoals iedereen. Maar ik doe mijn werk niet met menselijke kracht, ik vertrouw op Gods kracht! God maakt mij sterk. Zo kan ik vechten voor de waarheid! Ik strijd tegen alles wat mensen beweren. Al hun mooie woorden, hun grote verhalen en geweldige ideeën. Ik laat zien dat dat allemaal onzin is. Want de kennis over God is de enige waarheid. En we moeten alleen Jezus Christus gehoorzamen. 6Jullie moeten in alles gehoorzaam zijn aan Christus. Dan zal ik ervoor zorgen dat iedereen die niet wil luisteren, gestraft wordt.

Christus heeft Paulus macht gegeven

7Kijk eens goed naar wat er gebeurt. Bepaalde mensen bij jullie in Korinte zijn ervan overtuigd dat ze dienaren van Christus zijn. Maar ik ben ook een dienaar van Christus, net als zij! Laten die mensen daar nog maar eens goed over nadenken!

8Stel dat ik met veel trots zou vertellen over de macht die de Heer mij gegeven heeft. Dan zou ik gewoon de waarheid spreken! Maar ik heb die macht gekregen om jullie te steunen, niet om jullie kwaad te doen. 9Dat zeg ik erbij. Want jullie moeten niet denken dat ik probeer om jullie bang te maken met mijn brieven. 10Ik weet dat er over mij gezegd wordt: ‘Zijn brieven klinken krachtig en streng. Maar in het echt is hij een slappeling en maken zijn woorden geen indruk.’ 11Ik waarschuw de mensen die dat zeggen! Want als ik straks bij jullie ben, zullen mijn daden net zo streng zijn als mijn brieven!

Paulus houdt zich aan zijn opdracht

12Er is inderdaad iets wat ik niet durf. Ik durf niet over mezelf te zeggen dat ik geweldig ben of dat ik de beste van de apostelen ben. Er zijn mensen die graag dat soort dingen over zichzelf zeggen. Die mensen zijn dom. Ze denken dat ze de vraag wie de beste is, zelf mogen beantwoorden. 13Ik doe dat niet. Ik schep niet op over mezelf. Als ik met trots spreek, is het over het werk dat God mij laat doen. Ik houd me aan de opdracht die hij me gegeven heeft. Het werk dat ik bij jullie in Korinte gedaan heb, hoort ook bij die opdracht.

14Ik was de eerste die bij jullie in Korinte het goede nieuws over Christus vertelde. Ik kwam in opdracht van God. Jullie stad hoort dus bij het gebied waarin God mij laat werken. 15Ik zal nooit opscheppen over iets waarvoor een ander moeite gedaan heeft. Maar over mijn eigen werk ben ik vol vertrouwen. Jullie geloof wordt steeds sterker, en met jullie steun kan mijn werk doorgaan. Dan kan ik heel veel bereiken met het werk dat God mij laat doen. 16Dan kan ik doorreizen naar nieuwe plaatsen om ook daar het goede nieuws bekend te maken.

En als anderen succes hebben in hun eigen gebied? Dan is dat niet iets waar ik trots op kan zijn. 17Er is er maar één op wie we trots moeten zijn: de Heer. 18Iemand kan wel over zichzelf zeggen: ‘Ik werk voor de Heer.’ Maar dat zegt nog niets. Dat weet je pas zeker, als de Heer zelf laat zien dat iemand voor hem werkt.